Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD0490

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
0700695
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na ontheffing van de moeder van het gezag over een onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst kind (sinds de geboorte oefende de moeder van rechtswege alleen het ouderlijk gezag uit), krijgt de vader het gezag, terwijl het kind toch niet bij hem moet komen wonen. Het hof acht art. 1:274 lid 2 BW als criterium van toepassing en geeft Bureau Jeugdzorg twee maanden de tijd om afspraken te maken of anderszins een regeling te treffen om de verblijfplaats van het kind elders te garanderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 23 april 2008

Rekestnummer 0700695

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. P.R. van den Elst,

advocaat mr. J. de Graaf,

tegen

1. [de moeder],

wonende, althans verblijvende te [woon-/verblijfplaats moeder],

hierna te noemen: de moeder,

niet in rechte verschenen;

2. de raad voor de kinderbescherming, vestiging Groningen,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: de raad;

3. Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: BJZ;

geïntimeerden/belanghebbenden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 5 juli 2007 heeft de rechtbank Groningen (verder te noemen: de rechtbank) het verzoek van de vader tot wijziging van het gezag over de minderjarige [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige]), geboren [in] 2005, en het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader, afgewezen. Bij dezelfde beschikking heeft de rechtbank de moeder op verzoek van de raad ontheven van het gezag over [de minderjarige] en BJZ tot voogdes over [de minderjarige] benoemd.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 4 oktober 2007, heeft de vader verzocht de beschikking van 5 juli 2007 te vernietigen en opnieuw beslissende

te bepalen dat hij met het gezag over [de minderjarige] belast wordt en voorts dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij hem zal hebben.

BJZ heeft bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 22 oktober 2007, - zakelijk weergegeven - verzocht het verzoek van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

De raad heeft ter zitting zijn standpunt meegedeeld en toegelicht.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de moeder geen verweerschrift ingediend. Ook is de moeder bij de behandeling van de zaak niet aanwezig geweest.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 24 oktober 2007 van de raad, brieven van mr. Van den Elst d.d. 9 november en 6 december 2007 met bijlagen en een brief van BJZ d.d. 3 maart 2008.

Ter zitting van 10 maart 2008 is de zaak behandeld.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is, [in] 2005, [de minderjarige] geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend. In juni 2005 is de relatie verbroken. Sedert de geboorte van [de minderjarige] oefent de moeder van rechtswege alleen het gezag over haar uit. Bij beschikking van 8 februari 2006 heeft de kinderrechter in de rechtbank [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gegeven; deze beslissingen zijn naderhand bekrachtigd en verlengd.

2. Bij inleidend verzoekschrift van 4 april 2006 heeft de vader de rechtbank (sector kanton) verzocht zoals onder Het geding in eerste aanleg is weergegeven. De kantonrechter heeft bij beschikking van 10 mei 2006 de raad verzocht een onderzoek in te stellen, en heeft bij beschikking van 22 december 2006 met ingang van die datum de vrouw geschorst in de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] en BJZ met de tijdelijke voogdij over [de minderjarige] belast, welke laatstbedoelde maatregel bij beschikking van 14 maart 2007 ingaande 22 maart 2007 is verlengd voor de duur van twee maanden.

3. De raad heeft bij rapport, gedateerd 23 november 2006, geadviseerd het gezag over [de minderjarige] aan de vader toe te wijzen, maar de beslissing met betrekking tot het hoofdverblijf aan te houden.

4. Op 2 mei 2007 heeft de raad bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend waarin wordt verzocht de moeder van het gezag over [de minderjarige] te ontheffen en BJZ tot voogdes te benoemen. Het onderliggend rapport van 26 april 2007 vermeldt dat het de raad niet is gelukt contact te hebben met de moeder, die reeds geruime tijd uit beeld was en geen invulling aan het gezag gaf, en dat de vrees bestaat dat de vader niet aan [de minderjarige]'s opvoedingsbehoeften kan voldoen, nu hij geen opvoedervaring heeft, in een instabiele situatie verkeert en weinig oog heeft voor de kwetsbaarheid van zijn kind. De raad acht het daarom in [de minderjarige]'s belang niet wenselijk dat de vader met het gezag over haar wordt belast dan wel dat haar hoofdverblijf bij hem zal zijn.

5. Na een mondelinge behandeling op 10 mei 2007 van de gevoegde verzoeken heeft de rechtbank bij beschikking van 5 juli 2007 beslist zoals hiervoor weergegeven onder Het geding in eerste aanleg.

Het hoger beroep van de vader is gericht tegen deze beschikking, voor zover daarin afwijzend is beslist op zijn verzoek om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten met bepaling dat [de minderjarige]'s hoofdverblijf bij hem zal zijn.

Het wettelijk kader

6. Artikel 1:253c BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten. Oefent de moeder het gezag uit, dan wordt het verzoek slechts ingewilligd wanneer dat in het belang van het kind wenselijk is; oefent een voogd het gezag uit, dan wordt het verzoek slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

7. Het bepaalde in artikel 1:274 lid 2 BW brengt - voor zover hier van belang - mee dat ingeval van ontheffing van een ouder een verzoek van de andere ouder om met het gezag te worden belast slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

De ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek m.b.t. het gezag

8. De vader heeft op 9 mei 2005 [de minderjarige] erkend en is daardoor haar juridische vader. Hij is tot het gezag bevoegd en heeft nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uitgeoefend. De vader kan derhalve ontvangen worden in zijn verzoek om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten.

