Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3128

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie kan aan vennootschap onder firma worden opgelegd. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Op de aanstellingsakte van de verbalisant is de aard van het dienstverband onleesbaar gemaakt. Verbalisant wel bevoegd gelet op de akte van aanstelling in combinatie met de akte van beëdiging.

Uitleg bevoegdheid verbalisant artikel 3 WAHV.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3, geldigheid: 2008-03-26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2008-03-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 07/01657

26 maart 2008

CJIB 29100290463

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 15 oktober 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 93,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 20 km/h ”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 oktober 2006 om 11.43 uur op de Napoleonsbaan-Noord te Baarlo met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB]

3.2. De gemachtigde van de betrokkene bestrijdt niet dat de gedraging is verricht, maar beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Hij stelt zich op het standpunt dat de overheid een ongerechtvaardigd begunstigend beleid voert ten aanzien van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid. De gemachtigde voert aan dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 1994 een sanctie niet aan een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kan worden opgelegd. Derhalve is de betrokkene van mening dat de inleidende beschikking, gelet op het gelijkheidsbeginsel, vernietigd dient te worden.

3.3. Het hof heeft bij arrest van 14 februari 2008 (WAHV 07/01654), waarin gemachtigde eveneens optrad, reeds geoordeeld dat het door de gemachtigde ingenomen standpunt niet juist is. Het hof heeft daarbij overwogen dat indien een kenteken ten name van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid in het kentekenregister staat ingeschreven, de administratieve sanctie ingevolge artikel 5 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) dan aan die vennootschap als kentekenhouder dient te worden opgelegd. Voorts heeft het hof in dat arrest overwogen dat het door de gemachtigde ingenomen standpunt evenmin kan volgen uit het door hem aangehaalde arrest van de Hoge Raad. Met verwijzing naar het arrest van 14 februari 2008 is het hof van oordeel dat het verweer van de gemachtigde feitelijke grondslag mist.

3.4. Voorts heeft de gemachtigde de akte van beëdiging en de akte van aanstelling van de verbaliserende ambtenaar in het geding gebracht. Op de akte van aanstelling van de verbalisant is de aard van het dienstverband onleesbaar gemaakt. Derhalve kan van zijn aanstelling en daarmee zijn bevoegdheid om ten tijde van de gedraging op te treden niet worden uitgegaan, aldus de gemachtigde.

3.5. Blijkens de akte van aanstelling is de verbalisant op 1 maart 2003 aangesteld. De akte van beëdiging dateert van 28 maart 2002 en vermeldt dat de beëdiging geldig is tot uiterlijk 28 maart 2007. Nu de betreffende verbalisant ten tijde van de gedraging was beëdigd en gelet op de omstandigheid dat de verbalisant de gemaakte foto van de gedraging heeft uitgelezen, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de verbalisant ten tijde van de gedraging.

3.6. Ten slotte stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de opsporingsbevoegdheid van de verbalisant ontoereikend is. Daartoe voert hij aan dat uit artikel 2 lid 2 sub a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (BAHV) blijkt dat voor de bevoegdheid van de verbalisant tot toezicht op de naleving van de WAHV vereist is dat de verbalisant de bevoegdheid heeft tot het opsporen van de ( = alle) bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) óf de Provinciewet óf de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten. Nu uit de akte van beëdiging blijkt dat de verbalisant niet voor alle bij of krachtens de WVW 1994 strafbaar gestelde feiten tot opsporing bevoegd is, is de gemachtigde van mening dat de sanctie onbevoegd aan de betrokkene is opgelegd en om die reden vernietigd dient te worden.

3.7. Artikel 2 lid 2 sub a BAHV luidt als volgt:

"Met de toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn mede belast:

a. de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover deze ambtenaren krachtens de akte of aanwijzing, de bevoegdheid hebben tot het opsporen van alle strafbare feiten, dan wel tot het opsporen van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten."

3.8. Het hof overweegt dat de opsporingsbevoegdheid van de verbalisant in de onderhavige zaak berust op artikel 3 WAHV in combinatie met het hiervoor aangehaalde artikel. Artikel 2 lid 2 onder a BAHV verwijst vervolgens naar de akte of aanwijzing. Uit de akte van beëdiging van de verbalisant blijkt dat hij ten tijde van de gedraging in het bezit was van een opsporingsbevoegdheid ter zake van gedragingen als de onderhavige. Derhalve is het hof van oordeel dat niet gesproken kan worden van een onbevoegd opgelegde sanctie. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat het door de gemachtigde ingenomen standpunt op een onjuiste lezing van artikel 2 lid 2 sub a BAHV berust. Het verweer van de gemachtigde treft dan ook geen doel.

3.9. Mede omdat de gemachtigde de gegevens op de in het dossier aanwezige fotoafdrukken niet heeft betwist, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

3.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

3.11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, is er geen aanleiding voor vergoeding van kosten.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.