Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD1512

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
0600355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat over een beroepsfout van een advocaat. Deze advocaat stond in 1999 een slachtoffer van een verkeersongeluk bij. Hij is namens zijn cliënt een rechtszaak begonnen en vorderde daarin schadevergoeding van de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeluk. De advocaat won deze zaak. De cliënt kreeg een flink bedrag uitgekeerd, maar moest daarover belasting betalen. De cliënt is daarna een procedure tegen zijn voormalige advocaat begonnen. Hij maakte de advocaat daarbij het verwijt dat hij in 1999 zijn werk niet goed had gedaan omdat hij niet een "belastinggarantie" had gevorderd. Dit houdt in dat de verzekeraar de eventueel te betalen belasting voor zijn rekening neemt. Het hof heeft hem hierin gelijk gegeven en heeft bepaald dat de advocaat de door deze beroepsfout veroorzaakte schade aan de cliënt moet vergoeden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/427
NJF 2008, 312
RAV 2008, 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 mei 2008

Rolnummer 0600355

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. mr. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 1],

2. [naam 1 ] c.s. Letselschadeadvocaten B.V.,

gevestigd te Emmen,

hierna te noemen: [appellant 2],

appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten ],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. S.A. Roodhof.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 5 september 2007 (verder: het tussenarrest) wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter uitvoering van het tussenarrest heeft op 16 januari 2008 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften zich bij de stukken bevinden. De inhoud hiervan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

[geïntimeerde] heeft bij gelegenheid van de comparitie een akte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof heeft in zijn tussenarrest naar aanleiding van grief IX overwogen dat, alvorens kan worden beoordeeld of [appellant 1] de door [geïntimeerde] gestelde beroepsfout heeft gemaakt, duidelijk moet worden welke vordering [appellant 1] volgens [geïntimeerde] in de procedure tegen Royal had moeten instellen. [geïntimeerde] heeft vervolgens in zijn akte na tussenarrest - onder verwijzing naar een aantal aan jurisprudentie ontleende voorbeelden inzake veroordelingen tot afgifte van een belastinggarantie - opgemerkt dat [appellant 1] had moeten vorderen dat Royal zou worden veroordeeld tot afgifte van een belastinggarantie en dat hij de inhoud van deze garantie als volgt had kunnen omschrijven: "tot afgifte van een belastinggarantie aan [geïntimeerde], waaruit blijkt dat Royal Nederland op haar kosten verweer zal voeren, indien de inspecteur der belastingen inkomstenbelasting wil heffen over de aan [geïntimeerde] uit te keren schade ter zake van verlies van arbeidsvermogen en dat, indien de inspecteur in het gelijk wordt gesteld, de daardoor ontstane belastingschade voor rekening van Royal Nederland komt."

1.1 [appellanten ] hebben in reactie hierop gesteld dat een belastinggarantie niet kan worden gevorderd op de manier zoals door [geïntimeerde] omschreven. Volgens hen komt dit neer op een vordering die ertoe strekt dat in rechte wordt afgedwongen dat een vaststellingsovereenkomst met de wederpartij wordt gesloten. Zij achten het daarentegen wel mogelijk dat een verklaring voor recht wordt gevorderd die inhoudt dat de verzekeraar de gelaedeerde dient te vrijwaren voor eventuele belastingschade en de kosten van het voeren van het fiscale verweer.

1.2 Het hof kan [appellanten ] niet volgen in hun stelling dat de vordering, die [appellant 1] volgens [geïntimeerde] had moeten instellen, zou neerkomen op het vorderen van een gebod om een vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Het opleggen van een verplichting om een belastinggarantie af te geven betreft immers niet de verplichting om een overeenkomst aan te gaan, maar slechts om (op veroordeling door de rechter) een verklaring af te geven waaruit blijkt dat de gelaedeerde door de verzekeraar gevrijwaard zal worden voor eventuele belastingsschade en de kosten van het fiscale verweer. Uit de door [geïntimeerde] genoemde voorbeelden - waaronder een arrest van dit hof van 20 september 2006 - blijkt overigens dat in de praktijk (ook) vorderingen zoals door [geïntimeerde] omschreven plegen te worden toegewezen.

2. Vervolgens is de vraag aan de orde of [appellant 1] een beroepsfout heeft gemaakt nu hij heeft nagelaten om een vordering tot het afgeven van een belastinggarantie als hiervoor bedoeld in te stellen. Zoals in het tussenarrest reeds overwogen dient hierbij beoordeeld te worden of [appellant 1] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht, waarbij uitgangspunt is dat de verplichting van een advocaat om een hem opgedragen zaak met zorg te behandelen in beginsel meebrengt dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar (ook) zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar ook handelt.

