Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD2967

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01624
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte ontvankelijk geacht. De beroepstermijn is een voorschrift van openbare orde waaraan de rechter ambtshalve dient te toetsen. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een onjuiste maatstaf heeft aangelegd ten aanzien van de vraag of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Beslissing van de kantonrechter vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2008-03-03
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2008-03-03
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2008-03-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 07/01624

3 maart 2008

CJIB 99098050605

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 11 oktober 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

3.2. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is de beslissing van de officier van justitie op 27 december 2006 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 7 februari 2007. Het beroepschrift is gedateerd 27 februari 2007 en is per fax op 27 februari 2007 bij de CVOM ingekomen. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld.

3.3. Het te dezen toepasselijke artikel 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiertoe wordt aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie noch door de betrokkene noch door de gemachtigde is ontvangen.

3.5. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.

De inleidende beschikking is op 28 september 2006 naar de betrokkene toegezonden. De betrokkene heeft bij brief van 8 november 2006 beroep bij de officier van justitie ingesteld. Uit het zaakoverzicht van het CJIB blijkt dat de beslissing van de officier van justitie op 27 december 2006 naar de betrokkene is toegezonden. Vervolgens heeft de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 27 februari 2007 tevens beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Dit beroep is door de officier van justitie kennelijk opgevat als een beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Vervolgens is de zaak door de kantonrechter beoordeeld en heeft de kantonrechter overwogen dat het beroep ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de termijnoverschrijding naar zijn oordeel verschoonbaar is. Daarna heeft de kantonrechter de zaak inhoudelijk behandeld en het beroep ongegrond verklaard.

3.6. Voor zover de gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie niet door hem is ontvangen overweegt het hof dat dit alleszins logisch is te achten. Uit de stukken van het geding is immers gebleken dat de gemachtigde in de procedure bij de officier van justitie niet optrad als gemachtigde van de betrokkene. Derhalve is het juist dat de beslissing van de officier van justitie niet naar de gemachtigde is toegezonden.

3.7. Voor zover de gemachtigde heeft aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie niet door de betrokkene is ontvangen overweegt het hof als volgt. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is de beslissing van de officier van justitie op 27 december 2006 verzonden. Op grond van de stukken van het geding moet worden aangenomen dat deze beslissing is gezonden naar het enige bij het CJIB bekende adres van de betrokkene waar eveneens de inleidende beschikking naartoe is gezonden, te weten Arevenlaan 20, 6093 GM Heythuysen. Voorts is nimmer gesteld dat het in de procedure gehanteerde adres van de betrokkene niet juist zou zijn. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de beslissing van de officier van justitie als onbestelbaar retour is gekomen en de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat de beslissing de betrokkene niet heeft bereikt, moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene de beslissing van de officier van justitie heeft ontvangen. Bovendien heeft de betrokkene op 20 februari 2007 en derhalve reeds voordat de gemachtigde beroep had ingesteld bij de kantonrechter, het bedrag van de sanctie betaald, hetgeen slechts te begrijpen valt wanneer op het door de betrokkene ingestelde beroep tegen de inleidende beschikking een voor haar negatieve beslissing was gevolgd. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3.8. De beroepstermijn als onder 3.1. bedoeld is een voorschrift van openbare orde waaraan de rechter ambtshalve dient te toetsen. Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de kantonrechter een onjuiste maatstaf heeft aangelegd ten aanzien van de vraag of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie namelijk ten onrechte wèl ontvankelijk geacht. Derhalve kan de bestreden beslissing niet in stand blijven en zal het hof met vernietiging van de bestreden beslissing doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep bij de kantonrechter.

3.9. Aangezien de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, is er geen reden de advocaat-generaal te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.