Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD2963

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01594
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie opgelegd omdat auto niet APK gekeurd was. De onderhavige gedraging kan worden gezien als een gedraging van een persoon. Geen gebruik gemaakt van de openbare weg. Verder was er sprake van een overmachtsituatie. Schorsing van het kentekenbewijs zou niet mogelijk zijn geweest. Waar de betrokkene of het betrokken voertuig zich bevinden op het moment dat wordt geconstateerd dat het keuringsbewijs zijn geldigheid heeft verloren, is niet relevant. Geen reden tot matiging van de sanctie.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 72
Wegenverkeerswet 1994 73
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 07/01594

12 februari 2008

CJIB 19099476477

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

van 18 september 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren", welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW te Veendam zou zijn verricht op 16 augustus 2006 met het voertuig met het kenteken [kenteken]

3.2. De betrokkene voert aan dat het verlopen van de geldigheid van een keuringsbewijs zowel taalkundig als juridisch niet kan worden gezien als een gedraging van een persoon, zodat daarvoor geen sanctie kan worden opgelegd.

De betrokkene voert verder aan dat het strafbaar stellen van de onderhavige gedraging slechts tot doel heeft om het bekeuren van burgers makkelijker te maken en daarom principieel onjuist is. De keuringsplicht is immers in het leven geroepen met het oog op de verkeersveiligheid en de bescherming van het milieu. Nu met het betreffende voertuig geen gebruik is gemaakt van de openbare weg, is geen enkel risico veroorzaakt voor de verkeersveiligheid of het milieu. Er is daarom geen grond voor het opleggen van een sanctie. In ieder geval zou het bedrag van de sanctie gematigd moeten worden.

De betrokkene voert verder aan dat sprake is geweest van een overmachtsituatie. Het betreffende voertuig was voor reparatiewerkzaamheden in het buitenland, waardoor schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs niet mogelijk was.

Ten slotte voert de betrokkene aan dat de gedraging niet op de juiste wijze is omschreven. De aanduiding van de pleeglocatie als RDW Veendam, gemeente Leiden is innerlijk tegenstrijdig, terwijl het tijdstip van de gedraging volstrekt willekeurig is vastgesteld op 00.00 uur.

3.3. Gelet op de door de betrokkene niet bestreden gegevens uit het zaakoverzicht van het CJIB, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

3.4. De onderhavige gedraging is gebaseerd op artikel 72, tweede lid onder b, Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en is onder feitcode K045B opgenomen in de bijlage bij de WAHV.

3.5. Artikel 72 WVW 1994, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

2. Het keuringsbewijs dient: (...)

b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, (...)

3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:

a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder.

3.6. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1990-1991, 22 030, nr. 3, blz. 113) houdt onder meer in:

“Het derde lid (ontleend aan art. 9d van de Wegenverkeerswet) geeft aan wie aansprakelijk is voor handelen in strijd met het bepaalde in het eerste en tweede lid. In de eerste plaats is dat uiteraard de eigenaar of houder van het voertuig. Deze moet er, ongeacht of het voertuig op de weg wordt gebruikt, zorg voor dragen dat voor het voertuig een keuringsbewijs is afgegeven”.

3.7. Het hof kan de betrokkene niet volgen in zijn opvatting dat de onderhavige gedraging niet kan worden gezien als een gedraging van een persoon. Uit artikel 72 WVW 1994 en de Memorie van Toelichting volgt ondubbelzinnig dat hij als kentekenhouder er voor dient te zorgen dat het voor zijn voertuig afgegeven keuringsbewijs zijn geldigheid niet verliest. Daartoe diende hij het voertuig tijdig te laten keuren, hetgeen hij heeft nagelaten.

3.8. Uit artikel 67, eerste lid, WVW 1994 blijkt dat de betrokkene als houder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de geldigheid van het kentekenbewijs te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de keuringsplicht ex artikel 72 WVW 1994 gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 73, eerste lid, sub b, WVW 1994).