3. [appellanten ] hebben in de toelichting op grief IX betoogd dat het vragen van een belastinggarantie overbodig is indien - zoals in het geval van [geïntimeerde] - het gaat om schadevergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen, nu dat in principe onbelast is. Volgens [appellanten ] kan het afgeven van een belastinggarantie eerst zinvol zijn indien partijen tegen finale kwijting een regeling treffen en met name wanneer er dan sprake is van een zogenoemde lump sum. In casu ging het evenwel om verlies aan arbeidsvermogen dat als concrete schadepost werd opgevoerd en werd er geen finale kwijting verleend (en ook niet gevorderd). Het vragen van een belastinggarantie was volgens [appellanten ] - zeker in dit stadium - dan ook niet nodig. Daar komt bij dat namens [geïntimeerde] een verklaring voor recht is gevorderd ter zake van overige materiële schade, immateriële schade en schade in verband met kosten wegens deskundige bijstand. Deze verklaring bood - aldus nog steeds [appellanten ] - meer bescherming dan een belastinggarantie, nu de toekomstige schade (waaronder schade als gevolg van een belastinggarantie) hier zonder enige restrictie onder zou kunnen vallen. De omstandigheid dat de rechtbank Den Haag de gevorderde verklaring voor recht uiteindelijk heeft afgewezen omdat de "overige schade" op dat moment niet voldoende aanwezig werd geacht, komt volgens [appellanten ] niet voor hun rekening. Zij hebben ten slotte opgemerkt dat dit ook niet betekent dat daarmee de weg was afgesneden om toekomstige schade alsnog in een latere procedure van Royal te vorderen. Grief X sluit deels op grief IX aan en wel in zoverre dat [appellanten ] hierin als bezwaar opwerpen dat het in ieder geval in 1999 nog niet gebruikelijk was om een belastinggarantie te vorderen, terwijl de grief voorts aan de orde stelt dat niet vaststaat of de rechtbank een vordering strekkende tot het afgeven van een belastinggarantie wel zou hebben toegewezen. Het hof wijst erop dat laatstgenoemd punt zowel een rol speelt bij de vraag of een beroepsfout is gemaakt - van een advocaat kan immers bezwaarlijk worden verwacht dat hij een rechtsvordering instelt waarvan in redelijkheid niet of nauwelijks succes valt te verwachten - alsmede bij de beoordeling van het causaal verband tussen de gestelde schade en de beroepsfout.

3.1 Het hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van de vraag of [appellant 1] met betrekking tot het in geding zijnde punt een beroepsfout heeft gemaakt, niet zozeer gaat om de vraag of het vorderen van een belastinggarantie (in 1999) beslist noodzakelijk en gebruikelijk was, maar dat beoordeeld dient te worden of het gelet op de omstandigheden van het geval nuttig en zinvol was dat namens [geïntimeerde] een belastinggarantie werd gevorderd. Indien deze vraag naar het oordeel van het hof bevestigend moet worden beantwoord, staat daarmee vast dat [appellant 1] onvoldoende zorg heeft betracht bij de behartiging van de belangen van [geïntimeerde] en aldus niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht.

3.2 In dit geding staat vast dat de door [geïntimeerde] van Royal gevorderde schadevergoeding wegens (blijvend) verlies van arbeidsvermogen was gebaseerd op het (gedeeltelijk) verlies aan inkomsten die hij als zelfstandig werkend fysiotherapeut genoot. Uit de jurisprudentie blijkt dat in een dergelijk geval de schadevergoeding in principe niet wordt gerekend tot de belastbare winst maar wordt beschouwd als een onbelaste vergoeding wegens verloren gegaan arbeidsvermogen (vergelijk HR 6 oktober 2006, JA 2007, 53). De relevante fiscale jurisprudentie op dit punt is evenwel niet geheel eenduidig (en was dat ook niet in de voor dit geding relevante periode) en in de praktijk blijkt dat de Belastingdienst zich soms toch op het standpunt stelt dat over de vergoeding inkomstenbelasting moet worden geheven. Het hof verwijst in dit verband naar een artikel van R.M.J.T van Dort over dit onderwerp (zie Verkeersrecht 2001, nr. 6, p. 173 e.v.). Van een advocaat die rechtsbijstand verleent in letselschadezaken en die, naar onbetwist is gesteld, mede vanwege zijn specifieke deskundigheid op dit gebied wordt ingeschakeld, mag naar het oordeel van het hof worden verwacht dat hij ervan op de hoogte is dat geen absolute zekerheid bestaat (en in 1999 bestond) met betrekking tot de vraag of de door een zelfstandige te ontvangen schadevergoeding - al dan niet terecht - door de Belastingdienst aan inkomstenbelasting zou worden onderworpen en dat hij om die reden, zekerheidshalve, een belastinggarantie vordert. Ter zijde overweegt het hof dat in het onderhavige geval juist vanwege de omstandigheid dat [geïntimeerde] als zelfstandige werkzaam was, de Belastingdienst tot de conclusie is gekomen dat [geïntimeerde] gehouden was om inkomstenbelasting over de door hem ontvangen schadevergoeding te betalen, nu in dit geval sprake zou zijn van schadeloosstelling in verband met bedrijfsschade dan wel inkomsten ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten (zie in dit verband het door de Belastingdienst uitgebrachte rapport d.d. 21 augustus 2003, productie 11 van de set producties van [geïntimeerde] ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg, p. 5).

