Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD0697

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
BK 104/07 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2007:BD6592
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de werkelijke kosten van zijn gemachtigde betreffende de beroepsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0979

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 07/00104

uitspraakdatum: 25 april 2008

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

gemachtigde A

tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 06/1255 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 11 mei 2007, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 19 november 2004 is aan belanghebbende een aanslag inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) voor het jaar 2001 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) is daarbij vastgesteld op € 129.702, - Na bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 29 april 2006 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.102, -.

1.2 Namens belanghebbende is tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 11 mei 2007, verzonden op 14 mei 2007, het beroep gegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar is vernietigd. De rechtbank heeft de aanslag verminderd tot een aanslag met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.927, -. Tevens heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten die zijn vastgesteld op € 644, -. De Staat der Nederlanden is aangewezen dit bedrag aan belanghebbende te voldoen. Tevens is de Staat der Nederlanden gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.3 Tegen de uitspraak van de rechtbank is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld bij pro forma beroepschrift (met bijlage), bij het hof ingekomen op 20 juni 2007. Op 20 juli 2007 zijn de gronden van het hoger beroep (met bijlagen) ingediend. Van de inspecteur heeft het hof op 27 september 2007 een verweerschrift in hoger beroep ontvangen.

1.4 Ter zitting van 29 februari 2008 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daarbij zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde de heer A (hierna: de gemachtigde), alsmede belanghebbende zelf en de heer B namens de inspecteur. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.5 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende genoot in het jaar 2001 een WAO-uitkering. Hij woont in dat jaar thuis bij zijn moeder. Hij verricht in het jaar 2001 werkzaamheden in de agrarische onderneming, die voor rekening en risico van zijn moeder werd gedreven.

2.2 Vanaf 27 maart 2000 heeft belanghebbende de volledige bloot eigendom van twee percelen grond. Deze bloot eigendom heeft hij ter beschikking gesteld aan de onder 2.1 vermelde onderneming. Op deze percelen wordt de onderneming van de moeder geëxploiteerd. Voorheen had hij na het overlijden van zijn vader in 1979 op basis van het erfrecht slechts 1/6 deel van de bloot eigendom van die percelen grond. Per 1 januari 2001 ontstaat er als gevolg van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 ten aanzien van belanghebbende die zijn bloot eigendom van de percelen grond aan de onderneming van zijn moeder ter beschikking stelt, een situatie waarop de terbeschikkingstellingsregeling ex artikel 3.91 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is.

2.3 Medio december 2001 verkoopt de moeder de gehele voor haar rekening en risico gedreven onderneming aan belanghebbende, inclusief de percelen grond waarvan belanghebbende al de bloot eigendom had. De juridische levering vindt plaats op 6 december 2002. De onderneming wordt geacht per 31 december 2001 te zijn overgedragen.

2.4 De accountant van belanghebbende heeft vervolgens op 11 december 2003 aangifte IB/PV gedaan voor het jaar 2001 voor belanghebbende naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.927, - (tevens verzamelinkomen). Bij het vaststellen van de aanslag wijkt de inspecteur af van die aangifte. In tegenstelling tot de aangifte houdt de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag rekening met een (positief) belastbaar resultaat uit het ter beschikking stellen van de percelen grond aan de onderneming. Het aangegeven inkomen uit werk en woning verhoogt de inspecteur met € 112.775, - in verband met de - naar de stelling van de inspecteur plaatsgevonden - waardeaangroei van de bloot eigendom van de percelen grond (zie de brief van de inspecteur d.d. 4 november 2004). De bijtelling wordt in euro's gedaan, terwijl de voormelde brief het bedrag van 112.775, - in guldens vermeldt. Bij uitspraak op bezwaar wordt deze vergissing hersteld; de aanslag wordt bij uitspraak op bezwaar verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.102, -.

2.5 Namens belanghebbende is op 24 mei 2006 beroep ingesteld tegen de onder 2.4 vermelde uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft op 7 juni 2006 de heer C van D de opdracht gegeven om de waarden van de betreffende percelen grond vast te stellen. Bij zijn taxatierapport d.d. 24 augustus 2006 heeft de heer C de waarden per 1 januari 2001 van de bloot eigendom en per 31 december 2001 van de volle eigendom van de betreffende percelen grond vastgesteld.

