Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC9764

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
0700115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beding is, anders dan Sixt betoogt en de kantonrechter heeft overwogen, geen beding dat de omvang van de dekking van een (casco)verzekering bepaalt of beperkt. Uit hetgeen partijen hebben gesteld over de verzekering volgt niet dat de overeenkomst tevens een verzekeringsovereenkomst is in de zin van artikel 7:925 BW. Gesteld noch gebleken is immers dat Sixt zich tegen betaling door [appellant] aan haar van premie heeft verbonden om aan [appellant] een uitkering te doen wanneer zich een onzeker voorval voordoet. Het hof laat nog daar dat evenmin gesteld is dat Sixt bevoegd is als verzekeraar op te treden. Aan het bovenstaande doet naar het oordeel van het hof niet af dat bij het aangaan van de overeenkomst gesproken is over een "casco verzekering" en dat in het contract het begrip "dekking" is gebruikt. Het hof gaat er van uit dat bedoeld is aan te geven dat het gebruik van de auto onder de dekking van een door Sixt afgesloten verzekering - met verschillende dekkingsmogelijkheden (en daarvan afgeleide huurtarieven): WA, casco en casco met dekking tegen diefstal - viel, waarbij de keuze voor de dekking gevolgen had voor de aansprakelijkheid van [appellant] jegens Sixt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 16 april 2008

Rolnummer 0700115

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. S.L. Elzinga,

tegen

SIXT B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Sixt,

procureur: mr. J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 23 november 2006 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton locatie Heerenveen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 januari 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Sixt tegen de zitting van 28 februari 2007.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij vier producties zijn overgelegd, luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad;

Het vonnis, op 23 november 2006 onder rolnummer 193919 CV EXPL 06-756 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen tussen partijen gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het beding met de tekst:

"Bij schade ontstaan door het niet inachtnemen van voertuigafmetingen, in het bijzonder de doorrijhoogte en - breedte, en door niet vastgemaakte lading, is de huurder, ook bij afkoop van het eigen risico volledig aansprakelijk."

te vernietigen, subsidiair op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en derhalve niet van toepassing te verklaren, en de vorderingen van Sixt alsnog af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen [appellant] uit hoofde van voornoemd uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis aan geïntimeerde heeft betaald, voorzover het een bedrag van € 500.-- te boven gaat, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Sixt, onder het overleggen van drie (uit de procedure in eerste aanleg reeds bekende) producties, verweer gevoerd met als conclusie dat het hof:

"zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, zal bevestigen het vonnis d.d. 23 november 2006 van de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen, tussen partijen gewezen met veroordeling van appellant in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter in rechtsoverweging 2 zijn geen grieven gericht, zodat ook in hoger beroep van deze feiten kan worden uitgegaan.

2. Met inachtneming van de door de kantonrechter vastgestelde feiten en van hetgeen door partijen overigens, niet (voldoende) betwist door de andere partij, is gesteld, staat omtrent de feiten het volgende vast.

2.1. [appellant] heeft op 13 mei 2005 een bestelauto van het type Mercedes-Benz Sprinter bij Sixt gehuurd. Bij de huurovereenkomst ten aanzien van deze bestelauto was een cascoverzekering - met een eigen risico van € 500,00 - inbegrepen.

2.2. Bij het sluiten van de huurovereenkomst heeft Sixt een schriftelijk stuk opgemaakt, dat door [appellant] is ondertekend. Het stuk bevat de volgende tekst:

HUUROVEREENKOMST Nr. 6190000582 0 XXX H

Klantennummer: 6190000582

Vertrek: 13.05.2005 17.00 HEERENVEEN DT Intern nummer: 00111112043

Terugkomst: 14.05.2005 18.00 HEERENVEEN DT Kenteken: 42-BJ-PP

Km-stand: 62486 Tel.nr.: 0 Type auto: MB SPRINTER 413

Auto staat op Order-Nr.:

Res-Nr. : 6190000233

Huurder 1: Bestuurder Huurder 2: Bedrijf

[achternaam appellant]

[voorletters appellant]

[woonadres appellant]

Rijbewijs: [rijbewijsnummer appellant]

Tarief: NLLKWOOD LC Agent:

--------------------------------------------------AANTAL------PRIJSSPECIFICATIE-----------------------

Huurdagen (per dag) 1 x 103,00 103,00 EUR

Inklusief 100 kilometers

Kilometers 1 0,18 EUR

Blijvend eigen risico per schadegeval: EUR 500,00

Huurder wenst bij navraag geen dekking tegen diefstal.

