Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD2325

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
0800071
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

(...)In geschil is de vraag of Sunoil met een beroep op artikel 3.3 van haar algemene voorwaarden een prijsverhoging aan Gulf Oil kan opleggen ten opzichte van de door partijen in de vaststellingsovereenkomst neergelegde prijzen - zoals Sunoil stelt - dan wel of partijen in die vaststellingsovereenkomst vaste prijzen voor de in die overeenkomst overeengekomen periode zijn overeengekomen, waarmee een beroep op artikel 3.3 van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden afstuit op het bepaalde in artikel 1.8 van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden, zoals door Gulf Oil wordt betoogd. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 14 mei 2008

Rolnummer 0800071

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Sunoil Biodiesel B.V.,

gevestigd te Emmen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Sunoil,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

voor wie gepleit hebben mrs. P.E. Mazel en M.J. Ubbens, advocaten te Groningen,

tegen

Gulf Oil Nederland B.V.,

gevestigd te Den Helder,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Gulf Oil,

procureur: mr. S.A. Roodhof,

voor wie gepleit heeft mr. J.A. van der Kolk, advocaat te Rotterdam.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 20 december 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 januari 2008 is door Sunoil spoedappèl ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Gulf Oil tegen de zitting van 23 januari 2008.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven, luidt:

Dat het gerechtshof Leeuwarden vernietigt het vonnis a quo, afwijst de vorderingen van Gulf Oil en Gulf Oil veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties.

Vervolgens heeft Sunoil een memorie van eis in spoedappèl tevens akte houdende overlegging producties genomen.

Bij memorie van antwoord tevens akte houdende overlegging producties is door Gulf Oil verweer gevoerd met als conclusie:

het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter te Assen d.d. 20 december 2007, zonodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van Sunoil in de kosten van beide instanties.

Sunoil heeft ter gelegenheid van het pleidooi een akte genomen en daarbij producties in het geding gebracht.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Sunoil heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.16) van genoemd vonnis van 20 december 2007 is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen grief I (mede) is gericht, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot grief I zal worden overwogen. Tevens is in hoger beroep - voor zover thans van belang - nog komen vast te staan:

1.1. Bij e-mailbericht van 1 december 2006 (prod. 10 bij MvA) heeft [directeur Gulf Oil] (directeur van Gulf Oil) onder meer het volgende aan [directeur Sunoil] (directeur van Sunoil, hierna te noemen: [de directeur]) bericht:

"(...)

Jullie stellen € 67,-- per 100 liter voor 2 jaar voor.

Momenteel kan ik winterspecificatie biodiesel kopen voor € 59,-- per 100 liter.

Gulf is bereid een afname overeenkomst voor 2 jaar te sluiten bij een prijs van € 61,-- per 100 liter.

Let wel deze prijs is voor EN 14214 jaarrond. (...)"

1.2. Bij e-mailbericht van 1 december 2006 (prod. 11 bij MvA) heeft [de directeur] als volgt geantwoord:

"(...)

Onze insteek is om het samenwerkingsverband voor langere tijd aan te gaan waarbij wij insteken op een kwalitatief uitstekend product. Dit product kan alleen vanuit de betere grondstoffen geproduceerd worden met een daarbij behorende kostprijs en een lange termijn verkoopprijs.

Wij zullen je aanbod bespreken en komen eind volgende week hierop terug.(...)"

1.3. In een concept van mr. S.B. van Baalen (een kantoorgenoot van mrs. Mazel en Ubbens) van 29 juni 2007 van de door partijen uiteindelijk op 10 september 2007 gesloten vaststellingsovereenkomst (prod. 5 bij akte tgv het pleidooi) is onder meer het volgende vermeld:

"10. Verkoopvoorwaarde

De verkoopvoorwaarde is conform de overeenkomst tussen Partijen met contractnummer 2007013 van 14 december 2006."

1.4. In een concept van mr. Van der Kolk van 5 juli 2007 van de door partijen te sluiten vaststellingsovereenkomst (prod. 6 bij akte tgv het pleidooi) is onder meer het volgende vermeld:

"10. Verkoopvoorwaarden/inkoopvoorwaarden

Tussen partijen zijn, behalve de inhoud van deze overeenkomst, geen algemene voorwaarden van toepassing."

