Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC9840

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
WAHV 07/00653
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaats van de gedraging niet juist in de inleidende beschikking vermeld. De betrokkene is staandegehouden. Bij de betrokkene bestaat geen misverstand omtrent hetgeen de betrokkene wordt verweten. Hof wijzigt in de inleidende beschikking de plaats van de gedraging.

Meting met lasergun. Er is verzuimd om in het proces-verbaal van de gedraging de afstand te vermelden van het meetmiddel tot de rijlijn. Het enkele feit dat is verzuimd om in het proces-verbaal de afstand van het emetmiddel tot de rijlijn te vermelden brengt niet mee dat zodanige twijfel ontstaat aan de betrouwbaarheid van de meting dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/17 met annotatie van Van der Hulst
VR 2008, 67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 07/00653

22 januari 2008

CJIB 99093663736

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht

van 3 mei 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De inhoud van het arrest van het hof van 24 augustus 2007 wordt hier overgenomen.

2. Het verdere procesverloop

Het hof heeft bij tussenarrest van 24 augustus 2007 de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

3. De verdere beoordeling

3.1. Voor zover de betrokkene zich op het standpunt heeft gesteld dat de inleidende beschikking dient te worden vernietigd omdat de plaats van staandehouding daarin niet juist is vermeld, overweegt het hof als volgt.

3.2. Het hof leidt uit de ter zitting door de gemachtigde van de advocaat-generaal overgelegde stukken af dat de snelheidsmeting is verricht op de Randweg. Voorts is aannemelijk geworden dat de betrokkene niet is staandegehouden op de Middenweg, maar op of nabij de kruising van de Randweg, Middenweg en Valleilaan, zoals door de betrokkene op een door haar overgelegde plattegrond is aangegeven. Daaruit blijkt dat de Randweg en de Middenweg ter hoogte van de kruising met de Valleilaan op elkaar aansluiten en een doorgaande weg vormen.

3.3. De memorie van toelichting op het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften houdt - voor zover van belang - in (Kamerstukken II, 1987/1988, 20329, nr. 3, p. 40):

"In de schriftelijke beschikking, waarbij de administratieve sanctie wordt opgelegd, dient voor de duidelijkheid van de justitiabele een korte omschrijving van de gedraging te worden opgenomen. In aanvulling op het commissie-voorstel is bepaald dat de beschikking gedagtekend dient te zijn. Tevens dient de beschikking de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats, waar de gedraging is geconstateerd, te vermelden. Op deze wijze wordt degene aan wie de sanctie wordt opgelegd, in staat gesteld om zelf na te gaan op welke gedraging de administratieve sanctie betrekking heeft".

Dit brengt mee, dat de omstandigheid dat de inleidende beschikking onjuistheden bevat, niet tot vernietiging van de beschikking behoeft te leiden ingeval die onjuistheden niet zodanig zijn, dat bij de betrokkene redelijkerwijs misverstand kan zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen (vgl. HR 20 april 1993, VR 1993/109).

3.4. Nu de betrokkene is staandegehouden en uit hetgeen zij heeft aangevoerd is gebleken dat bij haar geen misverstand bestaat omtrent hetgeen haar wordt verweten, geeft het enkele feit dat in de beschikking de plaats van de gedraging niet juist is vermeld, geen aanleiding tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het hof zal de inleidende beschikking wijzigen voor zover daarin als plaats van de gedraging "Middenweg" is vermeld.

3.5. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het verzuim van de verbalisant, om in het proces-verbaal van de gedraging de afstand te vermelden van het meetmiddel tot de rijlijn, geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting en daarom niet behoeft te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking.

3.6. Het hof stelt vast dat in het onderhavige geval de voorschriften ten aanzien van het proces-verbaal niet zijn nageleefd. Met betrekking tot de vraag of, en zo ja welke, gevolgen daaraan dienen te worden verbonden acht het hof doorslaggevend of aannemelijk is dat door dit verzuim de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting zodanig is aangetast dat in redelijkheid niet vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

3.7. De beleidsregels vervat in de "Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers" van het College van procureurs-generaal hebben tot doel een uniforme handhaving te bewerkstelligen voor onder meer snelheidsoverschrijdingen (Stcrt. 31 december 2002, nr. 49/pag.18, 1).

3.8. In een strafzaak betreffende een met behulp van een laserapparaat gemeten snelheidsovertreding heeft het hof in zijn arrest van 7 december 2007 (LJN BB9617) overwogen, dat de omstandigheid dat de afstand tot de rijlijn niet in het proces-verbaal is opgenomen niet meebrengt dat het resultaat van de meting niet tot het bewijs van het strafbare feit kan worden gebezigd. Dit oordeel berust - zakelijk weergegeven - op de omstandigheid dat (anders dan bij de radarapparatuur) de hoek waaronder gemeten wordt geen invloed heeft op het door het laserapparaat weergegeven resultaat en voorts op de ratio van het vermelden van de afstand tot de rijlijn in het proces-verbaal. Deze is gelegen in het feit dat door de vermelding van zowel de afstand tot de rijlijn als de afstand tot het gemeten voertuig, de hoek waaronder is gemeten - en daarmee het zogenoemde cosinuseffect - kan worden bepaald. Indien het voertuig recht van voren of van achteren wordt gemeten (en de afstand tot de rijlijn dus gelijk is aan nul) is de gemeten snelheid gelijk aan de werkelijke snelheid. Is de hoek waaronder wordt gemeten maximaal, d.w.z. negentig graden, dan is de gemeten snelheid ongeacht de werkelijk gereden snelheid gelijk aan nul. Teneinde de werkelijk gereden snelheid zo dicht mogelijk te benaderen is het wenselijk dat cosinuseffect te minimaliseren. Dit wordt bereikt door de hoek waaronder wordt gemeten zo klein mogelijk te houden. In de praktijk wordt voorgeschreven dat de afstand tot de rijlijn niet groter mag zijn dan een tiende van de afstand tot het gemeten voertuig. Indien die verhouding 1:10 wordt gehanteerd wijkt de gemeten snelheid niet meer dan 0,5% af van de werkelijk gereden snelheid. Naarmate de hoek waaronder wordt gemeten groter is, wordt de gemeten snelheid in verhouding tot de werkelijk gereden snelheid lager, hetgeen dus in het voordeel van de betrokkene is.

3.9. Het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het enkele feit dat is verzuimd in het proces-verbaal de afstand van het meetmiddel tot de rijlijn te noteren, niet meebrengt dat zodanige twijfel ontstaat aan de betrouwbaarheid van de meting dat daardoor niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Gelet op het overwogene onder 3.8. is immers aannemelijk dat de door de betrokkene gereden snelheid overeenkomt met de gemeten snelheid, dan wel hoger is geweest dan de gemeten snelheid.

Nu de betrokkene voor het overige niets heeft aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de meting, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie van 16 augustus 2006 en de inleidende beschikking voor zover daarin als de plaats van de gedraging is vermeld "Middenweg" en wijzigt dit in

"op het kruispunt Randweg, Middenweg, Valleilaan";

bevestigt voor het overige de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Wagtendonk, voorzitter, Dijkstra en Weenink in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.