Deposit: 500 EUR

Betalingswijze: CA

Reizen naar Albanie, Bosnie-H., Bulgarije, Griekenland, Noord Afrika,

Roemenie, Rusland, Servie, Montenegro, Turkije, Ukraine en Belarus zijn niet

toegestaan. Met personenauto's van de merken Mercedes, BMW, VW, Audi en al de

4x4/Offroad zijn reizen naar Estland, Kroatie, Letland, Litauen, Polen,

Slowakije, Slovenje, Tsjechie en Hongarije niet toegestaan (uitgezonderd:

bedrijfswagens en MPV'S). Met Mercedes SL, CL & Porsche mag uitsluitend in

Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland gereden worden.

Hierbij aanvaard ik de algemene Sixt huurvoorwaarden, de voorwaarden van de

Sixt Express Master Agreement alsook de voorwaarden van de creditcard-

organisatie voor deze en toekomstige huurovereenkomsten.

Bij schade ontstaan door het niet inachtnemen van voertuigafmetingen, in het

bijzonder de doorrijhoogte en -breedte, en door niet vastgemaakte lading is

de huurder ook bij de afkoop van het eigen risico volledig aansprakelijk.

De bevoegde rechtbank is het gerechtshof van Amsterdam.

In ieder verhuurkantoor bevindt zich een kopie van de algemene Sixt

huurvoorwaarden en voorwaarden van de Sixt Express Master Agreement.

U werd geholpen door mevrouw [betrokkene]

Hartelijk dank voor uw vertrouwen in Sixt - Goede reis !

Handtekening: (Prijzen excl. BTW)

6190000582 0

2.3. Op de avond van 13 mei 2005 is [appellant] met de bestelauto tegen (de onderzijde van) een viaduct gereden. Daardoor is forse schade aan het dak van de bestelauto ontstaan. De totale schade is vastgesteld op een bedrag van € 7.904,87.

2.4. Sixt heeft [appellant] aansprakelijk gesteld en aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade. [appellant] heeft zijn aansprakelijkheid betwist, behoudens het in zijn visie overeengekomen eigen risico ad € 500,00.

De grieven

3. [appellant] heeft zich tegen de vordering van Sixt verweerd. Hij heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de in het contract vermelde bepaling betreffende de doorrijhoogte en -breedte (hierna: het beding), die volgens hem een algemene voorwaarde is. In hoger beroep betoogt [appellant], subsidiair, dat het beroep van Sixt op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4. De kantonrechter heeft overwogen dat het beding een kernbeding is, zodat vernietiging van het beding op grond van artikel 6:233 BW om die reden niet aan de orde is. Met de grieven 1 en 2, die het hof tezamen zal behandelen, komt [appellant] tegen dit oordeel op.

5. Dat het beding voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste en het bestemmingscriterium van artikel 6:231 sub a BW staat, terecht, niet ter discussie tussen partijen. Het beding is in een schriftelijk contract opgenomen en het heeft een standaardkarakter. Het wordt standaard afgedrukt op het contract dat Sixt aan haar huurders meegeeft. Het beding voldoet dan ook aan de omschrijving van art. 6:231 sub a BW, tenzij het een kernbeding is, zoals de kantonrechter heeft overwogen en Sixt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft betoogd, maar [appellant] betwist.

6. Het hof stelt bij het antwoord op de vraag of sprake is van een kernbeding voorop dat, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 19 september 1997, NJ 1998, 6 en 21 februari 2003, NJ 2004, 567) het begrip kernbeding zo beperkt mogelijk moet worden opgevat, waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaaldheid van de verbintenissen, niet tot stand komt. Van belang is of het beding van zo wezenlijke betekenis is dat de overeenkomst zonder dit beding niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn. Deze beperkte uitleg, die zijn basis vindt in de parlementaire geschiedenis (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), pag. 1521, 1527 en 1533 komt ook tegemoet aan de voor overeenkomsten met consumenten vereiste richtlijnconforme uitleg, nu artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13/EEG opteert voor een beperkte uitleg.

7. De overeenkomst tussen partijen is een huurovereenkomst. De essentialia van een dergelijke overeenkomst zijn, zo volgt uit artikel 7:201 BW, het verschaffen van het tijdelijk gebruik van een zaak en de tegenprestatie voor dat gebruik. Bepalingen omtrent de aansprakelijkheid van de huurder (bij het niet teruggeven van het gehuurde in dezelfde staat na afloop van de huurperiode) maken, ofschoon niet onbelangrijk, in beginsel geen deel uit van de essentie van een huurovereenkomst.

