Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5680

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
107.002.379/01(voorheen rolnummer 0800074)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ook het hof is van oordeel dat volstrekt onduidelijk is hoe de uiteindelijke eis van [appellanten ] luidt. De verwijzing naar de “primaire eis zoals ingesteld bij de inleidende dagvaarding” lijkt op het eerste gezicht te verwijzen naar de inleidende dagvaarding in eerste aanleg, maar die eis hadden [appellanten ], als blijkend uit het kortgeding vonnis, reeds verlaten. De eis als geformuleerd in de appeldagvaarding kon dan ook slechts betrekking hebben op de vordering zoals die ter zitting in eerste aanleg was gewijzigd. Dat er op dat moment nog sprake was van een subsidiaire vordering blijkt niet uit het vonnis. De memorie van grieven/akte wijziging eis gaat daar overigens kennelijk wel vanuit nu de vordering wordt aangevuld met een “meer subsidiaire” en een “(nog) meer subsidiaire vordering.

Bovendien geven [appellanten ] in hun laatste akte onder 4.3 aan dat de bij dagvaarding van 25 oktober 2007 ingestelde subsidiaire vordering komt te vervallen.

Wat er van een en ander ook zij, uit de vermindering van eis bij de laatste akte wordt in ieder geval is wel duidelijk [appellanten ] alle subsidiaire vorderingen hebben laten vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 18 juni 2008

Zaaknummer 107.002.379/01 (voorheen rolnummer 0800074)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. Vloedstroom BV,

gevestigd te IJlst,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten ] ,

procureur: mr O.A. van Oorschot,

tegen

1. Van Randen Vastgoed BV,

gevestigd te Harlingen,

2. Van Randen Projecten BV,

gevestigd te Harlingen,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: Van Randen c.s.,

procureur: mr J.J. Hengst.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 9 april 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellanten ] hebben een akte, tevens houdende vermindering van eis genomen.

Van Randen c.s. hebben een antwoordakte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Krachtens vaste jurisprudentie geldt dat de appellant aan de tegenpartij en aan de rechter kenbaar moet maken wat hij vordert en wat de grondslag van zijn vordering is, alsmede dat de door appellant te nemen memorie van eis (in de praktijk veelal de memorie van grieven) met redenen omkleed moet zijn, zodat geïntimeerde weet waartegen zij zich heeft te verweren (zie onder meer HR 24 april 1981, NJ 1981, 495).

2. In de onderhavige procedure hebben [appellanten ] bij inleidende dagvaarding het volgende gevorderd:

Primair:

Van Randen Vastgoed B.V. en/of Van Randen Projecten B.V. te gebieden binnen twee dagen na deugdelijke betekening van het in deze te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan de notariële levering van de onroerende zaken gelegen aan de [adressen ] te [plaats], zoals genoemd in de koopovereenkomst tussen partijen gesloten op 29 juni 2007 tegen een koopprijs van € 1.620.000,-- op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 100.000,-- per dag indien Van Randen Vastgoed B.V. en/of Van Randen Projecten B.V. in weerwil van dit gebod handelt, met een maximum van € 1.000.000,--;

Subsidiair:

Van Randen Vastgoed B.V. en/of Van Randen Projecten B.V. te gebieden binnen twee dagen na deugdelijke betekening van het in deze te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan de notariële levering van de onroerende zaken gelegen aan de [adressen ] te [plaats], zoals genoemd in de koopovereenkomst tussen partijen gesloten op 29 juni 2007 tegen een koopprijs van € 1.620.000,--, en wanneer Van Randen Vastgoed B.V. en/of Van Randen projecten B.V. haar medewerking weigert aan deze levering te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt voor de leveringshandeling aan de zijde van Van Randen Vastgoed B.V. en/of Van Randen Projecten B.V.

3. Blijkens het vonnis waarvan beroep heeft Van Randen (kennelijk tijdens de behandeling ter zitting en mondeling) haar eis gewijzigd en als door de voorzieningenrechter samengevat weergegeven gevorderd:

nakoming van de overeenkomst door Van Randen Vastgoed B.V. en/of Van Randen Projecten B.V. onder de voorwaarde dat [appellanten ] aan Van Randen c.s. een bedrag van € 25.000,-- aan schadeloosstelling betaalt. Een en ander met veroordeling van Van Randen c.s. in de kosten van het geding.

