Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5682

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
107.001.653/01 (oud 0700172)
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM1686, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM1686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu [geïntimeerden ] overigens op dit punt geen nadere of bijkomende feiten hebben gesteld, komen hun stellingen er derhalve op neer dat door het enkele tonen - naar aanleiding van de vraag of het klopte dat de loods zou worden afgebroken - van de overeenkomst met [betrokkene 1] door de desbetreffende ambtenaar bij hen het rechtens te respecteren vertrouwen is gewekt dat de loods zou worden afgebroken en dat zij daarom € 20.000,00 méér hebben betaald dan de woning (vanwege de aanwezigheid van de loods) op dat moment volgens hen feitelijk waard was. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden ] aldus de grondslag van hun vordering niet op voldoende wijze hebben onderbouwd. Immers, uit de door [geïntimeerden ] geschetste gang van zaken volgt niet dat de gemeente (desgevraagd) aan hen de uitdrukkelijke toezegging heeft gedaan dat de loods daadwerkelijk zou worden afgebroken. Uit de verklaring van [geïntimeerde 1] blijkt juist het tegendeel: hij heeft naar aanleiding van het tonen van de overeenkomst zélf de conclusie getrokken dat de loods zou worden gesloopt. Het hof wijst er in dit verband nog op dat - zoals de gemeente heeft gesteld - die conclusie niet zonder meer voor de hand lag nu de in de overeenkomst genoemde termijn van twee jaar waarbinnen de loods moest worden gesloopt, op dat moment al was verstreken.

Hoezeer ook in zijn algemeenheid van de gemeente als overheidslichaam mag worden verwacht dat zij door haar aangegane overeenkomsten ook naleeft

- hetgeen in het licht van de tussen de gemeente en de provincie gemaakte afspraken in dit geval ook inhield dat de gemeente [betrokkene 1] ook aan zíjn verplichtingen had moeten houden - kan de enkele overeenkomst tussen de gemeente en [betrokkene 1] niet als een toezegging jegens [geïntimeerden ] worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 18 juni 2008

Rolnummer 107.001.653/01 (oud 0700172)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

de gemeente Midden-Drenthe,

zetelende te Beilen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2 ],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden ],

procureur: mr. P.R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 10 mei 2006, 6 september 2006 en 20 december 2006 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 12 maart 2007 is door de gemeente hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerden ] tegen de zitting van 21 maart 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"De vonnissen van de rechtbank Assen d.d. 10 mei 2006, 6 september 2006 en 20 december 2006 te vernietigen;

Geïntimeerden alsnog in hun vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze aan hen te ontzeggen;

Het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren indien en voor zover het beroep van de gemeente wordt verworpen;

Geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden ] verweer gevoerd met als conclusie:

"Op grond van het voorgaande wordt verzocht de vordering van appellante af te wijzen en de vonnissen van de Rechtbank te bevestigen - zonodig met verbetering van gronden - en voorts appellante te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te wijzen arrest."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

De gemeente heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. De grieven richten zich niet tegen het tussenvonnis van 10 mei 2006, zodat de gemeente in haar hoger beroep tegen dit vonnis niet kan worden ontvangen.

2. De grieven II en III zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in respectievelijk r.o. 2b en 2e. Het hof acht termen aanwezig om de feiten - voor zover van belang voor de beslissing in hoger beroep - opnieuw en wel als volgt vast te stellen.

2.1 De gemeente heeft in het kader van de dorpsvernieuwing van het dorp [dorp] eind december 1994/begin januari 1995 een overeenkomst met [betrokkene 1] (hierna mede te noemen: [betrokkene 1]) gesloten, die - voor zover hier van belang - inhield dat [betrokkene 1] het transportbedrijf dat hij destijds op het perceel [adres 1] te [dorp] uitoefende, binnen twee jaar na het sluiten van de overeenkomst diende te verplaatsen naar een industrieterrein en dat de op het perceel aanwezige loods/schuur c.a. (verder: de loods) uiterlijk op dat tijdstip gesloopt moest zijn. [betrokkene 1] kreeg hiervoor een bedrag van fl. 130.000,00 van de gemeente.