8. Het beding betreft de aansprakelijkheid van de huurder. Het beding komt er in essentie immers op neer dat de huurder, overigens overeenkomstig de hoofdregel van artikel 7:218 BW, volledig aansprakelijk is voor schade aan het gehuurde als gevolg van aan hem toerekenbaar tekortschieten bij het in acht nemen van de voertuigafmetingen, ook wanneer het eigen risico is afgekocht.

9. Het beding is, anders dan Sixt betoogt en de kantonrechter heeft overwogen, geen beding dat de omvang van de dekking van een (casco)verzekering bepaalt of beperkt. Uit hetgeen partijen hebben gesteld over de verzekering volgt niet dat de overeenkomst tevens een verzekeringsovereenkomst is in de zin van artikel 7:925 BW. Gesteld noch gebleken is immers dat Sixt zich tegen betaling door [appellant] aan haar van premie heeft verbonden om aan [appellant] een uitkering te doen wanneer zich een onzeker voorval voordoet. Het hof laat nog daar dat evenmin gesteld is dat Sixt bevoegd is als verzekeraar op te treden. Aan het bovenstaande doet naar het oordeel van het hof niet af dat bij het aangaan van de overeenkomst gesproken is over een "casco verzekering" en dat in het contract het begrip "dekking" is gebruikt. Het hof gaat er van uit dat bedoeld is aan te geven dat het gebruik van de auto onder de dekking van een door Sixt afgesloten verzekering - met verschillende dekkingsmogelijkheden (en daarvan afgeleide huurtarieven): WA, casco en casco met dekking tegen diefstal - viel, waarbij de keuze voor de dekking gevolgen had voor de aansprakelijkheid van [appellant] jegens Sixt.

10. Het hof stelt voorts vast dat Sixt de stelling van [appellant] niet heeft weersproken dat partijen niet onderhandeld hebben over het beding. Het hof zal er dan ook van uitgaan dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst wel hebben gesproken over een huur(tarief) inclusief een cascodekking met een eigen risico van € 500,00 en niet over het beding.

11. Naar het oordeel van het hof heeft Sixt in het licht van het bovenstaande onvoldoende onderbouwd dat het beding een kernbeding in de zin van artikel 6:231 sub a BW is. De grieven slagen derhalve. Hierna zal blijken of dit [appellant] kan baten.

12. De kantonrechter heeft het beding in stand gelaten. Grief 3 komt daartegen op. In de toelichting op deze grief betoogt [appellant] dat het beding, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 sub a BW is. Sixt heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd weersproken.

13. Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar indien het gelet op de in artikel 6:233 sub a BW genoemde omstandigheden onredelijk bezwarend is. Bij de toetsing aan de norm van artikel 6:233 sub a BW komt het inderdaad, zoals Sixt opmerkt, aan op de beoordeling van de eventuele onredelijk bezwarende gevolgen waaraan het beding de wederpartij van aanvang af blootstelt, waarbij geabstraheerd dient te worden van de vraag of die nadelige gevolgen zich daadwerkelijk hebben gerealiseerd (HR 23 maart 1990, NJ 1991, 214). Bovendien dient de norm, nu het een overeenkomst met een consument betreft, richtlijn-conform geïnterpreteerd te worden. In dit kader is van belang dat artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG een beding als "oneerlijk" beschouwt indien het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Indien een beding verrassend is, in die zin dat de wederpartij het beding niet in redelijkheid hoefde te verwachten, vormt dat een aanwijzing voor de oneerlijkheid van het beding.

14. Bij de beoordeling van het beroep op het onredelijk karakter van het beding neemt het hof, ook in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, de volgende aspecten in aanmerking.

15. De aard en inhoud van de overeenkomst: De overeenkomst brengt met zich dat [appellant], als consument, gedurende korte tijd tegen betaling van een relatief gering bedrag, € 103,00, een voertuig met een voor hem grote financiële waarde mag gebruiken van een professionele verhuurder. Omdat [appellant] als huurder gehouden is het voertuig in goede staat af te leveren, zijn voor hem aan dat gebruik grote financiële risico's verbonden, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat ook een slechts geringe fout van [appellant] voor grote schade kan zorgen. In dat licht bezien is het niet verwonderlijk dat Sixt haar huurders de gelegenheid biedt dat risico (grotendeels) af te dekken en dat [appellant], zich kennelijk bewust van het risico, van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Partijen zijn immers een "blijvend eigen risico per schadegeval" van € 500,00 overeengekomen.

