Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5912

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
107.001.485/01 (voorheen rolnummer 0700004)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Nu [appellante ] door de rechtbank bij beschikking van 22 januari 2008 van het gezag over [de zoon ] is ontheven en de voogdij inmiddels wordt uitgeoefend door de Stichting Jeugdzorg Friesland, heeft [appellante ] in hoger beroep geen spoedeisend belang meer bij de gevraagde voorziening. De grieven 1 tot en met 3, die zich richten tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de gevorderde voorziening te weigeren en toewijzing van deze beogen, behoeven daarom geen inhoudelijke behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 juni 2008

Zaaknummer 107.001.485/01 (voorheen rolnummer 0700004)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante ],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

toevoeging,

hierna te noemen: [appellante ],

procureur: mr. J. Pieters,

tegen

Stichting Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: LJ&R,

procureur: mr. S.A. Roodhof.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 22 november 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden, hierna te noemen: de voorzieningenrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 19 december 2006 is door appellante hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van LJ&R tegen de zitting van 3 januari 2007.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, waarin de grieven zijn opgenomen en waarbij producties zijn overgelegd, luidt:

"Mitsdien het het gerechtshof behage, bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis d.d. 22 november 2006 door de rechtbank Leeuwarden, onder nummer 79358 / KG Za 06-368 gewezen, en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog te veroordelen medewerking te verlenen aan het opstarten van omgang tussen [appellante ] en [de zoon ], op straffe van een dwangsom zoals het gerechtshof in goede justitie zal vermenen te behoren, althans primair gerequireerde te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, subsidiair de proceskosten te compenseren in beide instanties."

Er is mondeling van eis gediend.

Bij memorie van antwoord is door LJ&R verweer gevoerd met als conclusie:

"Dat het uw Gerechtshof moge behagen het vonnis d.d. 22 november 2006 van de voorzieningenrechter te Leeuwarden te bevestigen, het door appellante in hoger beroep gevorderde niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, met veroordeling van appellante in de kosten van hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Appellante heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud der overgelegde producties staat voorshands het volgende tussen partijen vast:

1.1 [appellante ] is de moeder van [de zoon ] (hierna te noemen: [de zoon ].) [de zoon ] is geboren op [datum ] 1998. [de zoon ] is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden hierna te noemen: de kinderrechter, op 26 mei 2004 onder toezicht gesteld van het LJ&R. Op 10 juni 2005 is er op verzoek van het LJ&R een machtiging crisisuithuisplaatsing afgegeven, waarna [de zoon ] is geplaatst in een crisispleeggezin voor de duur van zes weken. Op 15 juni 2005 is die machtiging gewijzigd in een machtiging uithuisplaatsing tot 15 oktober 2005.

1.2 In juli 2005 is [de zoon ] overgeplaatst naar een ander pleeggezin, waar hij nog steeds verblijft. Op 5 oktober 2005 is een machtiging uithuisplaatsing afgegeven voor de duur van de ondertoezichtstelling. Tijdens die uithuisplaatsing heeft [appellante ] een bezoekregeling met [de zoon ] van één uur per vier weken onder begeleiding van een gezinsvoogdes op het kantoor van LJ&R en een belafspraak van éénmaal per vier weken.

1.3 In verband met verdenkingen van strafbare feiten van [appellante ] jegens [de zoon ], mishandeling en seksueel misbruik, heeft het LJ&R in april 2006 de omgangsregeling voorlopig stopgezet.

Vlak voor de kort gedingzitting op 16 november 2006 heeft LJ&R aan [appellante ] een schriftelijke aanwijzing overhandigd, inhoudende dat het contact tussen [appellante ] en [de zoon ] voorlopig wordt stopgezet.

1.4 De kinderrechter heeft het verzoek van [appellante ] om die schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en het verzoek om de omgang met [de zoon ] weer op te starten en zodoende een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen in zijn beschikking van 9 februari 2007. [appellante ] is tegen deze beschikking niet in hoger beroep gekomen, zodat deze onherroepelijk is.

1.5 Bij beschikking van 22 januari 2008 heeft de rechtbank Leeuwarden [appellante ] ontheven van het gezag over [de zoon ] en bepaald dat de voogdij over [de zoon ] voortaan zal worden uitgeoefend door de Stichting Jeugdzorg Friesland te Leeuwarden.

Standpunten partijen

2. [appellante ] stelt zich in het hoger beroep -in het kort- op het standpunt dat LJ&R de omgang tussen [appellante ] en [de zoon ] weer dient op te starten.

3. LJ&R stelt zich op het standpunt dat [appellante ] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit hoger beroep omdat er inmiddels een uitspraak van de kinderrechter ten gronde ligt. Ook meent zij dat LJ&R niet gehouden is om de omgang tussen [appellante ] en [de zoon ] weer op gang te brengen, daar dat nu niet in het belang van [de zoon ] is.

De grieven

4.1 Nu [appellante ] door de rechtbank bij beschikking van 22 januari 2008 van het gezag over [de zoon ] is ontheven en de voogdij inmiddels wordt uitgeoefend door de Stichting Jeugdzorg Friesland, heeft [appellante ] in hoger beroep geen spoedeisend belang meer bij de gevraagde voorziening. De grieven 1 tot en met 3, die zich richten tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de gevorderde voorziening te weigeren en toewijzing van deze beogen, behoeven daarom geen inhoudelijke behandeling.

4.2 Met grief 4 komt [appellante ] op tegen de proceskostenveroordeling in het bestreden vonnis.

4.3 Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat [appellante ] ook ten tijde van de datum van het bestreden vonnis geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening had, nu LJ&R de in r.o. 1.3, tweede alinea, bedoelde aanwijzing had verstrekt en [appellante ] daarover een spoedige beslissing ten gronde van de kinderrechter kon verkrijgen. Om die reden heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante ] terecht afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

4.4 Grief 4 faalt derhalve.

4.5 Als de ook in appel in het ongelijk gestelde partij wordt [appellante ] in de proceskosten veroordeeld (salaris procureur 1 punt, tarief II).

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante ] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van LJ&R tot aan deze uitspraak op € 296,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Breemhaar en De Hek, raden, uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op woensdag 25 juni 2008 in het bijzijn van de griffier.