Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5818

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
107.002.377/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt dat ook indien er - geheel veronderstellenderwijs - van wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] over de door het UWV bedoelde (geobjectiveerde) wetenschap [van de door betrokkene - haar echtgenoot - gepleegde fraude] beschikte, het UWV daarmee niet op toereikende wijze feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens het UWV heeft gehandeld. Het enkele weten of behoren te weten dat (mogelijk) wordt gefraudeerd en het vervolgens niet handelen daartegen kan in de gegeven omstandigheden van het geval, daarbij mede gelet op de huwelijksrelatie met [betrokkene 1 ], zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 juni 2008

Zaaknummer 107.002.377/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

het rechtspersoonlijkheid bezittende Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: het UWV,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

voor wie gepleit heeft mr. J.A. Dullaart, advocaat te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P. Tuinman,

voor wie gepleit heeft mr. J.A.M. Janssen , advocaat te Groningen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding- vonnis uitgesproken op 20 december 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 17 januari 2008 is door het UWV hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 30 januari 2008.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"te vernietigen het vonnis van 20 december 2007 (rolnummer 98292/KG ZA 07-394) van de rechtbank te Groningen, tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres in kort geding gewezen, en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van geïntimeerde in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren althans haar vorderingen alsnog volledig af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van de procedure in eerste instantie".

Het UWV heeft een akte tot overlegging producties genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"appellante niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, althans de vorderingen aan appellante te ontzeggen, met veroordeling van appellante in de kosten van het geding, dit laatste uitvoerbaar bij voorraad".

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Het UWV heeft vier genummerde grieven opgeworpen alsmede een verholen grief.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.7) van genoemd vonnis van 20 december 2007 is geen grief ontwikkeld, terwijl ook niet anderszins van bezwaren daartegen is gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Het hof merkt hierbij op dat het UWV onder punt 3 van de appeldagvaarding heeft vermeld dat zij op de weergave van deze feiten "enige nuancering" zal aanbrengen, maar zij heeft vervolgens nagelaten om duidelijk aan te geven welke feiten niet op (volledig) juiste wijze in het beroepen vonnis zijn weergegeven, zodat in zoverre geen sprake is van een behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief.

2. Met inachtneming van r.o. 1 alsmede gelet op hetgeen in hoger beroep alsnog is komen vast te staan, gaat het in deze zaak in essentie om het volgende.

2.1 [geïntimeerde] is de echtgenote van [betrokkene 1 ].

2.2 [betrokkene 1 ] exploiteerde in de periode 2000-2005 een (aantal) onderneming(en). [geïntimeerde] heeft voor deze onderneming(en) administratieve werkzaamheden verricht.

2.2 Het UWV is van oordeel dat [betrokkene 1 ] in de periode van (in ieder geval) 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 ten onrechte geen premies sociale verzekeringen voor de in genoemd tijdvak in dienst zijnde werknemers aan het UWV heeft afgedragen. Het UWV heeft over de hiervoor bedoelde periode premienota's aan [betrokkene 1 ] opgelegd, waarmee in totaal een bedrag van

€ 1.815.749,00 gemoeid is. [betrokkene 1 ] heeft tegen deze besluiten bezwaar ingediend. Het UWV heeft de bezwaren ongegrond verklaard, tegen welke beslissing [betrokkene 1 ] niet in beroep is gegaan.

2.3 [betrokkene 1 ] heeft zijn schuld aan het UWV niet (geheel dan wel gedeeltelijk) voldaan.

2.4 [betrokkene 1 ] is door de strafrechter veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, het opzettelijk voeren van geen of een onjuiste loonadministratie en het opzettelijk niet aanmelden van werknemers bij het UWV in de periode van 1 januari 2003 tot en met 12 juli 2005.

2.5 Het UWV stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] (mede-)aansprakelijk is voor de schade, die is ontstaan als gevolg van de omstandigheid dat [betrokkene 1 ] geen premies sociale verzekeringen heeft afgedragen, althans dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van de hiervoor bedoelde premies. Het UWV heeft uit dien hoofde op respectievelijk 8 juli 2005 en 11 juli 2005 verlof gevraagd en gekregen om conservatoir beslag te mogen leggen op de op naam van [geïntimeerde] staande woning aan [adres] te [plaats] alsmede op een tweetal aan haar toebehorende auto's. Het UWV heeft tevens - desgevraagd - verlof gekregen om de auto's in gerechtelijke bewaring te geven.

