Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD2150

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
BK 190/07 Motorrijtuigenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2007:BD3878
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/54.29 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 190/07

Uitspraakdatum: 16 mei 2008

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met het kenmerk AWB 06/2286 van de rechtbank Leeuwarden van 16 oktober 2007 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Centrale Administratie, de inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 24 april 2006 over het tijdvak 22 februari 2005 tot en met 21 februari 2006 een naheffingsaanslag in de Motorrijtuigenbelasting, met het kenmerk 0000.00.000.Y.5.90001, opgelegd ten bedrage van € 2.141,--aan belasting. Tevens is aan belanghebbende bij beschikking van dezelfde datum een boete opgelegd van € 2.141,--.

1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 22 september 2006, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot 50%, ofwel

€ 1.070,--.

1.3 Bij uitspraak van 16 oktober 2007, verzonden op 17 oktober 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.5 Tegen deze uitspraak is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlage) dat op 9 november 2007 bij het hof is ingekomen.

1.6 De inspecteur heeft op 3 december 2007 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.7 Een afschrift van voormelde stukken is gezonden aan de betreffende wederpartij.

1.8 De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 11 maart 2008. Aldaar is verschenen namens de inspecteur de heer A. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen, zoals aangekondigd in het faxbericht d.d. 10 maart 2008 door B, advocaat, de gemachtigde van belanghebbende.

1.9 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende is sinds 27 november 2002 houder van het motorrijtuig van het merk Volkswagen met het kenteken YY-00-XX (hierna: de auto).

2.2 De auto stond als geschorst geregistreerd vanaf 3 september 2004 tot en met 23 augustus 2005 en aansluitend vanaf 24 augustus 2005.

2.3 Op 24 januari 2006 is in Hoogezand geconstateerd dat de auto geparkeerd stond op de openbare weg.

2.4 Aan belanghebbende is dientengevolge de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij stelt de auto aan een derde ter beschikking te hebben gesteld met als doel deze te laten ombouwen tot camper. Gelet op de schorsing voor de motorrijtuigenbelasting heeft belanghebbende daarbij nadrukkelijk aangegeven dat de auto niet op de openbare weg geparkeerd mocht worden, hetgeen hem is toegezegd.

Belanghebbende is van mening dat hij in redelijkheid alles heeft gedaan ter voorkoming van het gebruik van de openbare weg met de auto. Hij is dan ook van mening dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.

3.3 De inspecteur beantwoordt voormelde vraag bevestigend. Hij is van mening dat de naheffingsaanslag en de boete, zoals deze is gewijzigd in de bezwaarfase, terecht zijn opgelegd.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Ingevolge artikel 1 lid 1 sub a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) wordt motorrijtuigenbelasting geheven ter zake van het houden van de aldaar genoemde motorrijtuigen.

4.2 Op grond van artikel 19 lid 1 van de Wet wordt de belasting niet geheven tijdens een voor het betreffende motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6 Wegenverkeerswet 1994. Bij constatering van gebruik van de weg tijdens zo'n schorsing, kan de belasting op grond van artikel 35 van de Wet worden nageheven.

4.3 In deze procedure staat vast dat de auto sinds 3 september 2004 was geschorst in de zin artikel 19, voormeld. Voorts staat vast dat op 24 januari 2006 met de auto gebruik werd gemaakt van de openbare weg. Gelet op vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

4.4 Het verweer van belanghebbende, zoals vermeld onder 3.2, faalt. De omstandigheid dat een derde de met belanghebbende gemaakte afspraak betreffende het stallen van de auto niet is nagekomen doet niet af aan de rechtmatigheid van de onderhavige naheffingsaanslag. Van afwezigheid van alle schuld aan de zijde van belanghebbende is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof acht voor zijn oordeel daarbij van belang de omstandigheid dat belanghebbende zich er niet van heeft vergewist waar, en op welke wijze, de auto werd gestald en voorts dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van hem verwacht konden worden om gebruik van de openbare weg met de auto te voorkomen.

4.5 Op grond van artikel 37 van de Wet juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur in het geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet de belastingplichtige een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.537,--. Ingevolge paragraaf 34, onderdeel 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald met een minimum van

€ 45,-- en een maximum van € 4.537,--.

4.6 Nu sprake is van een geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof, gelet op het hiervoor onder 4.4 overwogene omtrent de afwezigheid van alle schuld, terecht aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd. Deze verzuimboete, welke in de bezwaarfase is verminderd tot 50% van het nageheven belastingbedrag, acht het hof gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval, passend en geboden.

4.7 Het vorenoverwogene brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestig de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 16 mei 2008 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. F.J.W. Drion, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 21 mei 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.