Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD2722

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
BK 135/07 Loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende aansprakelijk kan worden gesteld voor de door de BV onbetaald gelaten naheffingsaanslagen loonbelasting/ premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 en 2004 en het 2e kwartaal van 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/46.20 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 135/07

Uitspraakdatum: 23 mei 2008

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z, belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 06/1989 van de rechtbank Leeuwarden van 18 juni 2007 in het geding tussen

de belanghebbende

en de ontvanger van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Heerenveen,

de ontvanger

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Ingevolge de Invorderingswet 1990 (hierna: de Invorderingswet) heeft de ontvanger bij beschikking (hierna: de beschikking) met dagtekening 10 maart 2006 belanghebbende in zijn hoedanigheid van bestuurder van A BV (hierna: de BV) aansprakelijk gesteld voor de volgende drie aan de BV opgelegde en onbetaald gebleven naheffingsaanslagen

loonbelasting/ premie volksverzekeringen:

- jaar 2003, aanslagnummer 0000.00.000.A.01.3500;

- jaar 2004, aanslagnummer 0000.00.000.A.01.4500;

- en 2e kwartaal 2004, aanslagnummer 0000.00.000.A.01.4220.

Het bedrag van de aansprakelijkstelling bedraagt € 23.420,--.

1.2 Na daartegen namens belanghebbende ingesteld bezwaar heeft de ontvanger bij uitspraak gedagtekend 12 juli 2006, het bedrag van de aansprakelijkstelling verminderd met de bedragen betreffende de rente, de kosten en de boete en nader vastgesteld op € 20.264,--.

1.3 Bij uitspraak van 18 juni 2007, verzonden op 19 juni 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard, behoudens voor zover het beroep was gericht tegen het niet toekennen door de ontvanger van een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. De rechtbank heeft de ontvanger veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 483,-- en tevens vergoeding van het griffierecht gelast.

1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.5 Tegen deze uitspraak is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een pro forma beroepschrift (met bijlage) dat op 18 juli 2007 bij het hof is ingekomen. Bij brief van 21 augustus 2007 (met bijlagen), bij het hof ingekomen op dezelfde datum, is het beroep van belanghebbende aangevuld.

1.6 De ontvanger heeft op 1 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

1.7 De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 februari 2008. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende zijn advocaat, de heer B, en namens de ontvanger de heer C, die ter zitting een door hem voorgedragen pleitnota heeft overgelegd.

1.8 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende is samen met de heer D bestuurder van E BV.

2.2 Op 26 juni 2003 heeft E BV gezamenlijk met F BV, de BV opgericht.

2.3 De inspecteur van de Belastingdienst/ Ondernemingen Groningen (hierna: de inspecteur) heeft aan de BV de onder 1.1 gemelde naheffingsaanslagen opgelegd. Voor de jaren 2003 en 2004 zijn de naheffingsaanslagen gedagtekend 26 mei 2004 en voor het tweede kwartaal 2004, 25 augustus 2004. De BV heeft de naheffingsaanslagen onbetaald gelaten. Het in de naheffingsaanslagen begrepen bedrag aan belasting waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld bedraagt respectievelijk € 11.223,--, € 5.858,-- en € 3.183,--, ofwel totaal € 20.264,--.

2.4 De BV heeft niet (tijdig) gemeld bij de ontvanger dat zij niet in staat was voormelde naheffingsaanslagen te betalen.

2.5 In het kader van een onderzoek, ingesteld ten behoeve van de invordering bij de BV, is er onder andere op 29 september 2005 een gesprek gevoerd met de heer D, voornoemd. Kort nadien, op 4 oktober 2005, heeft belanghebbende de E BV uitgeschreven als bestuurder van de BV met terugwerkende kracht tot de datum van oprichting, 26 juni 2003.

2.6 De BV is op 21 maart 2006 in staat van faillissement gesteld. Uit het op 6 september 2006 door de curator opgemaakte faillissementsverslag volgt dat er geen baten zijn.

2.7 Het uitblijven van betaling van de naheffingsaanslagen is voor de ontvanger reden geweest belanghebbende middels de beschikking aansprakelijk te stellen voor uiteindelijk het onder 1.2 gemelde bedrag.

2.8 Naast belanghebbende heeft de ontvanger, eveneens door middel van beschikkingen van dezelfde datum, de andere -voormalige- bestuursleden van de BV, te weten G BV, de heer D, H BV, E BV, F BV en de heer I voor de hiervoor gemelde naheffingsaanslagen aansprakelijk gesteld.

2.9 De rechtbank heeft het namens belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak op het bezwaar ongegrond verklaard behoudens voor zover het was gericht tegen het niet toekennen door de ontvanger van een proceskostenvergoeding aan belanghebbende in de bezwaarfase.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende aansprakelijk kan worden gesteld voor de door de BV onbetaald gelaten naheffingsaanslagen loonbelasting/ premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 en 2004 en het 2e kwartaal van 2004.