3.3 Het vorenstaande geldt temeer nu uit de literatuur blijkt dat wordt geadviseerd om zekerheidshalve bij de afwikkeling van een letselschadezaak altijd een belastinggarantie te vragen teneinde te bewerkstelligen dat de ontvangen schadevergoeding daadwerkelijk onbelast wordt ontvangen en dat het slachtoffer geen kosten ten behoeve van een eventuele fiscale procedure behoeft te maken (zie de door [geïntimeerde] in het kader van de comparitie in eerste aanleg overgelegde pagina's 76 en 77 uit een niet nader genoemd boek van Van Dort voornoemd, alsmede Handboek Personenschade, p. 3090-62). Deze literatuur is weliswaar (kort) na 1999 verschenen, maar de literatuur en jurisprudentie bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eerst ná 1999 binnen de advocatuur de opvatting zou hebben postgevat dat het wenselijk is om een belastinggarantie te vorderen. [geïntimeerde] heeft er bovendien op gewezen dat [appellanten ] in januari 1999 - derhalve twee maanden voordat de inleidende dagvaarding in de letselschadeprocedure aan Royal werd uitgebracht - door het "eigen" bureau Actua Consult (volgens [geïntimeerde] net als [appellant 2] verbonden aan de Pals Groep) er op is geattendeerd dat in de zaak van [geïntimeerde] een belastinggarantie moest worden verstrekt teneinde ieder fiscaal risico uit te sluiten (zie productie 1 bij conclusie van antwoord in prima ofwel productie 4 bij de inleidende dagvaarding in de letselschadeprocedure tegen Royal, p. 11, het door Actua Consult opgestelde berekeningsrapport betreffende de door [geïntimeerde] geleden schade, dat mede ten grondslag is gelegd aan de ingestelde vordering).

3.4 Het vorenstaande leidt het hof tot het oordeel dat, hoe relatief gering in het algemeen de kans ook mag zijn dat de schadevergoeding aan inkomstenbelasting wordt onderworpen, volgens de (ook al in 1999) heersende opvattingen een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in een letselschadezaak - in ieder geval - ten behoeve van een zelfstandige een belastinggarantie van de verzekeraar moet verlangen c.q. vorderen teneinde ieder risico op belastingheffing en hiermee samenhangende kosten van rechtsbijstand uit te sluiten, zodat voorkomen wordt dat de schadevergoeding feitelijk niet netto wordt ontvangen. Een en ander wordt nog eens onderstreept door het in de zaak van [geïntimeerde] tegen Royal uitgebrachte rapport van Actua Consult, welk advies kennelijk door [appellant 1] is genegeerd, althans niet is overgenomen zonder dat is gebleken dat daarvoor een goede reden bestond. Overigens hebben [appellanten ] niet betwist - zoals [geïntimeerde] bij conclusie van repliek in prima (onder punt 8) heeft aangevoerd - dat zij tijdens de comparitie in eerste aanleg hebben erkend dat zij in letselschadeprocedures die de laatste jaren door hen zijn "opgestart" wel een belastinggarantie bij schade wegens verlies aan arbeidsvermogen hebben gevorderd. Zonder nadere toelichting - die evenwel ontbreekt - valt naar het oordeel van het hof niet goed in te zien hoe deze praktijk valt te rijmen met het verweer van [appellanten ] dat het vorderen van een belastinggarantie in een geval als het onderhavige niet zinvol zou zijn. Het hof concludeert dat [geïntimeerde] een duidelijk belang had bij het vorderen van een belastinggarantie teneinde iedere onzekerheid ter zake van een belastingclaim te vermijden, terwijl gesteld noch gebleken is dat en op welke gronden [appellant 1] aan [geïntimeerde] zou hebben geadviseerd af te zien van het vorderen van een belastinggarantie en dat [geïntimeerde] daarmee zou hebben ingestemd.

3.5 Wat betreft de vraag of het instellen van een vordering tot het afgeven van een belastinggarantie kans van slagen zou hebben gehad (grief X) overweegt het hof dat in dit verband primair beoordeeld dient te worden hoe de rechter had behoren te beslissen indien de vordering wél was ingesteld. Het hof is van oordeel dat de rechtbank, gelet op de omstandigheid dat bij zelfstandigen zoals [geïntimeerde] geen absolute zekerheid bestaat of de ontvangen schadevergoeding aan inkomstenbelasting onderworpen is, de vordering met betrekking tot de belastinggarantie had behoren toe te wijzen teneinde zonder meer zeker te stellen dat de (op netto-bedragen gebaseerde) schadevergoeding voor [geïntimeerde] haar netto-karakter zou behouden in het geval de Belastingdienst zich op het standpunt zou stellen dat over de vergoeding inkomstenbelasting betaald zou moeten worden. Het antwoord op de hiervoor bedoelde vraag dient dan ook bevestigend te luiden.

3.6 Ten slotte kunnen [appellanten ] in dit verband evenmin worden gevolgd in hun stelling dat de gevorderde verklaring voor recht (waarbij het hof ervan uit gaat dat [appellanten ] doelen op de namens [geïntimeerde] gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure voor zover het om de vaststelling van de hoogte van de overige schade ging) [geïntimeerde] méér waarborgen bood dan een belastinggarantie. Uit het vonnis van de rechtbank Den Haag blijkt immers dat deze vordering is afgewezen op de grond dat verwijzing naar de schadestaatprocedure in een geval waarin - zoals hier - aansprakelijkheid wordt erkend en uitsluitend wordt geprocedeerd over de begroting van de schade, in strijd moet worden geacht met de regels van een goede procesorde.