3.9. Het samenstel van de bovengenoemde bepalingen maakt het mogelijk om door middel van registervergelijking op een effectieve wijze de keuringsplicht te handhaven, terwijl de betrokkene die met zijn voertuig geen gebruik kan of wil maken van de weg zich eenvoudig van de keuringsplicht kan bevrijden door de geldigheid van het kentekenbewijs te laten schorsen. De effectiviteit van de handhaving zou ernstig worden ondermijnd wanneer bij elke geconstateerde overtreding zou moeten worden vastgesteld of het betreffende voertuig aan het verkeer heeft deelgenomen dan wel heeft kunnen deelnemen. Een en ander brengt mee dat het in strijd met artikel 72 WVW 1994 niet voldoen aan de keuringsplicht op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie rechtvaardigt, ook in het geval het betreffende voertuig niet aan het verkeer heeft deelgenomen dan wel heeft kunnen deelnemen.

3.10. De betrokkene huldigt kennelijk de opvatting dat de wetgever niet verder had mogen gaan dan het strafbaar stellen van het rijden met een voertuig zonder keuringsbewijs en de wetgeving niet had mogen baseren op de effectiviteit van de handhaving. Wat daar ook van zij - het kan er niet toe leiden dat het hof artikel

72 WVW 1994 buiten toepassing laat. Het is de rechter immers niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 Wet Algemene Bepalingen).

3.11. De omstandigheid dat het betreffende voertuig niet aan het verkeer heeft deelgenomen, is naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat op grond daarvan de sanctie gematigd dient te worden. Daartoe overweegt het hof dat de in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 WAHV weinig ruimte laat voor matiging op grond van de omstandigheden van het geval.

3.12. De stelling van de betrokkene, dat schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs niet mogelijk was omdat het voertuig zich ter reparatie in het buitenland zou hebben bevonden, is feitelijk onjuist en kan daarom niet leiden tot vernietiging of matiging van de sanctie. Voor schorsing is namelijk slechts nodig dat de betrokkene zich met het kentekenbewijs en een geldig legitimatiebewijs naar een Nederlands postkantoor begeeft. De betrokkene heeft naar het oordeel van het hof voldoende gelegenheid gehad om zich van de keuringsplicht te bevrijden.

3.13. Met betrekking tot de door de betrokkene gestelde onjuistheden in de gedragingsgegevens zoals opgenomen in de inleidende beschikking, overweegt het hof als volgt.

3.14. De memorie van toelichting op het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Kamerstukken II, 1987/1988, 20329, nr. 3, p. 40) houdt voor zover te dezen van belang in:

"In de schriftelijke beschikking, waarbij de administratieve sanctie wordt opgelegd, dient voor de duidelijkheid van de justitiabele een korte omschrijving van de gedraging te worden opgenomen. In aanvulling op het commissievoorstel is bepaald dat de beschikking gedagtekend dient te zijn. Tevens dient de beschikking de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats, waar de gedraging is geconstateerd, te vermelden. Op deze wijze wordt degene aan wie de sanctie wordt opgelegd, in staat gesteld om zelf na te gaan op welke gedraging de administratieve sanctie betrekking heeft".

3.15. Het hof overweegt dat de voorgeschreven vermelding van tijd en plaats van de gedraging kennelijk ziet op de klassieke verkeersovertredingen door verkeersdeelnemers op de weg. Het standaardmodel voor de inleidende beschikking is dan ook zodanig ingericht dat er een tijdstip en een plaatsaanduiding van de overtreding moeten worden ingevuld. De onderhavige gedraging is naar zijn aard echter niet plaatsgebonden. Waar de betrokkene of het betreffende voertuig zich bevinden op het moment dat wordt geconstateerd dat het keuringsbewijs zijn geldigheid heeft verloren, is niet relevant. En de geautomatiseerde registervergelijking levert kennelijk slechts een pleegdatum op en geen concreet tijdstip. Daarom wordt bij dergelijke gedragingen altijd als plaatsaanduiding ingevuld "RDW Veendam (registercontrole)" en als tijdstip "00.00". De aanduiding "gemeente: Leiden" ziet kennelijk op de gemeente waar de betrokkene staat ingeschreven. Deze gegevens bieden de betrokkene voldoende informatie om na te gaan op welke gedraging de sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen. Van enige onduidelijkheid op grond waarvan de inleidende beschikking zou moeten worden vernietigd is naar het oordeel van het hof geen sprake.

3.16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.