De overwegingen

9. Het hof leest het verzoek van de vader in appel aldus dat de ontheffing van de moeder uit het gezag over [de minderjarige] niet ter discussie staat. In geschil is alleen de vraag of, naar aanleiding en als gevolg van die ontheffing, de vader dan wel BJZ met het gezag over [de minderjarige] moet worden belast.

10. De vader is van mening dat hij de aangewezen persoon is om met het gezag over [de minderjarige] te worden belast. De raad heeft dit in eerste instantie ook geadviseerd, maar is daarop in een later stadium teruggekomen omdat zijn nieuwe partner de nodige onrust en problematiek met zich mee zou brengen. De vader betwist dit. Hij stelt dat zijn gezinssituatie stabiel is; de dochter van zijn partner, die uit huis was geplaatst, is sinds 25 augustus 2007 weer thuis en dat gaat goed. Er is hulp, onder meer in de vorm van video hometraining; deze wordt thans afgebouwd. De vader acht het laatste rapport en advies van de raad niet juist, nu het op een achterhaalde situatie is gebaseerd.

De vader realiseert zich dat het voor [de minderjarige]'s ontwikkeling beter is dat zij voorlopig in het huidige pleeggezin opgroeit; hij meent dat plaatsing in zijn eigen gezin niet binnen een jaar mogelijk zal zijn. Hij stelt het belang van een goede ontwikkeling van zijn dochter voorop.

11. BJZ heeft er op gewezen dat [de minderjarige] een kwetsbaar kind is, in hechting en in ontwikkeling. [de minderjarige]'s ontwikkeling dient gewaarborgd te worden door haar in het huidige pleeggezin te laten opgroeien. De vader heeft geen opvoedingservaring en de relatie met zijn partner duurt nog maar kort. Er is nog onvoldoende rust in de situatie van de vader. BJZ verwijst ook naar de rapportage van de Base Groep Pleegzorg van 3 maart 2008, waarin wordt geadviseerd de plaatsing van [de minderjarige] in het huidige pleeggezin te continueren.

12. De raad stelt dat [de minderjarige] in de hechtingsfase zit en zich hecht aan de pleegmoeder. Onderzocht zou moeten worden in hoeverre een plaatsing op termijn in het gezin van de vader daarmee, uitgaande van het belang van [de minderjarige], te verenigen zou zijn. De raad heeft ter zitting gesteld dat, wanneer de vader het belang van [de minderjarige] vooropstelt en haar voorlopig in het huidige pleeggezin laat blijven, de raad ermee zou kunnen instemmen dat de vader het gezag over [de minderjarige] krijgt.

13. Het hof is er door de vader van overtuigd dat hij het belang van [de minderjarige] voorop stelt, en dat hij ook bereid en in staat is daar de gevolgen van te aanvaarden, hoezeer die vooralsnog ook tegen zijn wens om [de minderjarige] zelf op te voeden en te verzorgen ingaan. Juist nu de vader met nadruk gesteld heeft in te zien en te respecteren dat [de minderjarige] niet binnen een jaar in zijn eigen gezin zal kunnen worden geplaatst is het hof van oordeel dat er geen gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek van de vader om met het gezag over [de minderjarige] te worden belast de belangen van [de minderjarige] zouden worden verwaarloosd. Daarmee is aan het criterium van artikel 1:274 lid 2 BW, dat het hof in deze situatie van toepassing oordeelt, voldaan.

14. De vader zal daarom met het gezag over [de minderjarige] worden belast. Aangezien hem daarmee van rechtswege de bevoegdheid zal toekomen te bepalen waar [de minderjarige] haar hoofdverblijf heeft, heeft hij bij behandeling van zijn verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem geen belang, zodat hij daarin niet ontvankelijk zal worden verklaard.

15. Nu het hof het van cruciaal belang acht dat [de minderjarige], in elk geval vooralsnog, in het huidige pleeggezin zal blijven, zal het de gezagsuitoefening door de vader laten ingaan twee maanden na deze uitspraak, om de betrokken partijen de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode afspraken te maken en eventueel maatregelen te nemen ten aanzien van de voortzetting van het verblijf van [de minderjarige] in het huidige pleeggezin.

De slotsom

16. De beslissing waarvan beroep moet worden vernietigd voor zover daarbij BJZ tot voogdes over [de minderjarige] is benoemd. Beslist moet worden zoals hierna te vermelden.

De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt met ingang van 23 juni 2007 de beschikking van de rechtbank Groningen van 5 juli 2007 waarvan beroep, voor zover daarbij BJZ is benoemd tot voogdes over [de minderjarige], geboren [in] 2005;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

belast de vader met het gezag over [de minderjarige] met ingang van 23 juni 2007;

verklaart de vader niet ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Bosch en Asscheman-Versluis, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 23 april 2008, in bijzijn van de griffier.