3.7. Het hof komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat [appellant 1] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht en derhalve een beroepsfout heeft gemaakt. Grief IX faalt derhalve in haar geheel, terwijl het nu behandelde deel van grief X faalt.

4. [appellanten ] hebben vervolgens betwist dat [geïntimeerde] als gevolg van de beroepsfout enige schade heeft geleden. Het hof zal hierna de grieven bespreken die hierop betrekking hebben. Deze grieven lenen zich deels voor gezamenlijke bespreking, waarbij het hof zal beginnen met de grieven die tot uitgangspunt nemen dat het niet vorderen van een belastinggarantie niet tot schade had hoeven leiden omdat [geïntimeerde] volgens [appellanten ] Royal met succes had kunnen aanspreken voor vergoeding van de fiscale schade, waaronder de kosten van het voeren van verweer (grieven VI en VII).

5. Het hof overweegt met betrekking tot deze grieven als volgt. Uit de inleidende dagvaarding die [appellant 1] namens [geïntimeerde] aan Royal heeft uitgebracht, blijkt dat wegens verlies aan arbeidsvermogen een bedrag van fl. 727.583,00 van Royal werd gevorderd. Voor de onderbouwing van dit bedrag is verwezen naar het rapport van Actua Consult. Uit dit rapport volgt dat beoogd is de volledige schade met betrekking tot deze schadepost te vorderen. Daarnaast heeft [geïntimeerde] een vergoeding gevorderd voor "immateriële schade, overige materiële schade en schade in verband met kosten wegens deskundige bijstand", op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het hof is van oordeel dat, als de fiscale schade al niet in de gevorderde vergoeding voor arbeidsvermogensschade begrepen moet worden geacht, deze schade in ieder geval onder de post overige materiële schade valt die immers zo ruim is gedefinieerd dat zij geacht moet worden alle andere (ook toekomstige) schadeposten te omvatten, dus ook fiscale schade en de kosten van het voeren van fiscaal verweer. Op beide posten is derhalve beslist in een onherroepelijk vonnis dat tussen [geïntimeerde] en Royal gezag van gewijsde heeft verkregen. Indien [geïntimeerde] Royal alsnog had aangesproken voor vergoeding van bedoelde schade, dan zou Royal naar alle waarschijnlijkheid een beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis hebben gedaan, hetgeen tot gevolg zou hebben gehad dat [geïntimeerde] niet in zijn vordering jegens Royal ontvangen had kunnen worden. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat [geïntimeerde] Royal alsnog zou (hebben) kunnen aanspreken voor vergoeding van de onderhavige schade, zodat de stelling van [appellanten ] dat [geïntimeerde] als gevolg van de beroepsfout van [appellant 1] geen schade heeft geleden in zoverre niet opgaat. De grieven VI en VII falen derhalve.

6. De grieven III, X (deels) en XI stellen aan de orde dat ook in het geval wel een belastinggarantie was gevorderd en verkregen, [geïntimeerde] daarop geen beroep had kunnen doen. Volgens [appellanten ] heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoeding aan inkomstenbelasting onderworpen was omdat [geïntimeerde] ten onrechte in zijn aangifte over 2000 de kosten die hij had gemaakt ter verwerving van de schadevergoeding als aftrekpost "buitengewone lasten" had opgegeven. Hiermee heeft hij aan de Belastingdienst kenbaar gemaakt dat hij kennelijk extra belastbare inkomsten had genoten. Voor het bewust of onbewust onjuist invullen van een aangifte - aldus [appellanten ] - biedt een belastinggarantie geen soelaas, zodat Royal na afgifte van de belastinggarantie niet gehouden zou zijn geweest om uit hoofde van de belastinggarantie de kosten van de uiteindelijke aanslag te dragen en de kosten van het verweer tegenover de Belastingdienst voor haar rekening te nemen. Volgens hen is de rechtbank ten onrechte niet op deze verweren ingegaan. Grief XII sluit op het voorgaande aan, nu deze grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit het opvoeren van de kosten van rechtsbijstand als aftrekpost niet kan worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] daarmee bij de Belastingdienst aangifte heeft gedaan van het ontvangen van een belastbare vergoeding.

