Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5866

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
107.002.350/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[geïntimeerde 3 ] heeft de stellingen van [appellant] over de vervalsing van de beide kwitanties niet weersproken. In appel komt dan ook, gelet op het gemotiveerde en deugdelijk onderbouwde betoog van [appellant], geen betekenis toe aan de beide kwitanties. Er kan derhalve geenszins van worden uitgegaan dat de huur van de woning tot en met januari 2008 betaald was ten tijde van het wijzen van het verstekvonnis. Evenmin kan er van worden uitgegaan dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, de kwitanties de mogelijkheid openlaten dat de huurpenningen zijn betaald, nog daargelaten of dat - gelet op het tot terughoudendheid nopende criterium voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een executoriale titel - voldoende zou zijn voor toewijzing van de vordering. De grondslag van de in de inleidende dagvaarding ingestelde vordering is dan ook ondeugdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 juni 2008

Zaaknummer 107.002.350/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant ],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

procureur: onttrokken,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

procureur:onttrokken,

3. [geïntimeerde 3 ],

wonende te [woonplaats],

toevoeging,

procureur: mr. P. Stehouwer

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

geïntimeerden sub 1. en 2. hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden 1 en 2],

geïntimeerde sub 3: [geïntimeerde 3 ].

De inhoud van het tussenarrest d.d. 5 maart 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft een akte genomen en [geïntimeerde 3 ] een antwoordakte.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Vaststaande feiten

1. Tegen de vaststelling van de feiten in rechtsoverweging 2 (2.1. tot en met 2.6.) van het vonnis zijn geen grieven gericht, zodat ook in appel van deze feiten kan worden uitgegaan. Deze feiten komen, tezamen met hetgeen overigens enerzijds is gesteld en anderzijds niet of niet voldoende is weersproken, op het volgende neer.

1.1. [geïntimeerde 3 ] is de (veel jongere) neef van [geïntimeerden 1 en 2]

1.2. [geïntimeerde 3 ] en [geïntimeerden 1 en 2] huren krachtens schriftelijke huurovereenkomst met ingang van 1 augustus 2007 van [appellant] de woning gelegen aan de [adres] te [plaats], tegen een maandelijkse huurprijs van € 1.000,00.

1.3. Bij dagvaarding van 5 november 2007 zijn [geïntimeerde 3 ] en [geïntimeerden 1 en 2] door [appellant] gedagvaard om op dinsdag 13 november 2007 te verschijnen voor de kantonrechter te Assen. [appellant] vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens een huurachterstand van vier maanden.

1.4. De dagvaarding is aan het adres [adres] te [plaats] niet in persoon betekend, maar in een gesloten envelop aan dat adres achtergelaten, overeenkomstig de voorschriften van artikel 47 Rv.

1.5. De kantonrechter te Assen heeft de ingestelde vorderingen op 13 november 2007 bij verstek toegewezen.

1.6. [appellant] heeft het verstekvonnis op 3 december 2007 aan [geïntimeerde 3 ] en [geïntimeerden 1 en 2] doen betekenen.

1.7. [geïntimeerde 3 ] en [geïntimeerden 1 en 2] hebben verzet gedaan tegen het verstekvonnis. De verzetprocedure is nog aanhangig bij de kantonrechter te Assen.

1.8. [geïntimeerde 3 ] en [geïntimeerden 1 en 2] hebben in kort geding de stopzetting van de executie van het verzetvonnis gevorderd. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter deze eis toegewezen.

1.9. [geïntimeerde 3 ] heeft op 23 november 2007 zijn kamer in de woning ontruimd en hij heeft toen zijn sleutels ingeleverd bij de deurwaarder.

Ontvankelijkheid

2. [geïntimeerde 3 ] heeft in de memorie van antwoord betoogd dat [appellant] geen enkel belang heeft bij het instellen van (spoed)appel en dat hij om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn appel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hijzelf het gehuurde inmiddels heeft ontruimd en verlaten en dat tussen [appellant] en [geïntimeerden 1 en 2] een regeling is bereikt, die er op neerkomt dat [geïntimeerden 1 en 2] de woning, als onderhuurder, in de woning kunnen blijven. Om die reden zou een belang van [appellant] ontbreken bij het in het appel ongedaan maken van de door de voorzieningenrechter bewerkstelligde schorsing van de tenuitvoerlegging.