1.5. In een ongedateerde en niet ondertekende schriftelijke verklaring van [de directeur] (prod. 1 bij akte tgv het pleidooi) is onder meer het volgende vermeld:

"(...)

De contractonderhandelingen in november / december 2006 met Gulf hebben plaats gevonden per email, telefoon en 2 persoonlijke gesprekken w.o. een bezoek aan onze fabriek van [directeur Gulf Oil] en [betrokkene].

Wij hebben in de gesprekken een aantal keren aangevoerd dat wij graag tot zaken komen maar dat een half jaar contract ons lang genoeg is daar wij moeilijk langer in de markt vooruit kunnen kijken. Vanuit Gulf haar zijde is aangedrongen op een 2 jaar contract. Sunoil is hierin meegegaan. Daarbij is een prijs afgegeven die in normale markten (op basis van historie) qua inkoop grondstoffen een bandbreedte had van + of - ca. 4 tot 5%. Daarbij zat de uitdaging bij Sunoil erin om een verdere optimalisatieslag door te voeren en andere grondstoffen te gaan gebruiken zoals frituurvet. Sunoil was immers nog maar 3 tot 4 maanden in bedrijf en had nog maar beperkt ervaring in de productie van biodiesel en de markt daaromheen. Uiteindelijk hebben de onderhandelingen tot een contract geleid waarin duidelijk gekozen is voor onze (Sunoil) haar algemene voorwaarden. Er is nooit over deze voorwaarden qua inhoud gesproken. Wel moet het Gulf duidelijk zijn geweest dat dit niet algemeen bekende voorwaarden zijn zoals Fosfa of Grofor, welke we in de markt regelmatig tegen komen. Bewust hebben wij onze eigen voorwaarden omdat we hier in noodgevallen een houvast aan hebben. Een aantal andere afnemers hebben wel eens geprobeerd de algemene internationale voorwaarden te bedingen, echter dit hebben wij nooit toegestaan."

1.6. [commissaris Sunoil] (commissaris van Sunoil) heeft in een ongedateerd en niet ondertekend verslag omtrent de onderhandelingen die hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst van 10 september 2007 (prod. 2 bij akte tgv het pleidooi) onder meer het volgende verklaard:

"(...)

De algemene voorwaarden zijn niet ter tafel geweest en daaruit heb ik de conclusie getrokken dat die ongewijzigd bleven en dat het risico voor Sunoil verantwoord was omdat als er iets op de grondstoffen markt zou gebeuren de algemene voorwaarden ons zouden beschermen."

Met betrekking tot de grieven:

2. Met grief II komt Sunoil op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis, inhoudende dat het spoedeisend belang van Gulf Oil voldoende vaststaat.

2.1. Naar het oordeel van het hof heeft Gulf Oil thans nog een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering. De vordering van Gulf Oil strekt tot nakoming van de op zichzelf niet weersproken verplichting van Sunoil om biodiesel aan Gulf Oil te leveren, welke vordering naar het oordeel van het hof naar haar aard spoedeisend is. Partijen twisten slechts over een sequeel van die leveringsverplichting, te weten de door Gulf Oil aan Sunoil te betalen prijs.

2.2. Grief II faalt derhalve.

3. Door de inhoud van de grieven I, III, IV, V, VI en VII wordt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. In geschil is de vraag of Sunoil met een beroep op artikel 3.3 van haar algemene voorwaarden een prijsverhoging aan Gulf Oil kan opleggen ten opzichte van de door partijen in de vaststellingsovereenkomst neergelegde prijzen - zoals Sunoil stelt - dan wel of partijen in die vaststellingsovereenkomst vaste prijzen voor de in die overeenkomst overeengekomen periode zijn overeengekomen, waarmee een beroep op artikel 3.3 van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden afstuit op het bepaalde in artikel 1.8 van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden, zoals door Gulf Oil wordt betoogd.

