Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC9905

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01517
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Beroep tegen de beslissing van de officier van justitie tijdig ingesteld. de kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Inleidende beschikking dateert van 19 oktober 2004. Inmiddels is meer dan drie jaren verstreken, welke vertraging niet aan de betrokkene is te wijten maar deels aan onverklaarbare inactiviteit aan de zijde van de betrokken instanties. Mede gelet op de tijd die nog gemoeid zou zijn met terugwijzing van de zaak naar de kantonrechter, is het hof van oordeel dat de berechting niet meer zal plaatsvinden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Vernietiging inleidende beschikking.

Wetsverwijzingen
Algemene termijnenwet 1
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 07/01517

5 februari 2008

CJIB 59076058843

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 29 augustus 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. M.J.G. Schroeder,

kantoorhoudende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat het hof de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft - nadat het hof de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit niet tijdig zou zijn ingesteld. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep bij de kantonrechter te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt artikel 6:9 Awb dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3.3. Blijkens de gedingstukken is de beslissing van de officier van justitie op 7 mei 2005 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op zaterdag 18 juni 2005. Ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt een in de wet gestelde termijn die op een zaterdag eindigt echter verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Derhalve eindigde de termijn op maandag 20 juni 2005. Het beroepschrift, gedateerd 20 juni 2005, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 22 juni 2005 ter griffie van de rechtbank ontvangen, terwijl de envelop waarin het beroepschrift is verzonden blijkens het daarop geplaatste poststempel op 21 juni 2005 is afgestempeld. Derhalve is niet uitgesloten dat het beroepschrift na de lichting op 20 juni 2005, maar nog vóór 24:00 uur van die dag in de brievenbus is gedeponeerd. De envelop waarin het beroepschrift is verzonden zal in dat geval immers op 21 juni 2005 zijn afgestempeld. Nu het beroepschrift voorts binnen één week na afloop van de termijn is ontvangen, moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene tijdig beroep heeft ingesteld. Derhalve kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

3.4. Op grond van het voorgaande dient het hof in beginsel de zaak terug te wijzen naar de kantonrechter en dient de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam te beslissen met inachtneming van dit arrest.

3.5. In aanmerking genomen dat de inleidende beschikking van 19 oktober 2004 dateert en inmiddels meer dan drie jaar zijn verstreken, welke vertraging niet te wijten is aan de betrokkene maar deels aan onverklaarbare inactiviteit aan de zijde van de betrokken instanties, en gelet op de tijd die nog gemoeid zou zijn met de behandeling van de zaak na een tweede terugwijzing, is het hof van oordeel dat de berechting niet meer zal plaatsvinden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarom zal het hof niet handelen zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven, doch de zaak thans afdoen als na te melden.

3.6. Namens de betrokkene is verzocht de advocaat-generaal te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, met name in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.7. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking, berekend als volgt: voor het hoger beroepschrift 1 punt met toepassing van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht). Het hof zal derhalve de advocaat-generaal veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van (1 x € 322 x 0,25 =) € 80,50.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 7 mei 2005, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 59076058843 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

€ 45,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 80,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.