Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3133

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
BK 89/07 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2007:BF9734
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep stelt belanghebbende dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is omdat de rechtbank er van uit gaat dat belanghebbende moet bewijzen dat hij de premies over de jaren 1976 tot en met 1980 niet heeft afgetrokken terwijl hij volgens de inspecteur geen bewaarplicht heeft van dergelijke gegevens en de inspecteur niet kan bewijzen dat er wel sprake is geweest van een aftrekpost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1229
V-N 2009/3.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 89/07

Uitspraakdatum: 30 mei 2008

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 06/1738 van de rechtbank Leeuwarden van 11 april 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 onder aanslagnummer 000.00.000.H36 (dagtekening 8 november 2005) een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.373,-.

1.2 Nadat belanghebbende daartegen een bezwaarschrift had ingediend, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 13 juni 2006 het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.3 Bij uitspraak van 11 april 2007, verzonden op 12 april 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep tegen voornoemde uitspraak ongegrond verklaard.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 8 mei 2007 (met bijlagen), bij het hof ingekomen op 9 mei 2007.

De inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, ingekomen op 31 mei 2007.

1.5 Belanghebbende heeft een conclusie van repliek in hoger beroep (met bijlage) ingediend op 19 juli 2007 en de inspecteur een conclusie van dupliek in hoger beroep op 14 augustus 2007.

1.6 De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2008. Belanghebbendes gemachtigde de heer A is verschenen. Namens de inspecteur is verschenen de heer B, bijgestaan door C.

1.7 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederparij.

1.8 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op .. november 19.., is in dienstbetrekking werkzaam bij B.V. D. Zijn brutoloon beliep € 16.196,-. Daarnaast genoot hij een AOW-uitkering van € 7.687,- en met ingang van 12 juni 2003 lijfrentetermijnen van E N.V. van € 6.490,- in totaal in 2003.

2.2 Belanghebbende heeft op 1 februari 1976 de betreffende lijfrenteverzekering afgesloten. De jaarlijkse premie bedroeg f 1.434,- (€ 650,72). Met ingang van 1981 heeft belanghebbende premievrijstelling gekregen in verband met arbeidsongeschiktheid, zodat hij vijf jaar premie heeft betaald.

2.3 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2003 heeft belanghebbende de premies voor lijfrenten, die hij in de jaren 1976 tot en met 1980 heeft betaald (in totaal € 3.253,-), in mindering gebracht op de eerste lijfrentetermijnen in 2003.

2.4 De inspecteur heeft bij de aanslagregeling deze aftrekpost geweigerd.

2.5 Tijdens de bezwaarprocedure heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om betalingsbewijzen van de lijfrentepremies over de jaren 1976 tot en met 1980, kopieën van de ingediende aangiften over deze jaren en kopieën van de definitieve aanslagbiljetten over de desbetreffende jaren. In reactie daarop heeft belanghebbende een brief van 25 juni 1981 van zijn verzekeringsmaatschappij overgelegd, waaruit blijkt dat per 1 februari 1976 de betreffende polis is afgesloten.

3. Geschil bij de rechtbank

3.1 In geschil was bij de rechtbank het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht op de eerste in 2003 ontvangen lijfrentetermijnen de daarop betaalde premies van in totaal € 3.253,- in mindering heeft gebracht.

4. Beoordeling van het geschil door de rechtbank (de rechtbank noemt belanghebbende eiser en de inspecteur verweerder)

"4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat op de in geschil zijnde lijfrentepremies over de jaren 1976 tot en met 1980 artike1 25, eerste lid, onder g, ten eerste, van de Wet op de

inkomstenbelasting 1964, van toepassing is. Uit deze bepaling volgt dat eiser in die jaren de door hem betaalde lijfrentepremies als persoonlijke verplichting op zijn inkomen in

mindering kon brengen.

4.2 In zijn aanschrijving van 29 juni 1990, nr. DB90/3579, gepubliceerd in de BNB 1990/341 (hierna: de Resolutie), machtigt de staatssecretaris van Financiën de inspecteurs in 'alle situaties van verzuimde aftrek van lijfrentepremies overeenkomstig de hieronder opgenomen voorschriften zelfstandig te beslissen op verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule.'

