Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5658

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01532
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijs van de gedraging. Geen proces-verbaal. Verklaring in het zaakoverzicht van het CJIB is een ambtsedige verklaring.

Geen reële mogelijkheid tot staandehouding.

Kantonrechter heeft op het beroep beslist nadat de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de kantonrechter heeft afgewezen. Geen beletselen om te beslissen.

Artikel 8:79 Algemene wet bestuursrecht in onderhavige procedure niet van toepassing.

Stukken zijn niet onverwijld naar het hof gezonden. Verzuim heeft geen consequenties.

Gebruik foutieve bouwsteen door de CVOM.

De officier van justitie heeft ten onrechte niet gereageerd op het verzoek van de betrokkene om toezending van bewijsmateriaal. De betrokkene is hierdoor niet benadeeld. Geen reden om beslissing van de officier van justitie te vernietigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:79, geldigheid: 2008-04-21
Algemene wet bestuursrecht 7:16, geldigheid: 2008-04-21
Algemene wet bestuursrecht 6:22, geldigheid: 2008-04-21
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2008-04-21
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12a, geldigheid: 2008-04-21
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 15, geldigheid: 2008-04-21
Wetboek van Strafvordering 153, geldigheid: 2008-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 07/01532

21 april 2008

CJIB 69094747209

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Arnhem

van 21 mei 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Arnhem genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van "rechts inhalen waar dat is verboden", welke gedraging zou zijn verricht op 25 mei 2006 om 05.45 uur op de Rijksweg A15, noordbaan, in Geldermalsen met het voertuig met het kenteken [AB-OO-AB].

3.2. De betrokkene ontkent dat de gedraging met zijn voertuig met voormeld kenteken is verricht. Hij stelt dat het dossier daarvoor geen bewijs bevat.

De kantonrechter verwijst weliswaar naar een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, maar dit bevindt zich niet in het dossier. Ondanks betrokkenes herhaalde verzoeken heeft de officier van justitie geen dergelijk stuk over kunnen leggen. Het zaakoverzicht van het CJIB heeft volgens de betrokkene geen bewijskracht. Dit betreft slechts een uitdraai uit een computerinformatiesysteem dat bovendien is gedateerd ruim nadat de betrokkene beroep had ingesteld. De betrokkene wijst erop dat hij naar aanleiding van de opgelegde sanctie contact heeft gezocht met de verbalisant, maar dat deze onbereikbaar was voor commentaar. Evenmin heeft iemand anders van het politiecorps Zuid Holland Zuid enige toelichting kunnen geven op de gesanctioneerde gedraging. De betrokkene concludeert dat er geen andere verklaring is van de verbalisant dan die welke achteraf en kennelijk naar aanleiding van het ingestelde beroep is opgesteld.

De betrokkene bestrijdt de juistheid van de verklaring van de verbalisant. Daartoe voert hij aan dat de waarneming van de verbalisant is beïnvloed door de stress die wordt veroorzaakt door het aantal bonnen dat hij minimaal moet uitschrijven. Diens verklaring is dan ook niet objectief en onpartijdig. Bovendien bevat de verklaring tegenstrijdigheden. De verbalisant verklaart namelijk dat hij door het voertuig van de betrokkene rechts werd ingehaald met een snelheid van ongeveer 160 km/h. Dit terwijl het gaat om een tweetal gedragingen, waarbij de gedraging die heeft geleid tot de onderhavige zaak is verricht om 05.45 uur ter hoogte van hectometerpaal 111.2 en de gedraging die heeft geleid tot de zaak met hofnummer 07/01531 is verricht om 05.46 uur ter hoogte van hectometerpaal 111.4. Bij een snelheid van 160 km/h wordt echter een afstand van 200 meter afgelegd in 4,5 seconden. Wanneer er echter, zoals uit de verklaring van de verbalisant blijkt, één minuut is verstreken tussen de beide gedragingen, moet er zijn gereden met een snelheid van hooguit 12 km/h. Verder zou het bij de eerste gedraging gaan om een man (bestuurder) en bij de tweede om een vrouw (bestuurster).

De betrokkene stelt dat ten onrechte de bestuurder niet is staandegehouden. Naar zijn oordeel is niet gebleken dat zich geen reële mogelijkheid daartoe heeft voorgedaan.