2.6 De rechtbank heeft vervolgens op 11 mei 2007 het beroep gegrond verklaard en heeft de aanslag conform de aangifte vastgesteld. Ter zitting waren partijen namelijk tot de conclusie gekomen dat er in 2001 geen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden gerealiseerd is geweest. De rechtbank heeft belanghebbendes verzoek tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke proceskosten afgewezen. Voor de vaststelling van de hoogte van de proceskosten heeft de rechtbank het forfaitaire puntensysteem van het Besluit proceskosten bestuursrecht (: het Besluit) gehanteerd. Eveneens heeft de rechtbank het verzoek van belanghebbende om de inspecteur te veroordelen in de kosten van het taxatierapport van de heer C (en in de kosten gemaakt wegens onderhandelingen met de belastingdienst) afgewezen. De rechtbank heeft daarvoor redengevend geacht dat belanghebbende de taxatiekosten normaliter al bij het indienen van de aangifte zou hebben moeten maken. Belanghebbende had volgens de rechtbank bij het indienen van zijn aangifte een openingsbalans en een slotbalans met daarop de waarden van de percelen grond moeten indienen. Tegen de voormelde afwijzingen is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld.

3. Het geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de werkelijke kosten van zijn gemachtigde betreffende de beroepsprocedure. Tevens is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de door de heer C gemaakte kosten. De voormelde kosten bedragen respectievelijk € 2.741,12 en € 3.626,76. De hoogte en de daadwerkelijke betaling door belanghebbende van deze kosten zijn niet in geschil.

3.2 Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op dergelijke vergoedingen. Volgens belanghebbende zijn er bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig om af te wijken van het forfaitaire puntensysteem van dat Besluit. Hij stelt dat de inspecteur verschillende fouten heeft gemaakt die belanghebbende nodeloos op kosten hebben gejaagd. De inspecteur treft volgens belanghebbende het verwijt onzorgvuldig te hebben gehandeld op grond waarvan een vergoeding van de werkelijke beroepskosten op zijn plaats is. Met betrekking tot de kosten van de heer C is belanghebbende van mening dat die kosten dienen te worden vergoed, omdat die kosten zijn gemaakt juist met het oog op het gerezen belastinggeschil. Een redelijk denkend ondernemer zou volgens belanghebbende niet dergelijke kosten ten behoeve van een aangifte maken.

3.3 De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar het oordeel van het hof heeft als hoofdregel te gelden dat het bestuursorgaan in de kosten van het geding voor de rechtbank moet worden veroordeeld, indien een belanghebbende die bij de rechtbank tegen een besluit van het bestuursorgaan in beroep is gekomen, geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank de inspecteur terecht met in achtneming van het Besluit veroordeeld in een bedrag van de proceskosten. Het hof merkt hierbij op dat de kostenveroordeling niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar het karakter heeft van een tegemoetkoming in de kosten (zie Nota van Toelichting op het Besluit, Stb. 1993, 763, p. 5).

4.2 Voor het vaststellen van de kosten van de gemachtigde heeft de rechtbank het forfaitaire puntensysteem van het Besluit toegepast. Belanghebbende wenst een vergoeding van de werkelijke kosten die door zijn gemachtigde in verband met het beroep aan hem in rekening zijn gebracht. Hij beroept zich daartoe op bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit die een afwijking van het forfaitaire puntensysteem rechtvaardigen.

4.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 april 2007, BNB 2007/260*, geoordeeld dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit grond is, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het - voor zover hier van belang - een uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. In de Nota van Toelichting op het Besluit, Stb. 1993, 763, p. 10, is met betrekking tot het derde lid van artikel 2 gesteld dat het werkelijk moet gaan om uitzonderingen. Als voorbeeld wordt daarin het geval genoemd waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. Het standpunt van de gemachtigde van belanghebbende dat gelet op de gebonden aard van de besluiten van een inspecteur al in de situaties waarin de inspecteur een verwijt kan worden gemaakt van voldoende omvang, afwijkingen van het forfaitair puntensysteem gerechtvaardigd zijn, vindt derhalve, naar het oordeel van het hof, geen steun in het recht. Dat de aanslag mogelijkerwijs had kunnen leiden tot het faillissement van belanghebbende en dat de aanslag hem psychisch in de greep heeft gehouden maakt evenmin dat van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit sprake is.

4.4 Op belanghebbende rust, naar het oordeel van het hof, de last om met in achtneming van het overwogene onder 4.3 aannemelijk te maken dat sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit. Belanghebbende stelt daartoe dat de inspecteur ten onrechte heeft volhard in zijn standpunt dat de waarde van de betreffende percelen grond niet objectief bepaald behoefde te worden, maar dat kon worden volstaan met een verwijzing naar de voor het jaar 2000 op de voet van artikel 25b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 genomen beschikking. De terbeschikkingstellingsregeling werd vervolgens door de inspecteur foutief geïnterpreteerd en toegepast, aldus de gemachtigde van belanghebbende. Het hof ziet niet in dat op grond van het vorenstaande sprake is van een vorenbedoelde bijzondere omstandigheid, temeer niet omdat namens belanghebbende in de herziene versie van het beroepschrift d.d. 30 augustus 2006 nog twee verschillende standpunten worden ingenomen en belanghebbende pas voor wat betreft het tweede standpunt door de rechtbank, zelfs op grond van andere waarden van de percelen grond dan in het voormelde beroepschrift gesteld, in het gelijk is gesteld. Bovendien werd door de gemachtigde van belanghebbende in de bezwaarfase nog een geheel ander standpunt ingenomen. Van een handelen van de inspecteur in de zin van het onder 4.3 genoemde arrest is naar het oordeel van het hof derhalve geen sprake.