6.1 De hiervoor bedoelde grieven zijn gebaseerd op de stelling van [appellanten ] dat in belastinggaranties standaard pleegt te worden opgenomen dat, indien de gelaedeerde de schadevergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen opgeeft bij de Belastingdienst, de belastinggarantie komt te vervallen. Volgens [appellanten ] ligt het voor de hand om te veronderstellen dat, indien [appellant 1] wel een vordering tot afgifte van een belastinggarantie had ingesteld, Royal (subsidiair) het verweer zou hebben gevoerd dat de vordering in die zin zou kunnen worden toegewezen dat daarbij de standaardtekst van vaststellingsovereenkomsten zou moeten worden gehanteerd zoals die pleegden te worden opgesteld. Indien [appellanten ] in deze gedachte zouden moeten worden gevolgd, overweegt het hof als volgt. De in dit geding overgelegde voorbeelden van belastinggaranties die in het kader van vaststellingsovereenkomsten zijn overeengekomen (zie producties 12 tot en met 14 van de meergenoemde set producties die [geïntimeerde] ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg in het geding heeft gebracht) bevatten niet een verbod om verwervingskosten van de vergoeding als aftrekpost op te voeren, onder de toevoeging dat bij overtreding van dat "verbod" niet langer aanspraak op vergoeding volgens de overeengekomen belastinggarantie bestaat. Deze vaststellingsovereenkomsten bevatten wel de bepaling dat de uitkering niet als inkomen wordt aangegeven. Deze bepaling heeft [geïntimeerde] echter niet geschonden, terwijl overigens in de overgelegde voorbeelden niet met zoveel woorden wordt bepaald dat bij schending van de hiervoor bedoelde bepaling geen aanspraak op de garantie kan worden gemaakt. Voorzover [appellanten ] hebben bedoeld te betogen dat uitleg van de garantiebepalingen meebrengt dat het opgeven van verwervingskosten als aftrekpost meebrengt dat alsdan geen aanspraak op garantie bestaat, dan wel dat in een zodanig geval de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat geen beroep op de belastinggarantie kan worden gedaan, oordeelt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof is deze opvatting hooguit verdedigbaar in de situatie waarin zou vaststaan dat het opleggen van de naheffingsaanslag over de uitkering het gevolg is van het opvoeren van de verwervingskosten als aftrekpost. Dit staat in het onderhavige geval echter geenszins vast, aangezien hetgeen [appellanten ] in dit verband stellen een louter speculatief karakter draagt, terwijl door [geïntimeerde], onder verwijzing naar het door de Belastingdienst bij Royal ingestelde boekenonderzoek, gemotiveerd is betwist dat er enig verband zou bestaan tussen het opvoeren van de verwervingskosten als aftrekpost en de naheffingsaanslag. Voorzover [appellanten ] de gestelde schade hebben bestreden door te betwisten dat [geïntimeerde] een beroep had kunnen doen op de belastinggarantie vanwege het opvoeren van de verwervingskosten als aftrekpost, is het hof derhalve van oordeel dat deze betwisting een deugdelijke onderbouwing ontbeert, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan.

Het beroep van [appellanten ] op eigen schuld faalt eveneens nu ook dat beroep is gestoeld op een verondersteld causaal verband tussen het opvoeren van de verwervingskosten en de naheffingsaanslag, terwijl, zoals hiervoor reeds is overwogen, niets steekhoudends is gesteld op grond waarvan tot het aannemen van een dergelijk causaal verband zou moeten worden geconcludeerd.

6.2 [appellanten ] hebben in grief III ook nog gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen belang heeft gehecht aan hun verweer dat een belastinggarantie er alleen toe dient dat de betalende partij de belasting zal dragen in het geval de Belastingdienst ten onrechte meent dat de uitgekeerde schadevergoeding die ziet op verlies van arbeidsvermogen als inkomen moet worden belast. Een belastinggarantie biedt volgens hen ook geen garanties indien de Belastingdienst over een ander bestanddeel dan de vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen belasting heft en evenmin indien de gelaedeerde meer schade vergoed heeft gekregen dan hem op nettobasis toekwam. Het hof is van oordeel dat deze verweren geen steun vinden in de tekst van de overgelegde belastinggaranties. Los daarvan is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag en de daarop gevolgde vaststellingsovereenkomst (alleen) betrekking had op de uitkering voor verlies aan verdienvermogen. Het hof verwijst in dit verband naar de inhoud van het rapport van de Belastingdienst inzake het ingestelde derdenonderzoek bij Royal - waaruit blijkt dat de Belastingsdienst zich op het standpunt stelde dat alleen de door [geïntimeerde] ontvangen vergoeding voor verlies verdienvermogen aan inkomensbelasting was onderworpen -, de naheffingsaanslag alsmede de tekst van de vaststellingsovereenkomst (onderdeel 3) die [geïntimeerde] met de Belastingdienst heeft gesloten. Overigens kan het hof [appellanten ] niet volgen in hun stelling dat meer schadevergoeding is toegewezen dan [geïntimeerde] op netto-basis toekwam. Uit de stukken die betrekking hebben op de procedure tegen Royal blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat slechts is toegewezen wat [appellant 1] namens [geïntimeerde] op basis van het schadeberekeningsrapport als nettoschade heeft gevorderd.

6.3 Voor zover in de hier besproken grieven wordt uitgegaan van een van het voorgaande afwijkende opvatting, falen zij derhalve, terwijl zij voor het overige bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven.

7. De grieven IV en V strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] als gevolg van de belastingaanslag niet volledig netto is gecompenseerd. De grieven vallen in een aantal onderdelen uiteen.