3.3. De opvatting van de betrokkene dat recht is gedaan op basis van stukken waarvan hij geen kennis heeft kunnen nemen, berust op een misverstand. In het dossier bevindt zich inderdaad geen proces-verbaal in de zin van het Wetboek van Strafvordering. Waar de kantonrechter overweegt dat hij doorslaggevende betekenis toekent aan "de waarneming en verklaring van de verbalisant neergelegd in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal", doelt hij echter klaarblijkelijk op de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB.

Overigens zijn krachtens artikel 2, eerste lid, WAHV voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.

3.4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

3.5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

"Gedraginggegevens:

Ik zag de bestuurder met hoge snelheid naderen. Ik zag dat de bestuurder mij met hoge snelheid rechts passeerde. Eigen snelheid ongeveer 115 km/h. Niet geijkt.

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 111.2

(…)

Eed/belofte ambtenaar 1: belofte

(…)

Opmerkingen ambtenaar 1:

Verbalisant heeft geprobeerd bestuurder staande te houden, maar heeft bij een snelheid van ongeveer 160 km/h de achtervolging gestaakt. Verbalisant reed onopvallend".

3.6. De verbalisant heeft blijkens de gegevens in het zaakoverzicht de belofte afgelegd. Derhalve geldt hetgeen hij in de uitoefening van zijn functie verklaart als ambtsedige verklaring. Dat het zaakoverzicht op zichzelf niet kan gelden als een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in de zin van artikel 153 Wetboek van Strafvordering maakt niet dat geen sprake is van een ambtsedige verklaring.

3.7. Het is het hof ambtshalve bekend dat bovengenoemde in het zaakoverzicht opgenomen gegevens door het CJIB worden overgenomen uit de door de verbalisant ingezonden aankondiging van beschikking, alvorens de inleidende beschikking wordt verzonden. Betrokkenes opvatting dat de verklaring van de verbalisant achteraf naar aanleiding van het beroepschrift is opgesteld is dan ook onjuist. De datum rechtsboven op de aan de betrokkene toegezonden uitdraai uit het zaakoverzicht betreft immers slechts de datum waarop de gegevens uit het systeem zijn opgevraagd en niet de datum waarop de verklaring van de verbalisant is opgesteld. Dat het door de verbalisant persoonlijk opgestelde brondocument in de onderhavige zaak geen deel uitmaakt van de stukken, leidt op zichzelf nog niet tot twijfel aan de juistheid van de in het zaakoverzicht opgenomen gegevens.

3.8. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de stelling van de betrokkene dat de waarneming van de verbalisant zou zijn beïnvloed door de druk van een minimumaantal op te leggen sancties. Het hof twijfelt geenszins aan de zorgvuldigheid en integriteit van de betreffende verbalisant.

3.9. Uit de stukken blijkt dat de gedraging in de onderhavige zaak en die in de zaak met hofnummer 07/01531 betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex waarbij met het voertuig van de betrokkene tweemaal met hoge snelheid een ander voertuig rechts werd ingehaald. De aangegeven tijdstippen en de locaties van de beide gedragingen zijn slechts bedoeld om de betrokkene in staat te stellen om na te gaan op welke van beide gedragingen, in de tijd gezien de eerste of de tweede, de sanctie betrekking heeft. Deze waarden zijn niet zo nauwkeurig vastgesteld dat op grond daarvan - zoals de betrokkene doet - de snelheid van het voertuig kan worden berekend. Dat bij de eerste gedraging wordt gesproken over een bestuurder en bij de tweede over een bestuurster zal het hof opvatten als een kennelijke vergissing. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verbalisant bedoeld heeft aan te geven dat hij bij één inhaalmanoeuvre tweemaal een ander persoon achter het stuur heeft zien zitten. Naar de overtuiging van het hof is komen vast te staan dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene.

3.10. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de verklaring van de verbalisant genoegzaam dat, als gevolg van de hoge snelheid waarmee het voertuig van de betrokkene reed, zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De sanctie is daarom terecht met toepassing van artikel 5 WAHV aan de kentekenhouder opgelegd.

3.11. De overige klachten van de betrokkene zijn procedureel van aard en richten zich tegen de handelwijze van de CVOM en de kantonrechter.

De betrokkene stelt dat de betreffende kantonrechter de zaak helemaal niet had mogen beslissen, aangezien hij door de betrokkene was gewraakt. De wrakingskamer heeft de zaak echter op basis van meineed teruggewezen naar de gewraakte kantonrechter. Van de genoemde meineed is aangifte gedaan en het daartegen ingestelde onderzoek loopt nog.