2.2 De gemeent heeft een soortgelijke overeenkomst met [betrokkene 2] gesloten, die op het perceel [adres 2] een bedrijf uitoefende.

2.3 Het college van gedeputeerde staten van de provincie Drenthe (GS) heeft de gemeente voor de uitvoering van de overeenkomsten een saneringsbijdrage uit het provinciaal stads- en dorpsvernieuwingsfonds verstrekt.

2.4 De raad van de gemeente Beilen (de rechtsvoorgangster van de gemeente Midden-Drenthe), verder te noemen: de raad, heeft in zijn vergadering van 16 januari 1995 besloten om de hiervoor bedoelde overeenkomsten met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te bekrachtigen.

2.5 De raad heeft in zijn vergadering van 31 augustus 1995 het bestemmingsplan "[naam 1]" vastgesteld. De bestemming "bedrijfsdoeleinden" die op de percelen [adres 1] en [adres 2 ] rustte, is hierbij herzien in de bestemming "woondoeleinden". De op deze percelen aanwezige loodsen zijn hierbij onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan gebracht.

2.6 [geïntimeerden ] hebben in maart 1997 de woning op het perceel [adres 3] te [dorp] gekocht. Dit perceel grenst aan het deel van het perceel [adres 1] waarop zich de loods bevindt.

2.7 Voordat [geïntimeerden ] de woning kochten hebben zij van de verkopende makelaar gehoord dat de loods zou worden gesloopt. [geïntimeerden ] hebben vervolgens een bezoek aan het gemeentehuis gebracht en geïnformeerd of deze informatie juist was. De ambtenaar heeft naar aanleiding van deze vraag de overeenkomst tussen de gemeente en [betrokkene 1] laten zien.

2.8 [betrokkene 1] heeft binnen de in de overeenkomst gestelde termijn van twee jaar zijn bedrijfsactiviteiten aan de [adres 1] beëindigd, maar hij heeft de loods niet gesloopt.

2.9 [betrokkene 1] heeft in 2002 aan de gemeente gevraagd of de schuur zou mogen blijven staan omdat hij deze voor privé-doeleinden wilde gebruiken. De gemeente heeft hierop positief gereageerd en nadien aan [betrokkene 1] een bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een gevel van de loods.

2.10 [geïntimeerden ] hebben bij brief van 15 maart 2004 de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stellen te lijden als gevolg van de omstandigheid dat de gemeente [betrokkene 1] heeft ontslagen van zijn contractuele verplichting om de loods af te breken.

2.11 [geïntimeerden ] hebben de woning in juni 2006 verkocht voor een bedrag van € 295.000,00.

3. Nu het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld, behoeven de grieven II en III bij gebrek aan belang geen bespreking meer.

4. [geïntimeerden ] vorderen in deze procedure - voor zover thans nog van

belang - dat de gemeente wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding vanwege waardevermindering van hun woning, die door hen op een bedrag van € 20.000,00 wordt begroot, alsmede vergoeding van de kosten voor het in hun opdracht opgemaakt taxatierapport (€ 584,54). Zij leggen hieraan ten grondslag dat zij er ten tijde van de aankoop van hun woning op mochten vertrouwen dat de loods zou worden afgebroken, gelet op de herziening van het bestemmingsplan, de omstandigheid dat GS een saneringsbijdrage voor het slopen van de gebouwen hadden verstrekt alsmede gelet op het feit dat een ambtenaar naar aanleiding van hun vraag of het klopte dat de loods zou worden afgebroken, hun de overeenkomst met [betrokkene 1] liet zien met daarin opgenomen de verplichting voor [betrokkene 1] om de loods te slopen. Volgens [geïntimeerden ] hoefden zij er tegen deze achtergrond geen rekening mee te houden dat de gemeente in 2002 zou besluiten dat [betrokkene 1] de loods mocht laten staan. De gemeente was weliswaar bevoegd om dit besluit te nemen, maar er is geen sprake geweest van een zorgvuldige besluitvorming. Als de belangenafweging op zorgvuldige wijze was verlopen, zou niet zijn besloten om [betrokkene 1] van zijn verplichtingen met betrekking tot het slopen van de loods te ontslaan dan wel zou dit uitsluitend zijn gebeurd na vergoeding van de schade die hierdoor ontstond, aldus nog steeds [geïntimeerden ]