2.6 De hiervoor bedoelde auto's zijn na overleg tussen partijen door het UWV in 2007 verkocht. De opbrengst daarvan (€ 41.700,00), verminderd met de kosten van de stalling van de auto's in verband met de gerechtelijke bewaring, bevindt zich op de derdenrekening van het kantoor van de advocaat van het UWV.

2.7 [geïntimeerde] heeft bij de inleidende dagvaarding - samengevat - gevorderd dat het beslag op de woning wordt opgeheven en dat de verkoopopbrengst van de auto's

- te vermeerderen met de daarop gevallen wettelijke rente - aan haar wordt betaald.

2.8 De voorzieningenrechter heeft bij het beroepen vonnis geoordeeld dat voorshands aannemelijk is dat de door het UWV gepretendeerde vordering op [geïntimeerde] ondeugdelijk is en heeft op die grond de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

3. Het hof overweegt allereerst dat bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep is gebleken dat de vordering inzake de opheffing van het beslag op de woning van [geïntimeerde] in verband met ontwikkelingen die zich na het wijzen van het beroepen vonnis hebben voorgedaan, niet langer deel uitmaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het UWV heeft immers ter zitting meegedeeld dat zij geen behoefte meer heeft aan beoordeling van haar grieven voor zover daarbij het (door de voorzieningenrechter opgeheven) beslag op de woning in het geding is (zie pleitnota UWV, punt I-8).

3.1 Het gaat in dit geding dus uitsluitend nog om de vraag of de vordering van [geïntimeerde] om de verkoopopbrengst van de (beslagen) auto's aan haar uit te keren, toewijsbaar is. Tussen partijen is niet geschil dat deze vraag - in weerwil van de omstandigheid dat het beslag op de auto's als zodanig is opgeheven - beantwoord moet worden aan de hand van de in art. 705 lid 2 Rv neergelegde maatstaf of summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door het UWV gepretendeerde vordering op [geïntimeerde], gelijk ook de rechtbank aan dit criterium heeft getoetst. Daarmee staat vast dat het hof als voorzieningenrechter in hoger beroep bevoegd is om op voet van art. 705 lid 1 Rv over de zaak te oordelen, zodat voorbijgegaan dient te worden aan hetgeen het UWV in de grieven I en II heeft aangevoerd omtrent het - wegens afwezigheid van een spoedeisend belang - ontbreken van de bevoegdheid tot het geven van een onmiddellijke voorziening bij voorraad. Ook een afweging van belangen aan de hand van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, noopt naar het voorlopig oordeel van het hof niet tot de conclusie dat het belang van [geïntimeerde] om over haar geld te beschikken, ondergeschikt is aan het belang van het UWV om de gelden op de derdengeldrekening te laten staan (HR 25 november 2005, NJ 2006, 148).

4. Met betrekking tot grief III geldt het volgende. Het UWV stelt in deze grief aan de orde op welke gronden zij [geïntimeerde] (mede-)aansprakelijk acht voor de schade, die het gevolg is van de omstandigheid dat [betrokkene 1 ] in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 geen premies sociale verzekeringen aan het UWV heeft afgedragen, althans dat [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van deze premies. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

5. Bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep is namens het UWV gesteld dat zij de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] in de eerste plaats grondt op onrechtmatig handelen. Volgens het UWV bestaat dit onrechtmatig handelen eruit dat [geïntimeerde] wist, althans behoorde weten, dat [betrokkene 1 ] fraudeerde en wel in die zin dat formeel op naam van (een) Duitse onderneming(en) werd gewerkt, terwijl het in feite om (een) Nederlands(e) onderneming(en) ging(en) en dat dus sprake was van een schijnconstructie met als doel om fiscale verplichtingen en dergelijke te ontduiken. [geïntimeerde] heeft bovendien de schijnconstructie mede opgezet en in stand gehouden en voorts het met behulp van deze frauduleuze praktijken verkregen vermogen aan verhaal door schuldeisers zoals het UWV onttrokken, aldus het UWV. De hiervoor bedoelde wetenschap van [geïntimeerde] blijkt volgens het UWV onder meer uit het feit dat zij zich tijdens het strafrechtelijk onderzoek "op cruciale momenten" op haar zwijgrecht als verdachte (dan wel verschoningsrecht als getuige) heeft beroepen. [geïntimeerde] heeft bestreden dat sprake zou zijn geweest van fraude, en, voor zover dat al anders zou zijn, zij hiervan wist dan wel behoorde te weten.