7.1 Het meest verstrekkende bezwaar houdt in dat [geïntimeerde] geen schade zou hebben geleden als gevolg van de - na de vaststellingsovereenkomst verlaagde - belastingaanslag. Volgens [appellanten ] blijkt uit berekeningen die zij hebben laten uitvoeren dat [geïntimeerde] per saldo over 2000 minder inkomstenbelasting heeft betaald dan hij daadwerkelijk (bij een juiste belastingaangifte) verschuldigd was (€ 13.613,41 in plaats van € 26.035,19, terwijl de Belastingdienst volgens hen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de van Royal ontvangen wettelijke rente over de schadevergoeding ad fl. 111.369,00). Het hof is evenwel van oordeel dat dit onderdeel van de grief reeds dient te falen vanwege de omstandigheid dat gebleken is dat [appellanten ] zich niet op de juiste gegevens hebben gebaseerd, terwijl uit de juiste gegevens niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] op dit punt enig voordeel heeft genoten. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat in dit verband de aanslag inkomstenbelasting 2000, zoals deze na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in bezwaar is gewijzigd, tot uitgangspunt genomen moet worden (zie productie 5 van de set aanvullende producties, die [geïntimeerde] ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg heeft overgelegd). Hieruit volgt dat het belastbaar inkomen van [geïntimeerde] is vastgesteld op een bedrag van

€ 83.225,00 (waarin de over de vergoeding ontvangen rente ad fl. 111.655,00 is verwerkt) en dat hij in totaal een bedrag van € 45.105,00 aan inkomstenbelasting moest betalen. Het standpunt van [appellanten ] ontbeert derhalve een deugdelijke feitelijke grondslag.

7.2 [appellanten ] hebben voorts betoogd dat [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat de uiteindelijk gereduceerde belastingaanslag (uitsluitend) betrekking had op de schadevergoeding voor verlies van arbeidsvermogen. Zij achten het aannemelijker dat de aanslag (met name) zag op het hoger belastbaar inkomen nadat de ten onrechte afgetrokken kosten voor rechtsbijstand bij het belastbaar inkomen waren opgeteld en dat - indien er al vanuit gegaan zou moeten worden dat de aanslag (uitsluitend) op de schadevergoeding zag - de Belastingdienst er kennelijk vanuit ging dat er aanknopingspunten waren om aan te moeten nemen dat de aan [geïntimeerde] vergoede schade niet geheel zag op de verloren bron van inkomsten, maar ook op de inkomsten die hieruit werden genoten. Indien de Belastingdienst dit standpunt heeft ingenomen, dan moet worden aangenomen dat dit het gevolg is van het feit dat [geïntimeerde] een onjuiste belastingaangifte heeft gedaan ofwel dat hij meer schade dan zijn schade op nettobasis vergoed heeft gekregen, zodat het terecht is dat [geïntimeerde] over het teveel ontvangen bedrag belasting heeft moeten betalen, aldus [appellanten ] Ook dit betoog verdient geen bijval. Het hof constateert dat [appellanten ] hun bezwaren hoofdzakelijk baseren op diverse aannames, zonder dat zij daarbij hebben betrokken wat [geïntimeerde] met betrekking tot de totstandkoming en de achtergrond van de vaststellingsovereenkomst met kracht van argumenten en met producties onderbouwd reeds in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Hieruit komt naar het oordeel van het hof genoegzaam naar voren dat de veronderstellingen van [appellanten ] niet op feiten zijn gebaseerd. Het hof wijst er hierbij in het bijzonder op dat in de beslissing op bezwaar van 12 november 2004 wordt vermeld dat van de aanslag een bedrag van fl. 30.000,00 betrekking heeft op de ontvangen uitkering. Voorts overweegt het hof dat [appellanten ] in de memorie van grieven (onder 13) zelf hebben vermeld dat [geïntimeerde] met de belastingdienst is overeengekomen dat de fiscale inkomenseffecten van het auto-ongeluk zich beperken tot fl. 30.000,00 te betalen belasting.

7.3 In zoverre falen de grieven.

7.4 Grief V stelt voorts aan de orde dat de kosten, die waren gemoeid met het aanvechten van de aftrekpost voor kosten van juridische bijstand, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit bezwaar zal worden besproken bij de behandeling van grief XIII, die betrekking heeft op de kosten die PricewaterhouseCoopers bij [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht en waarvan [geïntimeerde] in de onderhavige procedure vergoeding vordert.

8. Grief VIII is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer dat [geïntimeerde] er zelf voor gekozen heeft om te schikken. Volgens [appellanten ] volgt hieruit dat [geïntimeerde] kennelijk zelf ook van oordeel was dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt stelde dat hij over de schadevergoeding inkomstenbelasting verschuldigd was. De gevolgen van deze vaststellingsovereenkomst kunnen dan ook niet op hen worden afgewenteld, aldus [appellanten ]

8.1 Ook deze grief faalt. Het hof overweegt hiertoe dat - naar bij [appellanten ] genoegzaam bekend mag worden verondersteld - het treffen van een schikking niet betekent dat daarmee zonder meer de juistheid van het standpunt van de wederpartij wordt erkend. Ook in dit geval was dat niet aan de orde. Uit de door PricewaterhouseCoopers gegeven - en door [appellanten ] niet weersproken - toelichting op de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst (productie 6 bij conclusie van repliek in prima) blijkt immers dat [geïntimeerde] op basis van een kosten-batenanalyse alsmede een inschatting van de kans op succes van doorprocederen heeft besloten om de zaak te schikken, waarbij - zoals [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld - door beide bij de vaststellingsovereenkomst betrokken partijen werd ingeschat dat de kans op succes voor de Belastingdienst (slechts) 10% zou zijn. Uit het treffen van de schikking kan dan ook (bepaald) niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] kennelijk zelf ook van mening was dat hij inkomstenbelasting over de schadevergoeding moest betalen.