Verder stelt de betrokkene dat hij door de kantonrechter in zijn verdediging is geschaad. Ter zitting van 1 februari 2007 heeft de kantonrechter hem onvoldoende gelegenheid geboden om zijn beroep mondeling toe te lichten. Zijn onder protest overgelegde verweerschrift is vervolgens in de beoordeling door de kantonrechter volledig genegeerd.

In strijd met artikel 8:79, eerste lid, Awb is de beslissing van de kantonrechter niet binnen twee weken na de uitspraak verzonden. Vervolgens zijn in strijd met artikel 15, tweede lid, WAHV het hoger beroepschrift en de overige stukken van het geding na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet onverwijld doorgestuurd naar het hof. De stukken zijn dertien weken onnodig blijven liggen en zijn pas na schriftelijke navraag door de betrokkene en een klacht bij de president van de rechtbank doorgestuurd.

Met betrekking tot de procedure bij de CVOM voert de betrokkene aan dat de officier van justitie een straf heeft geëist en deze vervolgens zonder enige vorm van proces ten uitvoer heeft laten leggen. De officier van justitie heeft niet gereageerd op betrokkenes verzoek om stukken en om te worden gehoord. Vervolgens heeft hij met een standaardmotivering die geen recht doet aan de omvang van het ingediende beroepschrift het beroep ongegrond verklaard. De betrokkene stelt dat hem hiermee een serieuze beroepsgang is ontnomen.

3.12. Het hof is van oordeel dat er voor de kantonrechter na de afwijzing van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer geen beletselen meer waren om op het beroep te kunnen beslissen. Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat immers ingevolge artikel 12a WAHV in samenhang met het daarin afzonderlijk toepasbaar verklaarde artikel 515, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, geen rechtsmiddel open. Dat de betrokkene zich desondanks weigert neer te leggen bij de beslissing van de wrakingskamer en daarom aangifte van meineed heeft gedaan tegen de leden van de wrakingskamer had de kantonrechter niet ervan hoeven te weerhouden om de zaak de beslissen.

3.13. Het enkele feit dat de kantonrechter omwille van de beperkte zittingscapaciteit de betrokkene niet de gelegenheid heeft geboden om zijn beroep volledig mondeling toe te lichten, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat de betrokkene zodanig in zijn verdediging is geschaad dat daaraan consequenties dienen te worden verbonden. Daartoe overweegt het hof dat niet is gesteld of gebleken dat de betrokkene meer argumenten naar voren had willen brengen dan reeds in zijn verweerschrift waren uiteengezet. Bovendien heeft hij er voor gekozen om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om bij de voortzetting van de behandeling een nadere toelichting te geven op de door hem schriftelijk aangedragen bezwaren. Evenmin heeft de betrokkene in hoger beroep verzocht om een behandeling ter zitting.

3.14. Betrokkenes stelling dat zijn verweerschrift door de kantonrechter is genegeerd is onjuist. Er wordt in de beslissing van de kantonrechter zelfs expliciet naar het verweerschrift verwezen. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat de kantonrechter de inhoud van dit stuk kent en in zijn beoordeling heeft betrokken. De kantonrechter is echter niet gehouden om in zijn beslissing op ieder detail van het door de betrokkene gevoerde verweer in te gaan.

3.15. Met betrekking tot betrokkenes beroep op het bepaalde in artikel 8:79 Awb overweegt het hof dat hoofdstuk 8 van de Awb ingevolge artikel 9, eerste lid, WAHV niet van toepassing is op de WAHV-procedure bij de kantonrechter.

Het wel van toepassing zijnde artikel 13, derde lid, WAHV bepaalt dat een afschrift van de beslissing aan de partijen wordt toegezonden, maar stelt daarvoor - anders dan artikel 8:79 Awb - geen termijn.

3.16. De betrokkene stelt terecht dat in strijd met artikel 15, tweede lid, WAHV is verzuimd de stukken na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep onverwijld naar het hof te verzenden. De wet verbindt aan dit verzuim echter geen consequenties. Dit verzuim is voorts niet van dien aard dat op grond daarvan geen sprake meer is van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof zal aan genoemd verzuim dan ook geen consequenties verbinden.