4.1 De door hen bedoelde schade bestaat uit vermindering van de waarde van de woning. Volgens [geïntimeerden ] hebben zij zich bij hun beslissing om de woning te kopen mede laten leiden door het gegeven dat de loods zou worden gesloopt en, nu vaststaat dat dit niet zal gebeuren, achteraf bezien teveel voor de woning betaald. Zij hebben zich in dit verband beroepen op een in hun opdracht opgestelde taxatierapport van TAB Makelaardij Onroerend Goed, waarin wordt gesteld dat als gevolg van de aanwezigheid van de loods sprake is van schaduwhinder in en rond het huis, terwijl bovendien de directe lichtinval in de woning in aanzienlijke mate wordt beperkt. Volgens de makelaar is de woning als gevolg daarvan per de opnamedatum (13 december 2005) € 20.000,00 minder waard dan zonder de loods het geval zou zijn geweest.

5. De rechtbank heeft bij haar tussenvonnis van 6 september 2006 geoordeeld dat [geïntimeerden ] ten tijde van het sluiten van de in geding zijnde koopovereenkomst er niet op bedacht hoefden te zijn dat de gemeente op enig moment [betrokkene 1] zou ontslaan van zijn verplichting om de loods af te breken, terwijl [geïntimeerden ] er volgens de rechtbank evenmin van hoefden uit te gaan dat, als de gemeente dit besluit toch zou nemen, de gemeente hen niet zou compenseren voor de schade die het gevolg is van de omstandigheid dat de loods blijft staan. De rechtbank heeft vervolgens bij haar eindvonnis de gevorderde schadevergoeding toegewezen wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

6. De gemeente heeft in haar memorie van grieven een "generale grief" (grief I) opgeworpen waarmee zij verschillende overwegingen van de rechtbank bestrijdt, alsmede zes afzonderlijke grieven (genummerd II tot en met VII) tegen de vonnissen van 6 september 2006 en 20 december 2006 geformuleerd.

7. Het meest verstrekkende verweer van de gemeente (dat in grief I aan de orde wordt gesteld) houdt in dat de vordering van [geïntimeerden ] reeds is verjaard. Volgens de gemeente is de verjaringstermijn in 1996 - het jaar waarin [betrokkene 1] op grond van de overeenkomst met de gemeente de loods had moeten slopen - al gaan lopen en was deze termijn verstreken op het moment dat [geïntimeerden ] de gemeente in 2004 aansprakelijk stelde voor de schade.

7.1 Dit onderdeel van de grief faalt. Het hof overweegt hiertoe dat [geïntimeerden ] aan hun vordering ten grondslag leggen dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door in 2002 te besluiten dat [betrokkene 1] de loods niet hoefde af te breken, zonder [geïntimeerden ] daarvoor te compenseren. Gelet hierop heeft de verjaringstermijn eerst in 2002 een aanvang genomen en was deze termijn niet ongebruikt verstreken op het moment dat [geïntimeerden ] de gemeente bij brief van 15 maart 2004 aansprakelijk stelde.

8. Het hof zal vervolgens de feitelijke grondslagen behandelen waarop [geïntimeerden ] hun vorderingen hebben gestoeld.

9. Het hof deelt niet het standpunt van [geïntimeerden ] dat de gemeente schadeplichtig jegens hen is geworden, reeds omdat zij bij het nemen van de in geding zijnde beslissing tot het ontslaan van [betrokkene 1] uit zijn verplichting tot afbraak van de loods niet de belangen van [geïntimeerden ] heeft afgewogen. Het hof overweegt daartoe dat uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat het (door de gemeente en de provincie in gang gezette) vertrek van [betrokkene 1] uit de dorpskern van [dorp] verband hield met de specifieke belangen van de (vorige) eigenaar van het perceel [adres 3], zoals schaduwhinder en beperking van het uitzicht. Uit de stukken blijkt immers dat de overeenkomst met [betrokkene 1] is gesloten omdat het van overheidswege onwenselijk werd geacht dat een transportbedrijf (met alle hinder voor omwonenden van dien) zich in de directe omgeving van woningen bevindt. Tegen deze achtergrond was er geen rechtsplicht van de gemeente - die, bij schending, tot schadeplichtigheid van de gemeente zou leiden jegens [geïntimeerden ] - om rekening te houden met de hier in het geding zijnde specifieke belangen van [geïntimeerden ]