5.1 Het hof overweegt dat ook indien er - geheel veronderstellenderwijs - van wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] over de door het UWV bedoelde (geobjectiveerde) wetenschap beschikte, het UWV daarmee niet op toereikende wijze feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens het UWV heeft gehandeld. Het enkele weten of behoren te weten dat (mogelijk) wordt gefraudeerd en het vervolgens niet handelen daartegen kan in de gegeven omstandigheden van het geval, daarbij mede gelet op de huwelijksrelatie met [betrokkene 1 ], zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

5.2 Ten overvloede overweegt het hof dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] zich in het kader van het opsporingsonderzoek een aantal malen op haar zwijgrecht (dan wel verschoningsrecht) heeft beroepen, niet kan bijdragen aan het bewijs van de stelling van het UWV in deze civiele zaak dat "[geïntimeerde] er wel van geweten moet hebben." Het hof is van oordeel dat, indien een persoon in het kader van een opsporingsonderzoek als verdachte wordt aangemerkt en/of wordt gehoord als getuige in verband met onderzoek naar strafbare feiten gepleegd door iemand anders en vervolgens een beroep doet op zijn/haar zwijgrecht c.q. verschoningsrecht als bedoeld in art. 217 en/of 219 Sv, dit niet aan deze persoon kan worden tegengeworpen indien deze vervolgens partij is in een civiele zaak waarbij dezelfde feiten een rol spelen. Immers, als het standpunt van het UWV in rechte zou worden aanvaard, zou dit het recht dat de wetgever aan verdachten en getuigen heeft toegekend om (bepaalde) vragen niet te hoeven beantwoorden, tot een dode letter maken. Het hof is van oordeel dat dit niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

6. Het hof is voorts van oordeel dat het UWV evenmin toereikende feiten heeft gesteld voor zover het gaat om haar stelling dat [geïntimeerde] heeft meegewerkt aan het opzetten en in stand houden van de door het UWV bedoelde schijnconstructie. Immers, het UWV heeft enkel gesteld dat hiervan sprake zou zijn geweest, maar heeft deze stelling op geen enkele wijze met feiten onderbouwd. Dit geldt ook voor de (algemene) stelling van het UWV dat [geïntimeerde] met behulp van de frauduleuze praktijken van [betrokkene 1 ] verkregen vermogen aan verhaal door schuldeisers zoals het UWV heeft onttrokken en op die grond aansprakelijk is voor de schade van het UWV. Het hof zal hierna nog ingaan op de specifieke stelling van het UWV dat, wat de in geding zijnde auto's betreft, sprake is van paulianeus handelen.

7. Het UWV heeft de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] tevens gebaseerd op art. 16c lid 1, aanhef en onder a, van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV). Deze bepaling is van toepassing indien ervan uitgegaan zou moeten worden dat de onderneming(en) van [betrokkene 1 ] daadwerkelijk in Duitsland gevestigd was c.q. waren, aldus het UWV. Bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft zij hieromtrent opgemerkt dat "het duidelijk mag zijn dat voor de vraag of aan [geïntimeerde] kan worden verweten dat zij (mede) feitelijk leiding heeft gegeven aan een onderneming, althans vaste inrichting van een onderneming en derhalve op grond van artikel 16c CSV aansprakelijk te achten is nog wat méér feiten moeten worden gesteld en bewezen" (zie pleitnota, onderdeel "Summierlijk blijken van de ondeugdelijkheid van de vordering", onder 4), maar dat zij deze stelling vooralsnog niet wil laten varen. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd bestreden dat zij aangemerkt kan worden als - kort gezegd - de leidinggevende van de onderneming(en) van [betrokkene 1 ] als bedoeld in art. 16c lid 1, aanhef en onder a, CSV.

7.1 Het hof is van oordeel dat het UWV ook met betrekking tot deze grondslag van de vordering - zoals zijzelf in feite al toegeeft - onvoldoende heeft gesteld om [geïntimeerde] op grond van de hiervoor bedoelde bepaling hoofdelijk aansprakelijk te kunnen houden voor de betaling van de premies.