4.3 In de Resolutie is voorts, voor zover voor het onderhavige geschil van belang, vermeld, dat 'indien de termijnen van lijfrente vloeien (...), keur ik goed dat op verzoek van de belastingplichtige de lijfrentepremies waarvan de verzuimde aftrek niet kan worden hersteld op grond van de voorschriften inzake ambtshalve te verlenen verminderingen of teruggaven, worden aangemerkt als premies die niet op het inkomen in mindering konden worden gebracht. De termijnen van lijfrente ( ...) worden alsdan in het inkomen begrepen voor zover deze de lijfrentepremies overtreffen die niet op het inkomen in mindering konden worden gebracht. Deze verruiming van de saldomethode wordt uitsluitend toegepast indien en voor zover de belastingplichtige aantoont dat de lijfrentepremies in het verleden niet in mindering op diens inkomen zijn gebracht. Als voorwaarde voor toepassing van de verruiming van de saldomethode geldt voorts dat de belastingplichtige tegenover de inspecteur aannemelijk maakt dat het niet aftrekken van de premies niet is te wijten aan opzet of grove schuld (met andere woorden dat er daadwerkelijk sprake is van 'verzuim' en bijvoorbeeld niet van welbewust afzien van aftrek).'

4.4 De rechtbank kan de weigering door verweerder om de in de jaren 1976 tot en met 1980 betaalde premies in aftrek toe te laten in het onderhavige jaar uitsluitend toetsen aan de Resolutie. Voor een verruiming op basis van redelijkheid en billijkheid van de in de Resolutie toegestane tegemoetkoming is geen plaats aangezien de Resolutie is vastgesteld op basis van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, welk artikel aan verweerder de bevoegdheid geeft om tegemoetkomingen te treffen in gevallen waarin zich onbillijkheden van overwegende aard voordoen. De rechtbank kan in een geval als hier aan de orde slechts toetsen of verweerder zijn bevoegdheid heeft gebruikt zoals die is neergelegd in de Resolutie.

4.5 Derhalve dient te worden beoordeeld of eiser op grond van de Resolutie in aanmerking komt voor verruiming van de saldomethode. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen concrete gegevens verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij in de jaren 1976 tot en met 1980 betaalde premies niet in mindering heeft gebracht op zijn inkomen. De door eiser overgelegde brief van 25 juni 1981 van zijn verzekeringsmaatschappij kan niet als zodanig bewijs gelden, omdat daarin niets staat vermeld over premieaftrek. De rechtbank acht, zeker gezien in het licht van de op eiser rustende zware bewijslast, de enkele ontkenning (kennelijk bedoeld volgens hof: stelling) van eiser dat hij in die jaren geen aangifte lB/PVV heeft gedaan, zodat aftrek van lijfrentepremies in de jaren 1976 tot en met 1980 niet mogelijk was, onvoldoende. Ook overigens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de in het verleden betaalde premies in mindering kunnen worden gebracht in het jaar 2003.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard."

5. Het standpunt van belanghebbende in hoger beroep

5.1 In hoger beroep stelt belanghebbende dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is omdat de rechtbank er van uit gaat dat belanghebbende moet bewijzen dat hij de premies over de jaren 1976 tot en met 1980 niet heeft afgetrokken terwijl hij volgens de inspecteur geen bewaarplicht heeft van dergelijke gegevens en de inspecteur niet kan bewijzen dat er wel sprake is geweest van een aftrekpost.

5.2 De inspecteur verwijst naar de tekst van de Resolutie, waarin staat dat de belastingplichtige moet aantonen dat de lijfrentepremies in het verleden niet in mindering op diens inkomen zijn gebracht.

6. De overwegingen van het hof omtrent het geschil

6.1 Het hof heeft geen ruimte om de eis in de Resolutie, die in het kader van de hardheidsclausule is uitgevaardigd, dat de belastingplichtige moet aantonen dat de lijfrentepremies in het verleden niet in mindering op diens inkomen zijn gebracht, ter zijde te schuiven. De rechtbank heeft de bewijslast dus terecht bij belanghebbende gelegd.

6.2 Daarbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat belanghebbende mogelijk niet verplicht is bepaalde gegevens te bewaren, niet meebrengt dat hij dan ook van zijn bewijslast wordt ontheven en dat de tegenpartij de bewijslast krijgt.

6.3 Hetgeen belanghebbende overigens heeft opgemerkt kan niet tot een ander oordeel leiden.

6.4 Het gelijk is derhalve aan de zijde van de inspecteur, zodat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

7. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

Het hof

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 30 mei 2008 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. drs. S.A.W.J. Strik, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 4 juni 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.