10. Schadeplichtigheid van de gemeente komt wel in beeld indien de gemeente, gelijk de rechtbank heeft aangenomen, bij [geïntimeerden ] het vertrouwen heeft gewekt dat de loods zou worden afgebroken. De gemeente heeft tegen dit oordeel van de rechtbank gegriefd.

Volgens de gemeente kan uit de feitelijke gang van zaken bepaald niet worden afgeleid dat destijds namens de gemeente aan [geïntimeerden ] is toegezegd dat de loods daadwerkelijk zou worden afgebroken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

10.1 Voorop wordt gesteld dat voor de beantwoording van de vraag of de gemeente bij [geïntimeerden ] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de loods zou worden gesloopt, bepalend is welke feiten en omstandigheden zich voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst hebben voorgedaan. De vordering tot schadevergoeding is immers gebaseerd op de stelling dat [geïntimeerden ] (achteraf bezien) in 1997 een bedrag van € 20.000,00 teveel voor de woning hebben betaald, omdat zij er destijds - op basis van de (beweerdelijk) gewekte verwachtingen - van uitgingen dat de loods zou worden afgebroken. Gelet hierop zijn feiten en omstandigheden - zoals beweerdelijk gedane uitlatingen door leden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente - die zich na de sluiting van de koopovereenkomst zouden hebben voorgedaan niet van belang voor de beoordeling van het geschil.

10.2 Wat betreft de vraag of [geïntimeerden ] in casu door het vertrouwensbeginsel worden beschermd, stelt het hof voorop dat [geïntimeerden ] als zodanig geen rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst tussen de gemeente en [betrokkene 1]. [geïntimeerden ] zijn bij die overeenkomst immers geen partij. Het gaat er naar het oordeel van het hof daarom om of de gemeente aan [geïntimeerden ] de uitdrukkelijke toezegging heeft gedaan dat de loods daadwerkelijk zou worden afgebroken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

10.3 Volgens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg heeft [geïntimeerde 1] (geïntimeerde sub 1) omtrent de gang van zaken voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst verklaard:

"(…) dat hem door de makelaar werd verteld dat de loods zou worden afgebroken. Ook de heren [betrokkenen 1 en 2 ] beweerden dat. Maar omdat hij hen niet op voorhand vertrouwde en makelaars per definitie niet vanwege hun belang bij verkoop, heeft hij navraag gedaan bij de gemeente. Hij is naar het gemeentehuis gegaan en toen hij vroeg of de mededeling van de makelaar klopte is hem door een vriendelijke ambtenaar de overeenkomst getoond tussen de gemeente en de [betrokkenen 1 en 2 ]. Daaruit heeft hij geconcludeerd dat de loods zou worden afgebroken en toen pas durfde hij de woning te kopen."

Nu [geïntimeerden ] overigens op dit punt geen nadere of bijkomende feiten hebben gesteld, komen hun stellingen er derhalve op neer dat door het enkele tonen - naar aanleiding van de vraag of het klopte dat de loods zou worden afgebroken - van de overeenkomst met [betrokkene 1] door de desbetreffende ambtenaar bij hen het rechtens te respecteren vertrouwen is gewekt dat de loods zou worden afgebroken en dat zij daarom € 20.000,00 méér hebben betaald dan de woning (vanwege de aanwezigheid van de loods) op dat moment volgens hen feitelijk waard was. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden ] aldus de grondslag van hun vordering niet op voldoende wijze hebben onderbouwd. Immers, uit de door [geïntimeerden ] geschetste gang van zaken volgt niet dat de gemeente (desgevraagd) aan hen de uitdrukkelijke toezegging heeft gedaan dat de loods daadwerkelijk zou worden afgebroken. Uit de verklaring van [geïntimeerde 1] blijkt juist het tegendeel: hij heeft naar aanleiding van het tonen van de overeenkomst zélf de conclusie getrokken dat de loods zou worden gesloopt. Het hof wijst er in dit verband nog op dat - zoals de gemeente heeft gesteld - die conclusie niet zonder meer voor de hand lag nu de in de overeenkomst genoemde termijn van twee jaar waarbinnen de loods moest worden gesloopt, op dat moment al was verstreken.

