Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5918

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
107.001.345/01(voorheen rolnummer 0600520)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat het standpunt van [appellant], dat erop neer komt dat de door [geïntimeerde] verkregen, maar niet-genoten roostervrije dagen reeds zijn vergolden, moet worden verworpen. [appellant] doet voor zijn standpunt een beroep op de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Daaruit volgt echter, gelet op het hiervoor in r.o.2 overwogene, dat [geïntimeerde] naast het overeengekomen salaris een aanspraak heeft op 13 roostervrije dagen per jaar. Bedoelde dagen zijn naar hun aard te verstaan - en naar het oordeel van het hof door [appellant] redelijkerwijs ook niet anders op te vatten dan - als dagen die rekenkundig deel uitmaken van de overeengekomen arbeidstijd. Nu [geïntimeerde] die dagen niet heeft genoten, kan hij alsnog op vergelding ervan aanspraak maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 juni 2008

Zaaknummer 107.001.345/01 (voorheen rolnummer 0600520)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant], voorheen h.o.d.n. Doe Het Zelf Centrum [naam 1 ],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P. Tuinman.

De inhoud van het door het hof gewezen tussenarrest d.d. 12 september 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge genoemd tussenarrest heeft ieder der partijen, onder overlegging van producties, een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Wederom met betrekking tot de grieven

1. Partijen, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, hebben na het eerdergenoemd tussenarrest ieder een akte genomen, waarin zij hun standpunten nader hebben toegelicht en gehandhaafd. Het hof overweegt daaromtrent thans het volgende.

2. Het is het hof gebleken dat de tekst van art. 8 leden 1, 2 en 3 van de Verordening Arbeidsvoorwaarden Detailhandel 1996 in de sedert 1 juni 2000 geldende versie, hierna te noemen de VAD, gelijkluidend is aan de tekst van art. 8, leden 1, 2 en 3 van de VAD 2003, die in r.o. 3 van het genoemde tussenarrest van 12 september 2007 - voor zover van belang - is aangehaald. De VAD was van kracht ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

2.1 Daargelaten of [geïntimeerde] niet ook uit anderen hoofde aanspraak zou kunnen maken op roostervrije dagen, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] in ieder geval door het incorporeren van de VAD in de arbeidsovereenkomst, een aanspraak heeft verworven op roostervrije dagen.

2.2 Niet is gesteld of gebleken dat - voor zover enige collectieve arbeidsovereenkomst voor personeel in de doe-het-zelfbranche te eniger tijd op de arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn geweest, dan wel de opvolgende VAD - die aanspraak daardoor voor [geïntimeerde] teloor zou zijn gegaan.

2.3 Het hof kan zich daarom ontslagen achten van de verplichting om verder onderzoek in te stellen naar de toepasselijkheid van bedoelde regelingen.

3. Voorop staat dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4. Het hof is van oordeel dat het standpunt van [appellant], dat erop neer komt dat de door [geïntimeerde] verkregen, maar niet-genoten roostervrije dagen reeds zijn vergolden, moet worden verworpen. [appellant] doet voor zijn standpunt een beroep op de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Daaruit volgt echter, gelet op het hiervoor in r.o.2 overwogene, dat [geïntimeerde] naast het overeengekomen salaris een aanspraak heeft op 13 roostervrije dagen per jaar. Bedoelde dagen zijn naar hun aard te verstaan - en naar het oordeel van het hof door [appellant] redelijkerwijs ook niet anders op te vatten dan - als dagen die rekenkundig deel uitmaken van de overeengekomen arbeidstijd. Nu [geïntimeerde] die dagen niet heeft genoten, kan hij alsnog op vergelding ervan aanspraak maken.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de grieven niet tot het uiteindelijke doel, te weten de vernietiging van de in het eindvonnis uitgesproken veroordelingen, kunnen leiden. Het hof kan daarom in het midden laten of grief I ondanks dat zij in dat opzicht niet kan slagen terecht is opgeworpen.

Slotsom

6. De vonnissen waarvan beroep zullen, zij het op andere gronden, worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (1½ procespunten, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen van 10 maart 2006 en 16 juni 2006 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 248,-- aan verschotten en op

€ 948,-- aan salaris voor de procureur;

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Breemhaar, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 juni 2008, in bijzijn van de griffier.