Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3344

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01588
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd ter hoogte van € 30,-. Geen hoger beroep mogelijk. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat, nu de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet heeft behandeld, algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden, met name het recht ingevolge artikel 13 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), om de zaak voor de rechter te brengen.

Het hof verstaat het beroep van de betrokkene aldus dat naar zijn opvatting het geding bij de kantonrechter niet kan worden aangemerkt als een effectief rechtsmiddel doordat de kantonrechter in zijn uitspraak niet heeft gerespondeerd op een voor de betrokkene wezenlijk onderdeel van zijn beroep, hetgeen een schending van het in artikel 6, eerste lid, EVRM vervatte recht op een eerlijk proces zou inhouden.

In aanmerking genomen dat de kantonrechter heeft gereageerd op die gronden van het beroep van de betrokkene die hij kennelijk, en niet onbegrijpelijk, in het kader van de vraag naar de rechtmatigheid van de opgelegde beschikking relevant heeft geoordeeld, en de kantonrechter niet gehouden is elk aangevoerd argument te bespreken, leidt hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd niet tot de gevolgtrekking dat in de procedure bij de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden, dat dit zou moeten leiden tot doorbreking van het appelverbod.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2008-04-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 07/01588

11 april 2008

CJIB 89097902701

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Groningen

van 20 augustus 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Groningen genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting en om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 28 maart 2008. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. W. Sikkema.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 30,-.

3.2. De betrokkene heeft aangevoerd dat het beroep niettegenstaande het bepaalde in artikel 14 WAHV dient te worden ontvangen. Daartoe heeft hij ter zitting aangevoerd dat de kantonrechter het beroep niet heeft behandeld, nu uit de uitspraak in het geheel niet blijkt dat de betrokkene zich ter zitting op het standpunt had gesteld dat de wijkagent de boete had opgelegd met een ander motief dan het sanctioneren van een verkeersovertreding, en dat de Officier van Justitie op het standpunt van de betrokkene had gereageerd. De betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij en de betreffende wijkagent elkaar goed kennen, doordat de betrokkene in veel klachtzaken tegen die wijkagent in het gelijk is gesteld. Nu de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet heeft behandeld, zijn naar zijn opvatting algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging geschonden, met name het recht ingevolge artikel 13 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), om de zaak voor de rechter te brengen.

3.3. Het hof verstaat het beroep van de betrokkene aldus dat naar zijn opvatting het geding bij de kantonrechter niet kan worden aangemerkt als een effectief rechtsmiddel doordat de kantonrechter in zijn uitspraak niet heeft gerespondeerd op een voor de betrokkene wezenlijk onderdeel van zijn beroep, hetgeen een schending van het in artikel 6, eerste lid, EVRM vervatte recht op een eerlijk proces zou inhouden.

3.4. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, is doorbreking van de appelgrens van artikel 14, eerste lid, WAHV gewettigd.

3.5. Ingevolge artikel 9 WAHV dient de kantonrechter een beslissing te nemen aangaande de vraag of degene tot wie de beschikking is gericht de gedraging heeft verricht, en of de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken, dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen.

3.6. De kantonrechter heeft in zijn beslissing onder meer overwogen dat de betrokkene de gedraging heeft erkend, maar dat hij het op basis van de in zijn beroepschrift vermelde gronden niet eens is met de opgelegde sanctie. Voorts heeft de kantonrechter overwogen: "Anders dan de betrokkene meent, is er in dit geval geen sprake van rechtsongelijkheid. Dat zou alleen anders zijn als op meerdere dezelfde verboden gedragingen verschillend zou worden beslist. Daarvan is niet gebleken. De wijze waarop de betrokkene door de verbalisant zou zijn bejegend, doet, wat daar ook van zij, niet af aan de juistheid van de geconstateerde gedraging. Dat verweer kan betrokkenen derhalve evenmin baten.".

3.7. In aanmerking genomen dat de kantonrechter heeft gereageerd op die gronden van het beroep van de betrokkene die hij kennelijk, en niet onbegrijpelijk, in het kader van de vraag naar de rechtmatigheid van de opgelegde beschikking relevant heeft geoordeeld, en de kantonrechter niet gehouden is elk aangevoerd argument te bespreken, leidt hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd niet tot de gevolgtrekking dat in de procedure bij de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden, dat dit zou moeten leiden tot doorbreking van het appelverbod.

3.8. Gelet op het vorenstaande dient het beroep te worden verworpen. Voor een vergoeding van proceskosten is geen aanleiding.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.