Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3130

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
BK 58/06 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2006:BG1061
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet in het bezwaar is ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 58/06

Uitspraakdatum: 30 mei 2008

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z, belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 05/936 van de rechtbank Leeuwarden van 10 mei 2006 in het geding

tussen

de belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Groningen,

de inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende heeft bij faxbericht op 20 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen "de opgelegde aanslagen".

1.2 De inspecteur heeft bij uitspraak gedagtekend 3 mei 2005 belanghebbende in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Bij uitspraak van 10 mei 2006, verzonden op 11mei 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.5 Tegen deze uitspraak is door belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een pro forma beroepschrift (met bijlage) dat op 15 juni 2006 bij het hof is ingekomen. Bij brief van 25 juli 2006 van de heer A, RA (hierna: A), bij het hof ingekomen op 26 juli 2006, is het beroep namens belanghebbende aangevuld .

1.6 De inspecteur heeft op 27 september 2006 een verweerschrift ingediend.

1.7 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 6 december 2007. Aldaar is verschenen de inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Belanghebbende is door het hof uitgenodigd ter zitting te verschijnen bij brief d.d. 29 oktober 2007 gericht aan A. Bij brief d.d. 1 november 2007 heeft A aangekondigd niet ter zitting te zullen verschijnen. Op 6 december 2007 bleek echter dat in het procesdossier nog steeds een stuk ontbrak waaruit kon worden opgemaakt dat A als gevolmachtigde van belanghebbende op trad. Het hof heeft om die reden het onderzoek ter zitting geschorst.

1.8 Op 20 maart 2008 is ter griffie van het hof alsnog de hiervoor bedoelde volmacht binnengekomen.

1.9 De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van de tweede meervoudige kamer van het hof op 14 april 2008. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde A, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting drie producties overgelegd. De inspecteur had geen bezwaar tegen overlegging hiervan.

1.10 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende heeft bij faxbericht op 20 januari 2005 bezwaar aangetekend tegen "de opgelegde aanslagen".

2.2 Bij brief van 20 januari 2005 heeft de inspecteur belanghebbende erop gewezen dat het bezwaarschrift niet voldoet aan het bepaalde van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omdat niet duidelijk is tegen welke aanslagen bezwaar wordt gemaakt en waarom.

2.3 Vervolgens is belanghebbende bij brief van 19 april 2005 door de inspecteur in de gelegenheid gesteld de benodigde gegevens vóór 25 april 2005 te verstrekken.

2.4 Belanghebbende heeft op voormelde brieven niet gereageerd.

2.5 Bij uitspraak van 3 mei 2005 is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

2.6 De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet in het bezwaar is ontvangen.

3.2 Belanghebbende voert in appel aan dat de inspecteur hem ten onrechte in het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij is van mening dat hij gelet op zijn medische situatie onvoldoende in de gelegenheid is gesteld de aan het bezwaar klevende verzuimen te herstellen. Ten bewijze van zijn slechte geestelijke gezondheid heeft belanghebbende in eerste aanleg een verklaring d.d. 12 april 2006 van B, huisarts, overgelegd. Ter zitting in appel heeft belanghebbende twee brieven overgelegd, respectievelijk van januari 2007 van mevrouw C, eerstelijnspsycholoog, en van 11 januari 2008 van D, klinisch psycholoog-psychoterapeut.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in de bezwaarfase. De inspecteur stelt dat belanghebbende in de bezwaarfase voldoende de gelegenheid is geboden de geconstateerde verzuimen te herstellen. Aangaande de gestelde medische situatie van belanghebbende wijst de inspecteur erop dat belanghebbende in de betreffende periode (van 20 januari 2005 tot 3 mei 2005) beschikte over een professionele gemachtigde, E, verbonden aan het kantoor F, advocaten en belastingkundigen te L. Bovendien, aldus de inspecteur, oefenende belanghebbende in deze periode zijn professie uit van makelaar in onroerende zaken.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunt gehandhaafd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan een bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet aan de voorwaarden van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2 Het hof is van oordeel dat uit het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift niet blijkt tegen welk(e) besluit(en) het bezwaar is gericht. Het hof is van oordeel dat de inspecteur bij zijn brieven van 20 januari 2005 en 19 april 2005 belanghebbende voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om het verzuim te herstellen. Het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 (hierna: het Voorschrift) leidt niet tot een ander oordeel. De in paragraaf 6.1.1 onder letter d van het Voorschrift gestelde termijnen zien op een bezwaarschrift waarin de motivering ontbreekt. In casu ontbreekt een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht, zoals bedoeld in letter c van voormelde paragraaf.

Het hof tekent hierbij aan dat belanghebbende ook in appel nog niet heeft aangegeven tegen welke aanslag(en) het bezwaar was gericht.

4.3 Het hof acht de door belanghebbende gestelde slechte psychische gesteldheid die hem zou hebben verhinderd te reageren op de hiervoor genoemde brieven van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. De overgelegde verklaring van de huisarts waarin wordt gesteld dat belanghebbende sedert 2001 in een stress situatie verkeert, is daartoe onvoldoende. De door belanghebbende in appel overgelegde brieven zien niet op de periode van 20 januari 2005 tot 3 mei 2005, en kunnen om die reden niet dienen als bewijs. Het bewijs kan evenmin worden ontleend aan de omstandigheid dat bij belanghebbende in de periode van januari 2004 tot januari 2005 een boekenonderzoek is uitgevoerd. Het door belanghebbende gestelde verband tussen zijn slechte psychische gesteldheid en dit onderzoek, acht het hof onvoldoende onderbouwd.

4.4 Daarnaast heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende zich tijdens een gesprek in het kader van het boekenonderzoek heeft laten bijstaan door E, voornoemd. E heeft bovendien namens belanghebbende bij faxbericht van 13 juni 2005 beroep aangetekend tegen de onderhavige uitspraak op het bezwaar. Het vorenstaande past niet in het door belanghebbende geschetste beeld van de situatie dat hij in de betreffende periode vruchteloos naar een deskundig adviseur heeft gezocht.

4.5 Voor zover belanghebbende zich in appel nog op het standpunt stelt dat hij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord, overweegt het hof dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een hiertoe stekkend verzoek als bedoeld in artikel 25, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2005), heeft ingediend. Bovendien kan ingevolge artikel 7:3 aanhef en letter a van de Awb van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

4.6 Alles in ogenschouw nemend is het hof van oordeel dat de inspecteur belanghebbende terecht niet heeft ontvangen in zijn bezwaar.

4.7 Het hiervoor overwogene brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank dan ook bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 30 mei 2008 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mrs. J. Huiskes en mr. drs. S.A.W.J. Strik, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 4 juli 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.