4. In de appeldagvaarding hebben [appellanten ] kort samengevat vernietiging van het vonnis waarvan beroep en alsnog toewijzing van haar vorderingen gevorderd.

5. Bij memorie van grieven/akte wijziging eis hebben [appellanten ] de eis aangevuld en wel als volgt:

Meer subsidiair:

Te bepalen dat [appellanten ] bij brief van 14 september 2007 kenbaar heeft gemaakt te willen nakomen waardoor vanaf dat moment Van Randen in schuldeisersverzuim is geraakt.

(Nog) meer subsidiair:

Te bepalen dat de ingeroepen ontbinding van de koopovereenkomst door Van Randen en haar feitelijk handelen door overdracht van de onroerende zaken aan een derde partij, met zich meebrengt dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [appellanten ], ten gevolge waarvan er aan de zijde van [appellanten ] geen verplichting is tot betaling van enige schadeloosstelling.

6. Na tussenarrest van het hof – waarbij [appellanten ] er onder meer op zijn gewezen dat verklaringen voor recht in een kortgeding procedure niet kunnen worden gegeven - hebben [appellanten ] bij akte vermindering van eis gevraagd en wel als volgt:

“met dien verstande dat de primaire eis zoals ingesteld bij de inleidende dagvaarding wordt verminderd in die zin, dat de veroordeling tot het opleggen van dwangsommen vervalt en dat de subsidiaire vordering geheel vervalt.”

7. Van Randen c.s. hebben in hun antwoordakte bezwaar gemaakt tegen de laatste eiswijziging en aangegeven dat het hun onduidelijk is hoe de uiteindelijke eis luidt.

8. Ook het hof is van oordeel dat volstrekt onduidelijk is hoe de uiteindelijke eis van [appellanten ] luidt. De verwijzing naar de “primaire eis zoals ingesteld bij de inleidende dagvaarding” lijkt op het eerste gezicht te verwijzen naar de inleidende dagvaarding in eerste aanleg, maar die eis hadden [appellanten ], als blijkend uit het kortgeding vonnis, reeds verlaten. De eis als geformuleerd in de appeldagvaarding kon dan ook slechts betrekking hebben op de vordering zoals die ter zitting in eerste aanleg was gewijzigd. Dat er op dat moment nog sprake was van een subsidiaire vordering blijkt niet uit het vonnis. De memorie van grieven/akte wijziging eis gaat daar overigens kennelijk wel vanuit nu de vordering wordt aangevuld met een “meer subsidiaire” en een “(nog) meer subsidiaire vordering.

Bovendien geven [appellanten ] in hun laatste akte onder 4.3 aan dat de bij dagvaarding van 25 oktober 2007 ingestelde subsidiaire vordering komt te vervallen.

Wat er van een en ander ook zij, uit de vermindering van eis bij de laatste akte wordt in ieder geval is wel duidelijk [appellanten ] alle subsidiaire vorderingen hebben laten vallen.

9. Nu [appellanten ] niet conform de hiervoor weergegeven rechtsregel in hoger beroep duidelijk kenbaar hebben gemaakt wat zij vorderen, zullen zij niet ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep.

10. Geheel ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Zelfs indien [appellanten ] met hun laatste wijziging van eis zouden hebben beoogd terug te keren naar de primaire vordering, zoals gedaan bij de dagvaarding in eerste aanleg d.d. 29 oktober 2007, dan zou die vordering nimmer in kortgeding voor toewijzing in aanmerking hebben kunnen komen nu als gesteld en erkend vaststaat dat Van Randen c.s. al ten tijde van het wijzen van het vonnis waarvan beroep geen eigenaar meer waren van de bedoelde onroerende zaken en [appellanten ], zoals zij aangeven, met de resterende vordering (ontdaan van de dwangsom) enkel beogen vastgesteld te krijgen dat Van Randen c.s. tekortschieten uit hoofde van de koopovereenkomst, hetgeen een zuivere verklaring voor recht inhoudt.

Slotsom

11. [appellanten ] zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep. Zij zullen daarnaast worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (salaris procureur Van Randen c.s.: 1,5 punt tarief II).

Beslissing

Het gerechtshof

verklaart [appellanten ] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;

veroordeelt [appellanten ] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Van Randen c.s. begroot op € 378,35 aan verschotten en op € 1.341,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Breemhaar en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 18 juni 2008 in bijzijn van de griffier.