3.17. Met betrekking tot betrokkenes klachten over de handelwijze van de CVOM merkt het hof allereerst op dat er bij de betrokkene kennelijk een misverstand bestaat over het karakter van de gevolgde procedure. Er is immers geen straf geëist door de officier van justitie en er heeft evenmin enige tenuitvoerlegging van een straf plaatsgevonden. Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd wegens een door de verbalisant geconstateerde gedraging. Deze sanctie kan niet eerder worden geïnd dan nadat deze onherroepelijk is geworden. De betrokkene heeft zijn mogelijkheden om zich tegen de opgelegde sanctie te verdedigen ten volle benut door tijdig in administratief beroep bij de officier van justitie, in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep bij het hof te komen. De sanctie is daarom nog niet onherroepelijk geworden. De betrokkene heeft door zijn betaling slechts zekerheid gesteld voor de inning van de opgelegde sanctie. Indien de sanctie onherroepelijk wordt, wordt het bedrag van de zekerheidstelling met het te innen bedrag van de sanctie verrekend. Wordt de sanctie vernietigd, dan wordt het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene gerestitueerd.

3.18. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard met een standaardmotivering die betrekking heeft op de situatie dat een betrokkene, aan wie een sanctie is opgelegd wegens een snelheidsovertreding, de betrouwbaarheid van de meetapparatuur in twijfel trekt. Het hof stelt vast dat de motivering van de beslissing van de officier van justitie een kennelijke misslag betreft als gevolg van het onzorgvuldige gebruik van standaardmotiveringen.

3.19. Blijkens de stukken van het geding heeft de officier van justitie op het beroep van de betrokkene beslist zonder hem voorafgaand daaraan in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. Evenmin is door de officier van justitie gereageerd op het verzoek van de betrokkene om toezending van bewijsmateriaal. Met betrekking tot de hoorplicht heeft de officier van justitie onder meer het volgende overwogen: “De Officier van Justitie heeft betrokkene/gemachtigde middels de beschikking, via het ingediende beroepschrift in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Mogelijk dat betrokkene/gemachtigde door de Officier van Justitie is gehoord. Echter, het kan zo zijn dat de Officier van Justitie heeft geoordeeld dat hij aan dit verzoek voorbij heeft moeten gaan. De Officier van Justitie heeft namelijk de mogelijkheid om aan het verzoek om te worden gehoord voorbij te gaan, indien hij van mening is dat het beroepschrift, na bestudering van de stukken, kennelijk ongegrond, dan wel kennelijk niet ontvankelijk is”.

3.20. Het hof stelt vast dat de officier van justitie, door de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, artikel 7:16 Awb heeft geschonden. Het hof is namelijk van oordeel dat het administratief beroep zeker niet kennelijk ongegrond kon worden verklaard. De betrokkene heeft immers in het beroepschrift verzocht om nadere informatie met de kennelijke bedoeling om zijn beroepschrift nader te kunnen onderbouwen. De officier van justitie heeft dan ook ten onrechte niet gereageerd op het verzoek van de betrokkene om toezending van bewijsmateriaal.

3.21. Hoewel de voormelde gang van zaken ernstige twijfels oproept over de zorgvuldigheid waarmee de onderhavige zaak bij de CVOM is behandeld, behoeft dit niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie te leiden. Ingevolge artikel 6:22 Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat een belanghebbenden daardoor niet is benadeeld.

3.22. Het hof overweegt dat de betrokkene in de beroepsgang bij de kantonrechter kennis heeft kunnen nemen van al het beschikbare bewijsmateriaal en ter zitting van de kantonrechter is verschenen om zijn beroep mondeling toe te lichten. Betrokkene heeft zijn bezwaren bovendien uitvoerig schriftelijk toegelicht en kennelijk geen noodzaak gezien om te verschijnen op de tweede zitting van de kantonrechter, dan wel om in hoger beroep om een behandeling ter zitting te vragen. Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden gezegd dat de betrokkene door de handelwijze van de CVOM zodanig in zijn verdediging is geschaad dat daaraan consequenties verbonden dienen te worden. Het enkele feit dat de betrokkene de gang naar de kantonrechter en vervolgens (schriftelijk) naar het hof heeft moeten maken om zich adequaat te kunnen verdedigen, doet hieraan niet af.

3.23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Nu betrokkene in het ongelijk gesteld wordt, zal het hof het verzoek om vergoeding van proceskosten afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek van de betrokkene om vergoeding van de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.