Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD2964

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01650
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De gemachtigde van de betrokkene heeft uit eigen beweging een machtiging overgelegd. Wat er ook zij van de geldigheid van deze machtiging, de kantonrechter had de gemachtigde van de betrokkene in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen om het door hem geconstateerde verzuim te herstellen. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De inleidende beschikking bevat voldoende gegevens om de bezwaren tegen die beschikking te formuleren. De omstandigheid dat de gemachtigde van de betrokkene nog niet in bezit was van de door de hem opgevraagde stukken stond niet eraan in de weg dat hij binnen de daartoe gestelde termijn de gronden van het beroep zou opgeven. De officier van justitie heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 07/01650

25 februari 2008

CJIB 29099076549

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 18 oktober 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat door de gemachtigde van de betrokkene geen geldige machtiging is overgelegd.

De kantonrechter heeft in de beslissing van 18 oktober 2007 hieromtrent het volgende overwogen:

“Uit de in het dossier aanwezig machtiging blijkt niet wie heeft getekend namens betrokkene en ook blijkt niet, uit stukken van de Kamer van Koophandel, dat degene die heeft getekend namens betrokkene daartoe bevoegd was. (…)

Door mr. Meerts dan wel betrokkene is geen geldige machtiging overgelegd terwijl mr. Meerts als professionele rechtshulpverlener in Mulderzaken weet dan wel behoort te weten dat hij bij het indienen van een beroepschrift een geldige machtiging dient over te leggen, hetgeen hem in het verleden ook al meermaals ter zitting is meegedeeld.”.

3.2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep, omdat de kantonrechter de gemachtigde niet de gelegenheid heeft geboden het verzuim te herstellen.

3.3. Het hof stelt het volgende voorop. Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, zal de kantonrechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:1, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) van degene die het heeft ingesteld een schriftelijke machtiging kunnen verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt, dan kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3.4. De gemachtigde heeft uit eigen beweging een machtiging overgelegd. Wat er ook zij van de geldigheid van deze machtiging, de kantonrechter had de gemachtigde van de betrokkene in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen het door hem geconstateerde verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Dat de gemachtigde van de betrokkene een professionele rechtsbijstandverlener is, betekent niet dat het bepaalde in artikel 6:6 Awb niet van toepassing is.

3.5. Gelet op het voorgaande dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd. In beginsel dient de zaak te worden teruggewezen naar de kantonrechter, maar om proceseconomische redenen zal het hof hiertoe niet overgaan en de zaak zelf afdoen. De ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter kan de betrokkene namelijk niet baten, aangezien een inhoudelijke beoordeling door de kantonrechter niet anders zou kunnen inhouden dan dat de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring door de officier van justitie juist is en het beroep bij de kantonrechter derhalve ongegrond. Aan de beslissing van de officier van justitie ligt immers de vaststelling ten grondslag, dat de betrokkene niet tijdig de gronden van het beroep heeft ingediend.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.6. De gemachtigde van de betrokkene heeft bij faxbericht van 16 november 2006 pro-forma beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Bij brief van 26 januari 2007 is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld alsnog de gronden van het beroep op te geven. Hierbij is hij gewezen op het gevolg van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens. De gemachtigde heeft hierop niet binnen de daartoe gestelde termijn gereageerd. Bij beslissing van 25 maart 2007 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3.7. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij in het beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft verzocht om toezending van de zaaksgegevens ter nadere motivering van zijn beroep. Deze heeft hij niet ontvangen, waardoor hij geen reële mogelijkheid heeft gehad om de gronden van het beroep op te geven. De officier van justitie heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de gemachtigde van de betrokkene beslissingen van kantonrechters overgelegd waarin conform zijn standpunt is geoordeeld en beslist.

3.8. Het hof is van oordeel dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren. Van de gemachtigde mocht dan ook worden verwacht dat hij op basis van de inleidende beschikking in staat was geweest de bezwaren tegen die beschikking te formuleren. De omstandigheid dat de betrokkene nog niet in het bezit was van de door hem opgevraagde stukken stond er niet aan in de weg dat hij binnen de daartoe gestelde termijn de gronden van het beroep zou opgeven. Dat kantonrechters hieromtrent anders hebben beslist, is voor het hof geen

reden terug te komen op zijn bestendige rechtspraak (vgl. o.m. Hof Leeuwarden 26 januari 2005, WAHV 04/910, LJN AS8373). Gelet op het vorenstaande heeft de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.

3.10. Aangezien de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, acht het hof termen aanwezig om de in hoger beroep gemaakte kosten te vergoeden. Met betrekking tot deze kosten geldt het volgende. De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair per proceshandeling vastgesteld. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het hoger beroepschrift bij het hof en de reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal.

3.11. Blijkens de Bijlage bij het Besluit moet aan het indienen van het beroepschrift bij het hof één en aan de reactie op het verweerschrift een half punt worden toegekend. De waarde per punt is € 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Derhalve zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 241,50 (= 1,5 punt x € 322,- x 0,5).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 241,50 en bepaalt dat dit dient te geschieden door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer 1040.40.025 ten name van Meerts te Beegden.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.