3.2 Belanghebbende is van mening dat hij ten onrechte wordt aangesproken voor de aan de BV opgelegde naheffingsaanslagen. Belanghebbende erkent dat hij de betalingsonmacht van de BV niet heeft gemeld, maar hij stelt dat het doen van een zodanige melding niet op zijn weg lag en dat het niet aan hem is te wijten dat niet tijdig is gemeld. Het feitelijk bestuur van de BV werd niet door hem, maar door een andere bestuurder, de heer I, gevoerd. Hij is dan ook van mening dat de ontvanger zo niet uitsluitend, dan in ieder geval in eerste instantie, de heer I aansprakelijk had dienen te stellen voor het onbetaald laten van de onderhavige naheffingsaanslagen door de BV.

3.3 De ontvanger stelt zich op het standpunt dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld. De ontvanger is van mening dat voor de aansprakelijkstelling de rol die belanghebbende had binnen de BV als (middellijk) bestuurder niet relevant is.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunt gehandhaafd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Invorderingwet is ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, met in achtneming van het bepaalde in de overige leden van het onderhavige artikel.

4.2 Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Invorderingswet is een lichaam verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van de loonbelasting in staat is, daarvan mededeling te doen aan de ontvanger.

4.3 Artikel 36, vierde lid, van de Invorderingswet ontleent aan het niet, of niet op juiste wijze voldoen aan de verplichting de betalingsonmacht te melden het vermoeden dat het niet betalen van de belastingschulden het gevolg is van aan een bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Ieder van de bestuurders wordt daarmee hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de betreffende belastingschulden. Tot de weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam geen mededeling van betalingsonmacht heeft gedaan.

4.4 Vast staat dat de onderhavige naheffingsaanslagen niet door de BV zijn betaald en dat de betalingsonmacht van de BV niet is gemeld. Voorts staat vast dat belanghebbende in de periode van 26 juni 2003 tot 4 oktober 2005 als (middellijk) bestuurder van de BV stond ingeschreven in het handelsregister. Met het vorenstaande treedt het wettelijk vermoeden van het vierde lid van artikel 36 van de Invorderingswet in werking, en staat de hoofdelijke aansprakelijkheid van belanghebbende voor het niet betalen van de onderhavige belasting door de BV vast.

4.5 Het hof laat belanghebbende toe tot de weerlegging van vorenbedoeld wettelijk vermoeden indien hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat de BV niet aan haar meldingsplicht heeft voldaan. In dit verband heeft belanghebbende aangevoerd dat hij geen feitelijke bemoeienis had met de BV en dat hem daarom geen verwijt kan worden gemaakt van de niet-tijdige melding. Het hof verwerpt dit betoog. Artikel 36 van de Invorderingswet gaat ervan uit dat het financiële beleid van de in het artikel bedoelde lichamen een zaak is van het gehele bestuur en dat de bestuurders collectief verantwoordelijk zijn. Dit uitgangspunt is ook terug te vinden in de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de raad). Zie hiertoe onder meer de uitspraak van 11 augustus 2005, nr. 03/1374. In deze uitspraak overweegt de raad dat een ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiële) beleid van die rechtspersoon op zich neemt. Aan de (collectieve) verantwoordelijkheid kan een bestuurder zich niet onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van de rechtspersoon. Van de niet-tijdige melding kan belanghebbende dan ook een verwijt worden gemaakt.

4.6 Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd staat overigens op gespannen voet met de door hem in de procedure overgelegde bescheiden, waaronder uitdraaien van per mail gevoerd overleg met de andere (middellijke) bestuurders van de BV. Het mailverkeer heeft voornamelijk de

-slechte- financiële situatie van de BV tot onderwerp.

4.7 De omstandigheid dat belanghebbende op 4 oktober 2005 de E BV, met terugwerkende kracht tot de datum van oprichting, als bestuurder van de BV heeft uitgeschreven, doet aan het vorenstaande niet af. Uit de feiten volgt immers dat de uitschrijving heeft plaatsgevonden op het moment dat de betalingsonmacht niet meer rechtsgeldig kon geschieden.

4.8 Het hof overweegt voorts dat de ontvanger vrij is in zijn keuze om alle, dan wel slechts één of sommige bestuurders aan te spreken (zie het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 november 2001, nr. C00/004 HR, V-N 2001/60.28). De ontvanger is daarbij wel gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Waar belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het de ontvanger op grond van de taakverdeling binnen het bestuur niet vrij stond hem aan te spreken, kan het hof belanghebbende niet volgen. Zoals hiervoor reeds overwogen kan een interne taakverdeling binnen het bestuur bestuurders niet vrijwaren voor aanspraken als de onderhavige. Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op grond van een andere omstandigheid heeft belanghebbende niet gesteld, noch is anderszins het hof hiervan gebleken.

4.9 Alles in ogenschouw nemend is het hof van oordeel dat de rechtbank met juistheid en op goede gronden heeft geoordeeld dat de ontvanger belanghebbende terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de onderhavige door de BV onbetaald gebleven naheffingsaanslagen. Gesteld noch gebleken is dat dit voor een onjuist bedrag is geschied.

4.10 Het hiervoor overwogene brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank dan ook bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 23 mei 2008 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mrs. J. Huiskes en mr. G.W.B. van Westen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door

voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 28 mei 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.