8.2 Voor zover in de grief tevens de stelling besloten ligt dat [geïntimeerde] in strijd met de op hem rustende schadebeperkingsplicht heeft gehandeld door met de Belastingdienst een minnelijk regeling te treffen, faalt de grief eveneens. Het hof is van oordeel dat de keuze voor een schikking - welke keuze [geïntimeerde] samen met zijn adviseurs heeft gemaakt - in het licht van hetgeen in r.o. 8.1 is overwogen niet als onverdedigbaar of onverantwoord kan worden bestempeld. Overigens wijst het hof erop dat [appellanten ] [geïntimeerde] en zijn adviseurs ook de ruimte hebben gelaten om deze keuze te maken nu zij er niet voor hebben gekozen - nadat zij door [geïntimeerde] bij brief van 20 oktober 2003 aansprakelijk waren gesteld - om de zaak tegen de Belastingdienst over te nemen. Evenmin hebben zij erop aangedrongen om betrokken te worden bij de bezwaarschriftenprocedure tegen de naheffingsaanslag.

9. [appellanten ] maken met grief V (deels) alsmede grief XIII bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [geïntimeerde] gemaakte kosten ad

€ 12.161,69 op de voet van art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder a, BW voor vergoeding in aanmerking komen.

9.1 Zij hebben in de eerste plaats betoogd dat het causaal verband tussen de beroepsfout van [appellant 1] en de in geding zijnde kosten ontbreekt, nu het volgens hen aan het eigen foutief handelen van [geïntimeerde] is te wijten dat hij met een naheffing werd geconfronteerd. Dit betoog stuit af op hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen. Los daarvan is het hof van oordeel dat uit de feitelijke gang van zaken zoals die zich heeft voorgedaan - verwezen zij naar het meergenoemde rapport inzake het derdenonderzoek bij Royal en naar de schriftelijke toelichting door PricewaterhouseCoopers - genoegzaam blijkt dat de discussie met de Belastingdienst zich hoofdzakelijk heeft toegespitst op de vraag of over de schadevergoeding (een aanzienlijk bedrag aan) inkomstenbelasting moest worden betaald. Deze discussie was niet op kosten van [geïntimeerde] gevoerd indien [appellant 1] niet had nagelaten om een belastinggarantie van Royal te vorderen. Tussen partijen is immers niet in geschil dat een belastinggarantie er mede toe strekt dat een eventueel debat tussen de Belastingdienst en de verzekeraar door en op kosten van laatstgenoemde wordt gevoerd.

9.2 [appellanten ] hebben vervolgens aangevoerd dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken blijkt dat de discussie met de Belastingdienst ook betrekking had op de kosten, die [geïntimeerde] ten onrechte als aftrekpost had opgevoerd. De hiermee gemoeide kosten komen volgens hen in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking. Ook dit betoog verdient geen bijval, reeds vanwege de omstandigheid dat - zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd - gesteld noch gebleken is dat de kwestie van de aftrekpost heeft geleid tot extra werkzaamheden aan de zijde van PricewaterhouseCoopers en daarmee invloed heeft gehad op de hoogte van de rekeningen van dit kantoor. Uit de tekst van het bezwaarschrift van 16 oktober 2003 leidt het hof af dat het bezwaarschrift zich helemaal concentreerde op het heffen van inkomstenbelasting over de schadevergoeding (zie productie 2 bij akte na tussenarrest van [geïntimeerde]). Enkel aan het slot van het bezwaarschrift wordt een opmerking over de aftrekbaarheid van de verwervingskosten gemaakt. Voorts kan worden gewezen op de hiervoor al vermelde schriftelijke toelichting door PricewaterhouseCoopers, waaruit kan worden afgeleid dat de kwestie van de aftrekpost alleen is gebruikt als "wisselgeld" in het kader van de totstandkoming van de schikking.

9.3 Het hof ziet voorts niet in dat door PricewaterhouseCoopers uitzonderlijk veel uren zijn besteed "aan een relatief eenvoudige zaak", zoals [appellanten ] hebben gesteld. Het is van oordeel dat [geïntimeerde] door het overleggen van de urenlijsten van PricewaterhouseCoopers en de beschrijving van de werkzaamheden zoals die naar voren komen uit de gedingstukken de noodzaak van de aan de zaak bestede tijd voldoende heeft onderbouwd, terwijl het - gelet op de grote financiële belangen die aan de zijde van [geïntimeerde] speelden - ook volstrekt redelijk was dat deskundige bijstand werd ingeschakeld. Ter zijde wordt overwogen dat het inroepen van deze bijstand er uiteindelijk toe heeft geleid dat de aanslag tot een fractie van de aanvankelijk opgelegde aanslag is teruggebracht, hetgeen alleen maar in het voordeel van [appellanten ] is geweest.