16. Het verrassende karakter van het beding: Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard en inhoud van de overeenkomst, heeft het beding naar het oordeel van het hof een verrassend karakter. Het beding leidt er immers toe dat in bepaalde situaties, te weten die van schade als gevolg van het niet in acht nemen van de afmetingen van het voertuig, het risico van [appellant] niet beperkt is tot

€ 500,00, maar onbeperkt is, of hooguit beperkt is tot de waarde van de gehuurde bestelbus. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de situatie waarop de beperking betrekking heeft, anders dan Sixt lijkt te betogen, geenszins, en zeker niet per definitie, het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de bestuurder. Zonder nadere toelichting, die echter ontbreekt, valt niet in te zien waarom een bestuurder die zich vergist in de hoogte van het voertuig - een hoogte die in zijn algemeenheid afwijkend zal zijn van die van zijn eigen auto - een ernstiger verwijt treft dan de bestuurder die, bijvoorbeeld, bij het parkeren schade veroorzaakt of geen voorrang verleent. Juist het feit dat het beding ziet op iedere situatie van schade als gevolg van het niet in acht nemen van de voertuigafmetingen, zonder te onderscheiden tussen gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid en onachtzaamheid, draagt bij aan het verrassende karakter van het beding.

17. De wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen: [appellant] heeft gesteld dat de inhoud van de voorwaarden, en in het bijzonder het beding, niet met hem besproken is bij het aangaan van de overeenkomst. Over het beding is volgens hem niet onderhandeld. Sixt heeft de stellingen van [appellant] op dit punt niet ondubbelzinnig weersproken. Haar opmerking (punt 32 van de memorie van antwoord) dat zij betwist dat "[appellant] in het geheel geen voorlichting over één en ander heeft gehad" is naar het oordeel van het hof niet als een deugdelijke betwisting te beschouwen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat Sixt bij het aangaan van de overeenkomst niet de aandacht heeft gevestigd op het beding en dat [appellant] pas bij het ondertekenen van het contract, waarop het beding van het beding heeft kunnen kennisnemen. Het hof tekent hierbij aan dat het beding niet op een prominente plaats was aangegeven, maar enigszins verscholen, na een aantal voor [appellant] niet relevante bepalingen over het gebruik van de auto in het buitenland.

18. De wederzijds kenbare belangen van partijen: Uit het feit dat [appellant] opteerde voor een casco dekking waardoor sprake zou zijn van een eigen risico van € 500,00, kon het Sixt kenbaar zijn dat [appellant] belang hechtte aan beperking van zijn risico. Dat belang ligt, naar het oordeel van het hof, overigens ook voor de hand. Sixt heeft niet uitdrukkelijk gesteld welk belang zij heeft bij het aangaan van het beding. Wel heeft zij betoogd dat zij wil voorkomen dat op roekeloze wijze met de auto wordt gereden. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat het veroorzaken van schade vanwege het niet (volledig) in acht nemen van de voertuigafmetingen, anders dan Sixt meent, geen opzet of bewuste roekeloosheid van de bestuurder impliceert.

19. De overige omstandigheden van het geval: [appellant] heeft een groot aantal omstandigheden opgesomd. Het hof zal die omstandigheden niet in aanmerking nemen, nu ze samenhangen met hetgeen hiervoor reeds is overwogen, dan wel, gelet op het gemotiveerde verweer van Sixt, onvoldoende onderbouwd zijn. Wel neemt het hof in aanmerking dat de schade waarvoor de huurder op grond van het beding aansprakelijk is niet in verhouding staat tot de door [appellant] verschuldigde huurprijs. De schade kan in een situatie waarin een nieuwe auto total loss wordt verklaard immers oplopen tot vele tienduizenden euro's.

Tevens neemt het hof in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat het risico van schade als gevolg van het niet in acht nemen van de voertuigafmetingen niet verzekerbaar is, hetgeen ook zeer onwaarschijnlijk zou zijn. Indien de door Sixt afgesloten verzekering dit type schades niet dekt - dat heeft Sixt overigens niet eens gesteld - gaat het hof er vanuit dat het een welbewuste keuze van Sixt is geweest om deze schades niet te verzekeren en/of om haar huurders niet de mogelijkheid te bieden om ook, al dan niet tegen meerprijs, te opteren voor dekking van het risico van schade vanwege het niet in aanmerking nemen van de voertuigafmetingen. Het beding wentelt de nadelige gevolgen van deze keuze volledig af op de huurder.

