Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD0008

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01654
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de overheid een ongerechtvaardigd begunstigend beleid voert ten aanzien van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid. Hiertoe wordt aangevoerd dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van

15 maart 1994 een sanctie niet aan een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kan worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof volgt dat echter niet uit voormeld arrrest van de Hoge Raad. Geen schending gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2008, 68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 07/01654

14 februari 2008

CJIB 49100976050

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 18 oktober 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts,

wonende te Beegden.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “de doorgetrokken streep overschrijden tussen rijstroken / op paden met verkeer in beide richtingen naar links”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 december 2006 om 17.45 uur op de Napoleonsweg te Nunhem met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3.2. De gemachtigde bestrijdt dat de gedraging is verricht en is van mening dat de kantonrechter ten onrechte meer waarde heeft toegekend aan de verklaring van de verbalisant dan aan de overgelegde getuigenverklaringen. Mede omdat uit online te raadplegen RDW-voertuiggegevens blijkt dat één enkel afwijkend karakter in het kenteken leidt tot meerdere voertuigen met dezelfde uiterlijke kenmerken (merk en type) als het voertuig van de betrokkene, twijfelt de gemachtigde aan de verklaring van de verbalisant.

3.3. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in dat een groene Peugeot 406 met het kenteken [kenteken] een voor hem rijdend voertuig inhaalde en daarbij de dubbele doorgetrokken streep overschreed. Voorts heeft de verbalisant bij proces-verbaal d.d. 11 juni 2007 een foto gevoegd waarop de dubbele doorgetrokken streep op de Napoleonsweg te Nunhem zichtbaar is.

3.4. De door de gemachtigde overgelegde, door twee getuigen ondertekende, getuigenverklaring houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in dat het voertuig met het kenteken [kenteken] op 9 december 2006 tot 19.00 uur op de oprit heeft gestaan bij de woning gelegen aan [adres] 3 te [woonplaats].

3.5. In aanmerking genomen dat de verklaring van de verbalisant op ambtseed is afgelegd en de gedraging is verricht op slechts een paar kilometer afstand van de woning van de betrokkene, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De andersluidende getuigenverklaring brengt het hof niet tot een ander oordeel. Derhalve is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene.

3.6. Voorts stelt de gemachtigde zich nog op het standpunt dat de verbalisant het proces-verbaal te laat heeft ingediend. Gelet op de Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften dient de gevraagde informatie binnen vier weken te zijn aangeleverd. Nu deze termijn is overschreden is de gemachtigde van mening dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden.

3.7. Het hof stelt allereerst vast dat het verzoek om aanvullende informatie van de CVOM aan de politie is gedaan, nadat de betrokkene beroep bij de kantonrechter had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, houdende afwijzing van zijn beroep tegen de inleidende beschikking.

3.8. In aanmerking nemende dat het niet aannemelijk is dat een voorschrift waaraan zo’n strenge sanctie is verbonden, is geschreven voor een situatie waarin de wet niet voorziet, verstaat het hof dit voorschrift aldus, dat het van toepassing is, in geval bij de politie informatie wordt gevraagd naar aanleiding van een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift, gericht tegen de inleidende beschikking (vgl. Hof Leeuwarden 1 februari 2001, VR 2001, 75). Het onderhavige voorschrift is derhalve niet van toepassing op het verzoek tot inlichtingen gedaan bij brief van 7 mei 2007. Hoewel de verbalisant niet binnen de in de Aanwijzing vermelde termijn de gevraagde informatie heeft geleverd, is er derhalve geen reden de inleidende beschikking op grond daarvan te vernietigen.

3.9. De gemachtigde van de betrokkene beroept zich tevens op het gelijkheidsbeginsel. Hij stelt zich op het standpunt dat de overheid een ongerechtvaardigd begunstigend beleid voert ten aanzien van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid. De gemachtigde voert aan dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 1994 een sanctie niet aan een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kan worden opgelegd. Derhalve is de betrokkene van mening dat de inleidende beschikking, gelet op het gelijkheidsbeginsel, vernietigd dient te worden.

3.10. Daargelaten of hetgeen wordt aangevoerd zou kunnen leiden tot de conclusie dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden, mist het feitelijke grondslag.

3.11. Artikel 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien een kenteken ten name van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid in het kentekenregister staat ingeschreven, dan dient de administratieve sanctie ingevolge artikel 5 WAHV aan die vennootschap als kentekenhouder te worden opgelegd.

3.12. Dat een sanctie niet aan een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kan worden opgelegd volgt evenmin uit het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 1994, (340-93-V). Het beroep op dit - niet gepubliceerde - arrest is naar het hof aanneemt gebaseerd op hetgeen daaromtrent wordt opgemerkt in "De wet Mulder, artikelsgewijs commentaar op de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften", van Rogier en Van der Hulst (vierde druk, p. 51).

In genoemd arrest wordt echter het door een vennootschap onder firma ingestelde beroep in cassatie verworpen.

De Hoge Raad overweegt: "Opmerking verdient nog het volgende. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, is de administratieve sanctie opgelegd aan de vennootschap onder firma (vof) [naam]. Bij genoemde stukken bevindt zich niet (een afschrift van) de aan de betrokkene gezonden beschikking waarbij deze sanctie is opgelegd, maar ook al zou daarop de aanduiding "vof" hebben ontbroken, dan brengt dit - anders dan de betrokkene [die overigens, zoals blijkt uit het beroepschrift, zelf deze aanduiding op haar briefhoofd ook weglaat] kennelijk meent - niet mee dat de sanctie aan "een handelsnaam" is opgelegd." .

3.13. Aangezien het door de gemachtigde van de betrokkene uitgangspunt onjuist is, is reeds daarom van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake.

3.14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

3.15. Nu de betrokkene in het ongelijk wordt gesteld acht het hof acht geen termen aanwezig het verzoek tot vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.