Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3126

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
BK 53/07 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2007:BA3582, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK4551, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4551
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep stelt de inspecteur dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is omdat gelet op de feiten sprake is van een staking van de onderneming en dat aangezien een herinvesteringsreserve (: HIR) niet over de ondernemingsgrens heen kan gaan, belanghebbende in 2004 geen HIR had mogen vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1225
V-N 2008/32.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 53/07

Uitspraakdatum: 30 mei 2008

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 06/1006 van de rechtbank Leeuwarden van 23 maart 2007 in het geding tussen

mevrouw X, wonende te Z (Duitsland), belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 onder aanslagnummer 0000.00.000.H40 (dagtekening 25 mei 2005) een voorlopige aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 180.000,-.

1.2 Nadat belanghebbende daartegen een bezwaarschrift had ingediend, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 30 maart 2006 het bezwaar afgewezen.

1.3 Bij uitspraak van 23 maart 2007, verzonden op 29 maart 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep tegen voornoemde uitspraak gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de voorlopige aanslag tot nihil verminderd, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van

€ 644,- en de Staat de Nederlanden gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 37,- te vergoeden.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 3 april 2007 (met bijlage), bij het hof ingekomen op 4 april 2007 en aangevuld bij brief, ingekomen op 30 juli 2007.

Belanghebbende heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, ingekomen op 20 augustus 2007.

1.5 De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2008. Belanghebbendes gemachtigde A is verschenen. Namens de inspecteur is verschenen B, bijgestaan door de heer C.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Belanghebbende dreef in 2004 met haar echtgenoot in maatschapsverband een melkveehouderijbedrijf in L. De onderneming werd vanaf 1999 in deze vorm gedreven.

2.2 In 2004 hebben belanghebbende en haar echtgenoot (hierna ook: de echtgenoten) in de periode van september tot en met december van het tot het ondernemingsvermogen behorende melkquotum 203.000 kg verkocht. Met deze verkoop is een boekwinst gerealiseerd van

€ 268.909,-.

2.3 Tot het ondernemingsvermogen behoorden in 2004 onder meer:

- 0.62.75 hectare erf en ondergrond gebouwen in eigendom

- 2.14.00 hectare weiland in eigendom

- 26.10.50 hectare weiland in erfpacht

- 16.34.00 hectare weiland in pacht

- machines. inventaris en vee

- 431.858 kg melkquotum, waarvan 75.000 kg geleased.

2.4 Op 1 mei 2005 zijn de echtgenoten verhuisd naar Z in Duitsland (afstand ten opzichte van L 95 km). Hier wordt door de echtgenoten wederom een melkveehouderijbedrijf geëxploiteerd.

2.5 De onderneming wordt in Duitsland (hierna ook: de nieuwe onderneming) uitgeoefend op 19 hectare grond in eigendom en 37 hectare gepachte grond.

2.6 In 2005 is in Duitsland door de echtgenoten 479.000 kg melkquotum gekocht. Daarnaast leasen zij 225.000 kg melkquotum.

2.7 In 2005 is het in Nederland nog resterende melkquotum verkocht en zijn de onroerende zaken in L afgestoten, met uitzondering van circa 10 hectare grasland. Deze 10 hectare wordt sindsdien gebruikt voor de teelt van veevoer; dit gras wordt in balen naar het bedrijf in Duitsland vervoerd.

2.8 Het vee is na een periode van quarantaine overgebracht van het bedrijf in L naar het bedrijf in Duitsland. In Duitsland is het aantal koeien vervolgens verdubbeld.

2.9 De melk die wordt geproduceerd binnen het melkveehouderijbedrijf in Z is in 2005 geleverd aan een Duitse melkfabriek.

2.10 De prijs per kilogram van een melkquotum is in Duitsland lager dan in Nederland.

2.11 Belanghebbende heeft in 2004 van het haar toekomende deel van de boekwinst welke is behaald bij de verkoop van het melkquotum een herinvesteringsreserve op de voet van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) gevormd.

3. Geschil

3.1 In hoger beroep stelt de inspecteur dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is omdat gelet op de feiten sprake is van een staking van de onderneming en dat aangezien een herinvesteringsreserve (: HIR) niet over de ondernemingsgrens heen kan gaan, belanghebbende in 2004 geen HIR had mogen vormen.

Indien het hof geen staking aanwezig acht, is de inspecteur van opvatting dat op balansdatum ultimo 2004 geen vervangingsvoornemen aanwezig was, op grond waarvan ook geen HIR kon worden gevormd.

3.3 Belanghebbende is van mening dat geen sprake van staking van de onderneming maar van verplaatsing. Belanghebbende had ultimo 2004 een vervangingsvoornemen en wel door middel van investeringen in Duitsland.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.5 Voor het geval het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, zijn partijen het erover eens dat de voorlopige aanslag moet worden berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 180.000,- min € 134.454,- = € 45.546,-.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Artikel 3.54, eerste lid, van de Wet luidt als volgt:

Indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, kan bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve).

4.2 Indien sprake is van staking van de onderneming in Nederland (hierna ook: de oude onderneming) in de periode 2004/2005 en de verkoop van een gedeelte van het melkquotum in 2004 daar het begin van is, is naar het oordeel van het hof de vorming van een HIR in 2004 niet mogelijk, omdat er voor dat geval niet gesteld is of aannemelijk geworden is dat er dan sprake was van een voornemen tot herinvestering in de oude onderneming op de balansdatum (31 december 2004) en omdat het niet mogelijk is de HIR over de ondernemingsgrens toe te passen.

4.3 Gelet op

- de grootte van de bij de onderneming in Nederland in gebruik zijnde gronden (ongeveer 3 ha in eigendom en ongeveer 42,5 ha in erfpacht/pacht, samen ongeveer 45,5 ha) tegenover de bij de onderneming in Duitsland in gebruik zijnde gronden (ongeveer 19 ha in eigendom, 37 ha in pacht en nog 10 ha in Nederland, samen ongeveer 66 ha);

- de grootte van het melkquotum van de onderneming in Nederland (431.858 kg, waarvan 75.000 kg gelaesed) tegenover de grootte van het melkquotum van de onderneming in Duitsland (704.000 kg, waarvan 225.000 kg gelaesed);

- het ten opzichte van de oude onderneming verdubbelde aantal koeien in de nieuwe onderneming;

- de afstand tussen tussen de oude en de nieuwe onderneming (95 km); en

- het feit dat de melk welke wordt geproduceerd in Duitsland aan een nieuwe afnemer wordt geleverd;

in onderling verband en samenhang beschouwd,

en mede gelet op het onder 2.2 en 2.7 vermelde,

brengen het hof tot de conclusie dat sprake is van staking van de oude onderneming in de periode 2004/2005, waarvan de verkoop van een gedeelte van het melkquotum in 2004 het begin is, en niet van een voortzetting van de oude onderneming in Duitsland.

Hieraan doet niet af dat het vee en de machines naar Duitsland zijn overgebracht en dat een perceel van 10 hectare in Nederland ook weer bij de nieuwe onderneming in gebruik is.

De nieuwe onderneming is immers aanzienlijk groter dan de oude en is gelegen op een relatief grote afstand daarvan en kent een andere afnemer van de geproduceerde melk.

4.4 Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogen is het hof van oordeel dat belanghebbende geen HIR kon vormen.

4.5 Het gelijk is derhalve aan de zijde van de inspecteur, zodat moet worden beslist als volgt.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank; en

verklaart het beroep bij de rechtbank ongegrond.

Aldus vastgesteld op 30 mei 2008 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. drs. S.A.W.J. Strik, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 4 juni 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.