Tenslotte houdt het hof er rekening mee dat [appellant] wel kennis heeft kunnen nemen van het beding, nu het niet alleen (zij het op een weinig prominente plaats) op het contract was afgedrukt. Het hof gaat er daarbij veronderstellenderwijs - gezien het verweer van [appellant] op dit punt - vanuit dat het beding ook op een sticker op het raam van de auto was aangebracht. Dit laatste aspect ziet echter niet op de sluiting van de huurovereenkomst.

20. Alle voornoemde aspecten afwegend is sprake van een onredelijk bezwarend beding. Het hof kent daarbij vooral betekenis toe aan het, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, verrassende karakter van het beding, aan de omstandigheid dat er niet uitdrukkelijk op het beding gewezen is bij het aangaan van de huurovereenkomst en aan de omstandigheid dat niet gebleken is dat voor Sixt geen alternatieven bestonden om zich in te dekken tegen het risico van schade als gevolg van het niet in aanmerking nemen van de voertuigafmetingen. Aan dit oordeel doet niet af dat het beding wel voor [appellant] kenbaar was toen hij van de auto gebruik ging maken. Dit aspect heeft het hof wel meegewogen, in het voordeel van Sixt, maar het is bij het uiteindelijke oordeel over de kennelijke onredelijkheid van dit beding in een consumentenovereenkomst toch van onvoldoende gewicht.

21. De slotsom is dat het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van het beding slaagt. Sixt kan zich derhalve jegens [appellant] niet op het beding beroepen. Dat betekent dat [appellant] jegens Sixt slechts voor het bedrag van het overeengekomen eigen risico van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade aan de auto. De vordering van Sixt is dan ook slechts toewijsbaar tot dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente.

22. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [appellant] geen belang bij de bespreking van grief 4, die ziet op de verwerping door de kantonrechter van zijn subsidiaire verweer, inhoudende dat het beroep van Sixt op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

23. Sixt vordert de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2005. [appellant] is eerst wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment waarop hij in verzuim is komen te verkeren. Onduidelijk is op grond waarvan [appellant] op 5 augustus in verzuim kwam te verkeren ten aanzien zijn verplichting tot betaling van € 500,00. Van verzuim is in beginsel pas sprake indien een ingebrekestelling is uitgebracht dan wel een van de in artikel 6:83 BW vermelde situaties zich voordoet. Dat dit laatste het geval is, is gesteld noch gebleken. Alleen de, bij inleidende dagvaarding overgelegde, brief van de raadsman van Sixt aan [appellant] van 7 februari 2006 valt als een ingebrekestelling te beschouwen. In de brief wordt [appellant] een termijn van veertien dagen gesteld om alsnog te betalen. Vanaf het verstrijken van deze termijn, op 21 februari 2006, verkeerde [appellant] betreffende het bedrag van € 500,00 in verzuim. De wettelijke rente is dan ook eerst vanaf deze datum verschuldigd.

24. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen en [appellant], opnieuw rechtdoende, veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,00 met de rente daarover vanaf 21 februari 2006.

25. Zowel in eerste aanleg als in appel is Sixt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij aan te merken. Het hof zal haar dan ook in de proceskosten (salaris gemachtigde 2 punten ad € 200,00 respectievelijk salaris procureur 1 punt tarief I).

26. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen hij op grond van het vonnis van de kantonrechter aan Sixt betaald heeft, voor zover het een bedrag van

€ 500,00 met rente te boven gaat, is toewijsbaar.

27. De vordering van [appellant] tot vernietiging van het beding is, nu [appellant] terzake in eerste aanleg geen reconventionele vordering heeft ingesteld, niet toewijsbaar, nog daargelaten dat [appellant] geen belang heeft bij deze vordering.

De beslissing:

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan Sixt te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 februari 2006 tot aan het tijdstip van voldoening der vordering;

veroordeelt Sixt om aan [appellant] terug te betalen hetgeen [appellant] uit hoofde van het vernietigde vonnis aan Sixt betaald heeft, voor zover het een bedrag van € 500,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 februari 2006 te boven gaat;

veroordeelt Sixt in de proceskosten en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen:

voor de procedure in eerste aanleg op € 400,00 voor salaris gemachtigde;

voor de procedure in hoger beroep op € 335,31 aan verschotten en € 632,00 voor salaris procureur;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Rowel-van der Linde en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 16 april 2008 in bijzijn van de griffier.