Hoezeer ook in zijn algemeenheid van de gemeente als overheidslichaam mag worden verwacht dat zij door haar aangegane overeenkomsten ook naleeft

- hetgeen in het licht van de tussen de gemeente en de provincie gemaakte afspraken in dit geval ook inhield dat de gemeente [betrokkene 1] ook aan zíjn verplichtingen had moeten houden - kan de enkele overeenkomst tussen de gemeente en [betrokkene 1] niet als een toezegging jegens [geïntimeerden ] worden aangemerkt.

10.4 Het hof is verder van oordeel dat [geïntimeerden ] aan de herziening van het bestemmingsplan - noch op zichzelf bezien, noch in samenhang met het hiervoor bedoelde tonen van de overeenkomst door de ambtenaar - evenmin het gerechtvaardigde vertrouwen konden ontlenen dat de loods daadwerkelijk zou worden gesloopt. De loods is in het kader van die herziening weliswaar onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan gebracht, maar dit betekent niet dat de loods binnen de planperiode moet worden afgebroken. Het hof verwijst in dit verband naar art. 8 van de bij het onderhavige plan behorende voorschriften, op grond waarvan bestaande (met het plan strijdige) bouwwerken onder bepaalde voorwaarden zelfs mogen worden vernieuwd, veranderd, vergroot of verkleind.

10.5 Ten slotte is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat GS een saneringsbijdrage aan de gemeente hebben verstrekt vanwege het vertrek van [betrokkene 1] uit de dorpskern van [dorp] evenmin kan bijdragen aan de conclusie dat de gemeente bij [geïntimeerden ] vertrouwen heeft gewekt dat de loods zou worden afgebroken. Voor zover hierdoor al vertrouwen is gewekt, is dit immers niet door de gemeente gebeurd, maar door de provincie.

10.6 Al met al is het hof derhalve van oordeel dat er onvoldoende grond is voor de conclusie dat de gemeente bij [geïntimeerden ] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de loods zou worden afgebroken.

11. Nu van schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is, kan evenmin worden geoordeeld dat het de gemeente - vanwege het bij [geïntimeerden ] gewekte vertrouwen - niet vrijstond om [betrokkene 1] te ontheffen van zijn contractuele verplichting om de loods af te breken, althans niet zonder [geïntimeerden ] schadevergoeding toe te kennen voor de waardevermindering van hun woning.

12. Overigens is het hof van oordeel dat - als de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel buiten beschouwing wordt gelaten - de gestelde waardevermindering ook niet in een toereikend causaal verband staat tot het besluit van de gemeente in 2002 dat [betrokkene 1] de loods niet hoefde af te breken. De loods was op dat moment immers al aanwezig en de waarde van de woning onderging dan ook geen verandering door dit besluit. Door [geïntimeerden ] is ook niet gesteld dat de woning na het besluit minder waard was dan voordien. De bij memorie van antwoord geponeerde stelling dat het besluit ook genomen is in strijd met het verbod van détournement de pouvoir (wat daar verder ook van zij) behoeft om die reden dan ook geen bespreking.

13. Gelet op het vorenstaande slagen de overige grieven voor zover zij hierbij aansluiten, terwijl zij verder bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven.

De slotsom

14. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerden ] alsnog afwijzen.

15. [geïntimeerden ] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (tarief III, in eerste aanleg 2,5 punt en in hoger beroep 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de gemeente niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 10 mei 2006;

vernietigt de vonnissen van 6 september 2006 en 20 december 2006 waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden ] af,

veroordeelt [geïntimeerden ] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente:

in eerste aanleg op € 455,- aan verschotten en € 1.447,50 aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op € 718,31 aan verschotten en € 1.158,00 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. De Bock, voorzitter, Kuiper en Telman, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 18 juni 2008 in bijzijn van de griffier.