9.4 Hetgeen overigens in de toelichting op de grief nog te berde is gebracht kan als zijnde reeds vervat in de bespreking van de voorgaande grieven onbesproken blijven.

9.5 Grief XIII faalt in al haar onderdelen.

10. Grief XIV is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om [appellanten ] (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van

€ 32.034,69, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2005.

10.1 De grief bestaat hoofdzakelijk uit bezwaren die in de voorgaande grieven aan de orde zijn gesteld en door het hof reeds zijn verworpen. In zoverre behoeft de grief dan ook geen bespreking en faalt zij derhalve op de gronden zoals hiervoor reeds uiteengezet.

10.2 Daarnaast hebben [appellanten ] aangevoerd dat zij in ieder geval niet de heffingsrente, verzuimboete en invorderingsboete ad € 5.457,16 verschuldigd zijn, die [geïntimeerde] aan de Belastingdienst heeft moeten betalen. Volgens hen zouden deze kosten ook onder de belastinggarantie niet voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen. [geïntimeerde] heeft dit standpunt bij memorie van antwoord niet betwist, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het standpunt van [appellanten ] in zoverre juist is. Dit onderdeel van de grief slaagt derhalve. Dit brengt mee dat genoemd bedrag niet voor rekening van [appellanten ] komt.

10.3 Ten slotte hebben [appellanten ] opgemerkt dat niet duidelijk is hoe de door [geïntimeerde] gevorderde rente tot 20 januari 2005 - die een bedrag van € 802,43 beloopt - is berekend en welke grondslag daarvoor is gehanteerd. [geïntimeerde] heeft hierover in zijn memorie van antwoord opgemerkt dat de rente door hem is berekend over de door hem betaalde declaraties van PricewaterhouseCoopers alsmede de door hem betaalde aanslag. Hij heeft evenwel nagelaten om te vermelden wanneer hij deze bedragen heeft betaald en op welke wijze de rente daarover is berekend. Gelet hierop heeft [geïntimeerde] in zoverre niet aan zijn stelplicht voldaan. Ook dit onderdeel van de grief slaagt derhalve.

11. Grief XV is uitsluitend tegen het dictum gericht en heeft derhalve geen zelfstandige inhoud.

in het incidenteel appel

12. De grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten ad € 1.157,96 af te wijzen. Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de gevorderde kosten betrekking hebben op verrichtingen waarvoor art. 241 Rv een vergoeding pleegt in te sluiten nu de gevorderde kosten ter voorkoming en vaststelling van schade zijn gemaakt in de periode september 2003 tot mei 2004 en de dagvaarding eerst

- nadat de Belastingdienst op het bezwaarschrift van [geïntimeerde] had beslist - tien maanden later is uitgebracht. Tot 1 mei 2004 is de advocaat van [geïntimeerde] bezig geweest om in contact te komen met [appellanten ] - welk contact evenwel categorisch werd geweigerd - en was hij samen met PricewaterhouseCoopers bezig om de schade aan de zijde van [geïntimeerde] te beperken zoals bedoeld in art. 6:96 lid 2 aanhef en onder a BW, aldus [geïntimeerde].

12.1 [appellanten ] hebben betwist dat zij niet hebben gereageerd op brieven van de advocaat van [geïntimeerde]. [appellant 1] heeft na ontvangst van de aansprakelijkstelling bij brief van 5 november 2003 aansprakelijkheid van de hand gewezen en tevens meegedeeld dat hij de brief heeft doorgestuurd naar de beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar van [appellant 2]. De brieven die de advocaat van [geïntimeerde] vervolgens stuurde en waarin om een standpuntbepaling werd verzocht, waren dan ook zinloos, aldus [appellanten ]

12.2 Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [appellanten ] onvoldoende heeft gesteld om er vanuit te kunnen gaan dat de door hem opgevoerde kosten redelijke kosten zijn die op voet van art. 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, terwijl hij op dit punt ook niet een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan. Het incidenteel beroep zal daarom worden verworpen.

in het principaal en incidenteel appel

De slotsom

13. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, [appellanten ] veroordelen om aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van

€ 25.775,10 (€ 13.613,41 + € 12.161,69) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

14. [appellanten ] zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg alsmede van het principaal appel (tarief III, in eerste aanleg 2 punten, in het principaal appel 3 punten). [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het incidenteel appel (1,5 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellanten ] hoofdelijk - des dat een betalend de ander zal zijn gekweten - om tegen kwijting een bedrag van € 25.775,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [geïntimeerde] te betalen;

veroordeelt [appellanten ] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde]:

in eerste aanleg op € 815,60 aan verschotten en € 1.158,00 aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op € 960,00 aan verschotten en € 3.474,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in het incidenteel appel

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten ] op € 1.737,00 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Telman en De Hek, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 mei 2008 in bijzijn van de griffier.