5. Het hof constateert dat partijen in de oorspronkelijke overeenkomst van 14 december 2006 een prijs zijn overeengekomen van € 0,63 per liter biodiesel. Uit deze enkele vermelding van de prijs volgt niet dat dit een vaste prijs betrof en dat partijen daarmee - met toepassing van artikel 1.8 van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden - zijn afgeweken van artikel 3.3 van deze algemene leverings- en betalingsvoorwaarden.

5.1. De vraag wat partijen zijn overeengekomen, kan echter niet enkel worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Anders dan Sunoil heeft betoogd, valt niet in te zien waarom dit uitgangspunt in het onderhavige geval niet zou hebben te gelden.

5.2. Uit de onder 1.5 geciteerde verklaring van [de directeur] volgt dat Sunoil aanvankelijk slechts een overeenkomst met Gulf Oil heeft willen aangaan voor een periode van een half jaar omdat "wij moeilijk langer in de markt vooruit kunnen kijken". Ten pleidooie heeft Sunoil aangegeven dat zij zich maximaal voor een periode van een half jaar kan indekken. Het hof leidt hieruit af dat Sunoil bij haar overweging om - aanvankelijk - slechts een contract voor een half jaar te willen aangaan, uitging van een vaste prijs. Na aandrang van de zijde van Gulf Oil is Sunoil - nog steeds blijkens de verklaring van [de directeur] - bereid geweest om een contract voor de duur van twee jaren te sluiten. Zij heeft daarbij een prijs afgegeven die volgens haar in normale markten (op basis van historie) qua inkoop grondstoffen een bandbreedte van + of - 4 tot 5% had. Sunoil heeft ter gelegenheid van het pleidooi aangegeven, dat zij voornemens was om alleen dan een beroep op artikel 3.3 van haar algemene leverings- en betalingsvoorwaarden te doen, indien de marktprijzen buiten de hiervoor bedoelde bandbreedte van + of - 4 tot 5 % zouden geraken. Ten pleidooie heeft Sunoil aangegeven, dat zij nimmer met Gulf Oil heeft gesproken over de door haar bedoelde bandbreedte en prijsaanpassing. Uit de verklaring van [de directeur] blijkt bovendien, dat partijen destijds nooit over de inhoud van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden hebben gesproken. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de onder 1.1 en 1.2 geciteerde e-mailberichten van 1 december 2006, waarin door Gulf Oil gesproken wordt over een prijs van € 0,63 "jaarrond" - waarbij Gulf Oil te kennen heeft gegeven dat zij op dat moment goedkoper biodiesel kon kopen, te weten voor een bedrag van € 59,00 per 100 liter - en waarin Sunoil melding maakt van een "lange termijn verkoopprijs", is het hof voorshands van oordeel dat Gulf Oil er redelijkerwijs van mocht uitgaan, dat de in de overeenkomst van 14 december 2006 genoemde prijs van € 0,63 per liter biodiesel een vaste prijs betrof en dat er in die zin sprake was van een afspraak zoals bedoeld in artikel 1.8 van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden. Sunoil stelt (onderdeel 2.5 pleitnota) dat het begrip jaarrond betrekking heeft op de kwaliteit van de biodiesel en niet op de vaste prijs daarvan doch het hof gaat voorshands aan die stelling voorbij omdat de hiervoor onder 1.1 geciteerde passage van het mailbericht van 1 december 2006, voorzover luidende "let wel deze prijs is voor EN 14214 jaarrond" redelijkerwijs niet in de door Sunoil bepleite zin kan worden verstaan.

6. Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of het sluiten van de vaststellingsovereenkomst van 10 september 2007 in het voorgaande enige verandering heeft teweeggebracht.

6.1. De vaststellingsovereenkomst is aangegaan ter beslechting van een geschil tussen partijen omtrent de kwaliteit van de door Sunoil geleverde biodiesel. Slechts in verband met de in die overeenkomst neergelegde (ten opzichte van de oorspronkelijke overeenkomst: hogere) kwaliteitseisen, is de aanvankelijk overeengekomen prijs van € 0,63 per liter - tot in detail - aangepast.