8. De grief faalt in al haar onderdelen.

9. Het UWV heeft onder punt 23 van de inleiding op de grieven in de appeldagvaarding (zoals aangevuld in punt 23 van de pleitnota) opgemerkt dat een deel van de "winst" die is ontstaan als gevolg van het feit dat [betrokkene 1 ] in Nederland geen premies sociale verzekeringen voor zijn werknemers heeft afgedragen, is benut voor de aankoop van de auto's waarop het UWV beslag heeft gelegd. Deze auto's stonden formeel op naam van [geïntimeerde], maar zij heeft geen (althans weinig) eigen inkomsten. De auto's zijn aldus feitelijk economisch eigendom van [betrokkene 1 ] en aan [geïntimeerde] kan worden verweten dat zij in zoverre heeft meegewerkt aan het onttrekken van de auto's aan het verhaal door schuldeisers, zodat - aldus nog steeds het UWV - sprake is van paulianeus handelen. De hof merkt deze stelling aan als een verholen grief tegen het beroepen vonnis.

9.1 De grief kan evenwel geen doel treffen, reeds vanwege de omstandigheid dat het UWV ook hier niet op toereikende wijze feiten en omstandigheden heeft gesteld, die - indien voldoende aannemelijk gemaakt - kunnen leiden tot het oordeel dat is voldaan aan de criteria die op grond van art. 3:45 BW voor de actio pauliana gelden. Het hof wijst erop dat het beroep op de pauliana enkel is gebaseerd op (door [geïntimeerde] bestreden) veronderstellingen aan de zijde van het UWV. Dit kan niet gelden als een voldoende onderbouwing voor de stelling dat de rechtshandelingen die aan de eigendomsverschaffing van de auto's aan [geïntimeerde] ten grondslag liggen, op grond van art. 3:45 BW voor vernietiging in aanmerking komen en de verkoopopbrengst van de auto's derhalve niet aan [geïntimeerde] toekomt.

10. Gelet op het vorenstaande kan het hof zich verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van het UWV op [geïntimeerde]. Het hof voegt hieraan toe dat het UWV er nog steeds niet in geslaagd is voldoende aannemelijk te maken dat zij een vordering op [geïntimeerde] heeft, in weerwil van het feit dat zij inmiddels ruim de tijd heeft gehad nader onderzoek te doen naar de feiten waarop zij de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] baseert. Nu het conservatoire beslag (met gerechtelijke bewaring) bovendien reeds bijna drie jaar geleden is gelegd en de verkoopopbrengst van de auto's al geruime tijd niet ter vrije beschikking van [geïntimeerde] staat, rechtvaardigt dit naar het oordeel van het hof de ordemaatregel dat het UWV de verkoopopbrengst van de auto's aan haar moet uitkeren zodat zij er vrijelijk over kan beschikken.

11. Het UWV maakt met grief IV bezwaar tegen de beslissing van de voorzieningenrechter dat zij de volledige verkoopopbrengst van de auto's ad

€ 41.700,00 aan [geïntimeerde] moet uitkeren. Volgens het UWV dienen de stallingskosten die met de gerechtelijke bewaring gemoeid waren en die het UWV moest vergoeden, hierop in mindering te strekken en resteert voor [geïntimeerde] aldus slechts een bedrag van € 36.302,75.

11.1 Ook deze grief faalt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof voorlopig van oordeel dat het beslag op de auto's zonder deugdelijke grond is gelegd. Dit brengt mee dat de stallingskosten voor rekening van het UWV dienen te blijven, zodat [geïntimeerde] recht heeft op betaling van de volledige verkoopopbrengst.

12. Het UWV heeft (in algemene bewoordingen) aangeboden om het bewijs van de juistheid van haar stellingen te leveren door het doen horen van getuigen (zie appeldagvaarding, p. 16). Hieraan wordt voorbij gegaan reeds omdat de onderhavige procedure in kort geding, gericht op het verkrijgen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad uit hoofde van onverwijlde spoed, daarvoor geen plaats biedt. Bovendien heeft het UWV, zoals volgt uit het vorenstaande, ook onvoldoende gesteld om haar tot bewijslevering toe te laten.

De slotsom

13. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van het UWV als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief IV, 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt het UWV in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 1.136,00 aan verschotten en € 4.893,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Telman en Zondag, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 juni 2008 in bijzijn van de griffier.