4.5 Vervolgens stelt belanghebbende dat de omvang van de afwijking op de aangifte (zie 2.4) een zorgvuldig en degelijk onderzoek door de inspecteur naar de waardeontwikkeling van de percelen grond had gerechtvaardigd. Het nalaten daarvan levert volgens hem een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit op. Ook hierin volgt het hof belanghebbende niet. Belanghebbende was namelijk zelf verantwoordelijk de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te laten invullen. De rubriek resultaat uit overige werkzaamheden was niet ingevuld. Dat achteraf die inkomsten op nihil zijn gesteld, doet niet af aan de omstandigheid dat de accountant van belanghebbende de aangifte niet juist heeft ingevuld. Het bewijsrisico ten aanzien van afwijkingen van de aangifte ligt over het algemeen bij de inspecteur als hij stelt dat een belastingplichtige meer inkomen heeft genoten dan in de aangifte is opgegeven. Echter, met het oog op de aanslagregeling over het jaar 2000 waarin een deel van de op het jaar 2001 betrekking hebbende geschilpunten ook toen aan de orde is gekomen -alhoewel deze betrekking hadden op de bron "inkomsten uit vermogen"-, had het op de weg van belanghebbende gelegen dat de aangifte 2001 op het punt van het resultaat van overige werkzaamheden informatie over het resultaat van de terbeschikkingstellingsregeling zou bevatten. In het licht daarvan, alsmede in het licht van de onjuist ingevulde aangifte IB/PV 2001 kan de inspecteur redelijkerwijs dan geen verwijt worden gemaakt als bedoeld onder 4.3.

4.6 Het overwogene onder 4.4 en 4.5, alsmede dat anderszins evenmin van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit is gebleken, brengt het hof tot de conclusie dat de rechtbank voor het vaststellen van de ter zake van de beroepsfase te vergoeden kosten terecht het forfaitaire puntensysteem van het Besluit heeft gehanteerd. Echter, in het gewicht van de zaak waaronder het belang ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor te verhogen van 1 naar 1,5 hetgeen resulteert in een proceskostenvergoeding van de kosten van de gemachtigde in de beroepsfase in eerste aanleg van € 966, -.

4.7 Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in de door haar vastgestelde proceskosten ten onrechte de kosten van het taxatierapport van de heer C niet meegenomen. Mede met in achtneming van de waardering door de heer C van de volle eigendom van de percelen grond per 31 december 2001 is namelijk het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. Gelet op de datum van de opdrachtverstrekking (7 juni 2006) kan ook gesteld worden dat het taxatierapport is opgemaakt ten behoeve van de beroepsprocedure. Op grond van het bepaalde in artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht jo. de artikelen 6 en 15 van het Besluit tarieven in strafzaken berekent het hof de voor vergoeding in aanmerking te komen kosten van het taxatierapport op € 571,20. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de waarderingen van de percelen grond en het daartoe opgemaakte rapport redelijkerwijs een tijdsbestek van 12 uren betreffen. Het daarbij redelijk te achten uurtarief stelt het hof (ten opzichte van een maximaal uurtarief van € 81,23) vast op € 40, - (exclusief omzetbelasting). De noodzaak van het terreinbezoek E ziet het hof niet in. De kosten van de onderhandelingen/besprekingen door de heer C met de belastingdienst, alsmede de reiskosten, behoren niet tot de kosten van het taxatierapport, zodat het hof deze kosten buiten beschouwing laat. De kadasterkosten ad € 801, - komen op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit wel voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt niet voor de kopieerkosten en portikosten. Deze vallen onder de normale kantoorkosten. Het totale bedrag ter zake van het taxatierapport dat voor vergoeding in aanmerking komt is derhalve € 1.372,20.

4.7 De slotsom is dat het hoger beroep ten dele doel treft. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof bepaalt deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op € 644, -.

6. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover die ziet op de proceskostenveroordeling in beroep;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van het (hoger) beroep van belanghebbende vast te stellen op € 2.982,20;

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden; en

gelast de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht in verband met het hoger beroep ad € 106, - aan hem te vergoeden;

Aldus vastgesteld door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, mr. B.J.J. Melssen, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 25 april 2008 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen

verzonden op 29 april 2007

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.