3. Het hof verwerpt dit betoog van [geïntimeerde 3 ]. [appellant] heeft in zijn akte gemotiveerd weersproken dat tussen hem en [geïntimeerden 1 en 2] een regeling is bereikt. Volgens hem is er wel overleg geweest over een oplossing, maar heeft dat overleg geen resultaat gehad. In het licht van dit verweer heeft [geïntimeerde 3 ] zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd.

4. Nu [geïntimeerden 1 en 2] de woning nog niet ontruimd hebben, en derhalve nog geen gevolg gegeven hebben aan het verstekvonnis, waarvan de tenuitvoerlegging heeft geschorst, heeft [appellant] wel degelijk belang bij het door hem ingestelde appel, dat er immers toe strekt de schorsing ongedaan te maken.

Bespreking van de grieven

5. het gaat in dit geschil om de vraag of, zoals [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] aan hun oorspronkelijke vordering ten grondslag hebben gelegd, [appellant] misbruik heeft gemaakt van het recht om het verstekvonnis ten uitvoer te (doen) leggen. De grieven leggen deze vraag, en daarmee het geschil, in volle omvang ter beoordeling voor.

6. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts kan schorsen wanneer hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust of indien de ontruiming op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (vgl. HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 en 22 december 2006, NJ 2007, 173). Doorslaggevend is derhalve of een dergelijke situatie zich voordoet.

7. In eerste aanleg is aan de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ten grondslag gelegd dat voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding tot ontruiming de huur tot en met de maand januari 2008 en een bedrag aan inmiddels gemaakte kosten betaald zou zijn. Tevens is aangevoerd dat [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] geen verweer hebben kunnen voeren tegen de vordering, omdat de dagvaarding hen niet bereikt had. De dagvaarding zou zijn achtergelaten in een niet door de huurders gebruikte brievenbus, in gebruik bij een in het pand gevestigde horecagelegenheid.

8. [appellant] heeft betwist dat de huur tot en met januari 2008 is betaald. Hij heeft betoogd dat de beide kwitanties (één terzake van een bedrag van € 3.750,00 en één terzake van een bedrag van € 3.000,00) die in eerste aanleg door [geïntimeerden 1 en 2] in het geding zijn gebracht, ter onderbouwing van hun stelling dat de huur tot en met januari 2008 is betaald, zijn vervalst. In dat kader heeft hij er op gewezen dat de beide kwitanties met de hand geschreven zijn, terwijl hij gewoon is kwitanties uit te typen, dit in verband met zijn lichamelijke klachten waardoor hij niet leesbaar kan schrijven. Ook heeft hij er op gewezen dat hij medio oktober nog berichten per SMS heeft ontvangen van [geïntimeerde 1], waarin de toezegging wordt gedaan een bedrag te betalen dat op grond van één van de overgelegde kwitanties toen al betaald was. Verder heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat hij op de op de kwitanties vermelde data, vanwege respectievelijk een vakantie in Portugal en een familiebezoek, niet in staat is geweest de kwitanties af te geven. Tenslotte zijn de kwitanties, die er op neerkomen dat bedragen zijn betaald, in strijd met door [geïntimeerden 1 en 2] aan de deurwaarder gedane mededelingen, waarvan blijkt uit door [appellant] overgelegde gespreksnotities.

9. [geïntimeerde 3 ] heeft de stellingen van [appellant] over de vervalsing van de beide kwitanties niet weersproken. In appel komt dan ook, gelet op het gemotiveerde en deugdelijk onderbouwde betoog van [appellant], geen betekenis toe aan de beide kwitanties. Er kan derhalve geenszins van worden uitgegaan dat de huur van de woning tot en met januari 2008 betaald was ten tijde van het wijzen van het verstekvonnis. Evenmin kan er van worden uitgegaan dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, de kwitanties de mogelijkheid openlaten dat de huurpenningen zijn betaald, nog daargelaten of dat - gelet op het tot terughoudendheid nopende criterium voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een executoriale titel - voldoende zou zijn voor toewijzing van de vordering. De grondslag van de in de inleidende dagvaarding ingestelde vordering is dan ook ondeugdelijk.

10. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen kan in het midden blijven of de dagvaarding in de ontruimingszaak in de verkeerde brievenbus is achtergelaten, zoals [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] hebben betoogd, maar [appellant], gemotiveerd en met stukken onderbouwd, heeft betwist.

11. [geïntimeerde 3 ] heeft nog aangevoerd dat hij zijn deel van de huurprijs aan [geïntimeerden 1 en 2] heeft betaald. Indien deze stelling juist is, doet dat niet af aan de toewijsbaarheid van de vordering tot ontruiming. Doorslaggevend is niet of [geïntimeerde 3 ] aan [geïntimeerden 1 en 2] heeft betaald, maar of [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] hun - op grond van het huurcontract: hoofdelijke - verplichting tot betaling van de huurprijs zijn nagekomen door het verschuldigde bedrag (tijdig) aan [appellant] te betalen. Indien [geïntimeerden 1 en 2] de van [geïntimeerde 3 ] ontvangen huur niet hebben doorbetaald aan [appellant], zoals [geïntimeerde 3 ] lijkt te veronderstellen, komt dat in de verhouding tussen [geïntimeerde 3 ] en [appellant] voor risico van [geïntimeerde 3 ].

12. De slotsom is dat de grieven slagen. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd en de vordering tot schorsing van de executie zal alsnog worden afgewezen.

13. [appellant] heeft gevorderd dat de vernietiging van het vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Het hof wijst deze vordering niet toe. Vernietiging van een vonnis en afwijzing van een vordering komen naar hun aard niet voor enige vorm van tenuitvoerlegging in aanmerking. Het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing is ook niet nodig om het door [appellant] beoogde effect, te weten het buiten effect stellen van de schorsing van de executie, te bewerken. Door de vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter verliest dat vonnis zijn “werking” zolang de uitspraak in appel niet vernietigd is (vgl. HR 28 september 1984, NJ 1985, 83 en 14 december 1990, NJ 1991, 307).

14. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen hij ingevolge het vonnis van de voorzieningenrechter aan [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] heeft voldaan, komt in beginsel, volgens vaste rechtspraak, voor toewijzing in aanmerking. Nu aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde 3 ] niet actief betrokken is geweest bij de procedure in eerste aanleg, en gesteld noch gebleken is dat [appellant] mede in zijn opdracht, en/of aan zijn raadsman, iets heeft betaald ter uitvoering van dat vonnis, is de vordering jegens hem niet toewijsbaar.

15. Als de geheel in het ongelijk gestelde partijen zullen [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] worden veroordeeld in de proceskosten, zowel van de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep (salaris procureur 1 punt, tarief II). Het hof zal geen punten toekennen aan de door [appellant] genomen akte, nu uit deze akte volgt dat de stelling van [geïntimeerde 3 ] in de memorie van antwoord over zijn eigen ontruiming correct was en [appellant] wel met [geïntimeerden 1 en 2] onderhandeld heeft over hun ontruiming. In het licht daarvan was het begrijpelijk dat [geïntimeerde 3 ] in de memorie van antwoord de vraag naar het belang van [appellant] bij het appel heeft opgeworpen.

De beslissing

het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 7 december 2007,

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] af;

veroordeelt [geïntimeerden 1 en 2] en [geïntimeerde 3 ] in de proceskosten en bepaalt deze kosten, voorzover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen, op:

€ 251,00 aan verschotten en op nihil voor salaris procureur voor de procedure in eerste aanleg;

€ 385,44 aan verschotten en op € 894,00 voor salaris procureur voor de procedure in appel;

veroordeelt [geïntimeerden 1 en 2] tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter aan hen heeft betaald;

verklaart de vordering tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 juni 2008 in bijzijn van de griffier.