6.2. Eerst ter gelegenheid van het pleidooi heeft Sunoil gesteld dat zij Gulf Oil tijdens de onderhandelingen omtrent de vaststellingsovereenkomst van 10 september 2007 te kennen heeft gegeven dat de toepasselijkheid van haar algemene leverings- en betalingsvoorwaarden gelet op het in artikel 3.3 bepaalde, voor haar van eminent belang was. Gulf Oil heeft gemotiveerd weersproken dat artikel 3.3 toen aan de orde is geweest. Gulf Oil heeft - anders dan Sunoil - in haar concept van de vaststellingsovereenkomst de toepasselijkheid van deze algemene leverings- en betalingsvoorwaarden niet opgenomen. De reden hiervoor was volgens Gulf Oil slechts gelegen in de omstandigheid dat partijen van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden afwijkende afspraken over "monsters", "reclame" en "aansprakelijkheid" hadden gemaakt. Gelet op het in de definitieve tekst van de vaststellingsovereenkomst opgenomen voorbehoud ten aanzien van deze onderwerpen, kon Gulf Oil zich met die definitieve tekst verenigen.

6.3. Omdat er in dit kort geding geen plaats is voor bewijslevering, gaat het hof er, gelet op de gemotiveerde betwisting door Gulf Oil, voorshands vanuit dat partijen ter gelegenheid van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst van 10 september 2007 niet uitdrukkelijk hebben gesproken over de toepasselijkheid van artikel 3.3 van de algemene leverings- en betalingsvoorwaarden. Het hof wijst er in dit verband op dat ook uit de onder 1.6 geciteerde verklaring van [commissaris Sunoil] volgt dat daarover - naar het hof begrijpt: ter gelegenheid van de totstandkoming van de overeenkomst van 14 december 2006 - niet is gesproken.

6.4. Omdat er ook overigens geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan voorshands tot het oordeel zou moeten worden gekomen dat Gulf Oil er niet langer redelijkerwijs van mocht uitgaan, dat de in de overeenkomst van 14 december 2006 genoemde prijs van € 0,63 per liter biodiesel, welke prijs in de vaststellingsovereenkomst louter aan de hand van de nadere kwaliteitseisen nader is gespecificeerd en aangepast, een vaste prijs was, is het hof voorshands van oordeel dat het beroep door Sunoil op artikel 3.3 van haar algemene leverings- en betalingsvoorwaarden afstuit op artikel 1.8 van die voorwaarden.

7. Sunoil heeft voorts nog aangevoerd, dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Volgens Sunoil is het voor haar (bedrijfseconomisch gezien) onmogelijk om aan het bestreden vonnis te voldoen; haar verlies zou € 200.000,00 per week belopen.

7.1. Het hof constateert dat Gulf Oil deze stelling bij gebrek aan wetenschap heeft betwist. Gulf Oil heeft Sunoil meerdere malen verzocht om inzicht te verstrekken in haar inkoopprijzen. Sunoil heeft echter slechts een tweetal rapporten van UNO Bedrijfsadviseurs B.V. in het geding gebracht, welke rapporten handelen over de in het algemeen gestegen grondstofprijzen. Ook de ter gelegenheid van het pleidooi door Sunoil geciteerde brief van Ernst & Young Registeraccountants aan Sunoil van 20 maart 2008, waarin wordt geconcludeerd dat Sunoil terecht een prijsverhoging heeft moeten doorvoeren om haar continuïteit te waarborgen, geeft naar het oordeel van het hof onvoldoende inzicht in de daadwerkelijke financiële situatie van Sunoil. Het hof laat derhalve in het midden of de waarborging van die continuïteit te dezen van belang zou kunnen zijn.

8. De grieven I, III, IV, V, VI en VII falen. De overige weren van Gulf Oil behoeven dan ook geen behandeling.

De slotsom

9. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Sunoil zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris procureur: tarief II, drie punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 20 december 2007 waarvan beroep;

veroordeelt Sunoil in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die aan de zijde van Gulf Oil vast tot aan deze uitspraak op € 300,00 aan verschotten en op € 2.682,00 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Onnes-Wind en Zondag, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 14 mei 2008 in bijzijn van de griffier.