Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC9757

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
0800229
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat de pleegouders in eerste aanleg niet door de kinderrechter in de procedure zijn betrokken, terwijl [minderjarige 1 en minderjarige 2] ten tijde van de behandeling in eerste aanleg (nagenoeg) een jaar respectievelijk bijna twee jaar verbleven bij de respectievelijke pleegouders. Door hen niet in de procedure te betrekken, is de pleegouders de mogelijkheid ontnomen om op grond van art. 358, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hoger beroep in te stellen als verschenen belanghebbenden.

Ondanks het vorenstaande is het hof van oordeel dat, nu zij [minderjarige 1 en minderjarige 2] inmiddels reeds langer dan een jaar hebben verzorgd en opgevoed, tussen de pleegouders en de kinderen sprake is van family life in de zin van art. 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Het bestaan van family life brengt naar 's hof oordeel met zich dat de pleegouders recht hebben op een effectieve toegang tot de rechter, zoals deze wordt gegarandeerd in art. 6 EVRM, om hun bezwaren tegen de beschikking van de kinderrechter kenbaar te maken en het door BJZ alleen in eerste aanleg ingediende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling opnieuw te laten toetsen in hoger beroep. Dit brengt mee dat de pleegouders kunnen worden ontvangen in het door hen ingestelde hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 17 april 2008

Rekestnummer 0800229

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

1. [appellanten 1],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: [de pleegouders van minderjarige 1] ,

2. [appellanten 2],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: [de pleegouders van minderjarige 2] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders,

procureur mr. J.V. van Ophem,

advocaat mr. V.C.T. van 't Westende Meeder,

Belanghebbenden:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats van de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

2. Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te Assen,

hierna te noemen: BJZ,

Informant:

Leger des Heils Pleegzorg,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: Pleegzorg.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 29 februari 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen onder meer de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in] 2003, en [minderjarige 2], geboren [in] 2005, met ingang van 1 maart 2008 verlengd tot 1 mei 2008.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 maart 2008, hebben de pleegouders verzocht de beschikking van 29 februari 2008 te vernietigen en, conform het inleidende verzoek, de uithuisplaatsing te verlengen tot 1 maart 2009.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 27 maart 2008, met bijlage, een brief van 31 maart 2008, met bijlagen, een faxbericht van 7 april 2008, met bijlagen, en een faxbericht van 8 april 2008, met bijlagen, alle van mr. Van 't Westende Meeder.

Ter zitting van 9 april 2008 is de zaak behandeld.

Verschenen zijn de pleegouders, bijgestaan door mr. Van 't Westende Meeder, dhr. Van Dijkhuizen namens BJZ, dhr. K. Schipper namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad), mevr. Roozekrans en mevr. Nauta namens Pleegzorg, bijgestaan door mr. M. Kramer. De moeder is circa vijftien minuten na aanvang van de mondelinge behandeling verschenen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van de pleegouders in het hoger beroep

1. Het hof stelt voorop dat de pleegouders in eerste aanleg niet door de kinderrechter in de procedure zijn betrokken, terwijl [minderjarige 1 en minderjarige 2] ten tijde van de behandeling in eerste aanleg (nagenoeg) een jaar respectievelijk bijna twee jaar verbleven bij de respectievelijke pleegouders. Door hen niet in de procedure te betrekken, is de pleegouders de mogelijkheid ontnomen om op grond van art. 358, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hoger beroep in te stellen als verschenen belanghebbenden.

2. Ondanks het vorenstaande is het hof van oordeel dat, nu zij [minderjarige 1 en minderjarige 2] inmiddels reeds langer dan een jaar hebben verzorgd en opgevoed, tussen de pleegouders en de kinderen sprake is van family life in de zin van art. 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Het bestaan van family life brengt naar 's hof oordeel met zich dat de pleegouders recht hebben op een effectieve toegang tot de rechter, zoals deze wordt gegarandeerd in art. 6 EVRM, om hun bezwaren tegen de beschikking van de kinderrechter kenbaar te maken en het door BJZ alleen in eerste aanleg ingediende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling opnieuw te laten toetsen in hoger beroep. Dit brengt mee dat de pleegouders kunnen worden ontvangen in het door hen ingestelde hoger beroep.

De inhoudelijke beoordeling

3. Het hof heeft in zijn beschikking van 8 augustus 2007 - die bij partijen bekend is - in de rechtsoverwegingen 16 en 17 reeds overwogen, dat er voldoende gronden waren voor een uithuisplaatsing van [minderjarige 1 en minderjarige 2] en de (toen aan de orde zijnde) verlenging daarvan. Het hof heeft daarbij voorts - zakelijk weergegeven - overwogen dat een thuisplaatsing van de minderjarigen, voordat er voldoende aanwijzingen zijn dat de moeder in staat is om een veilig en stabiel gezinsleven te kunnen bieden waarin de continuïteit van de dagelijkse verzorging en opvoeding is gewaarborgd, mede gezien de bij de minderjarigen levende (ontwikkelings)problematiek, in strijd is met de belangen van de kinderen. Voor de toekomst heeft het hof het - zakelijk weergegeven - noodzakelijk geacht dat inzicht wordt verkregen in de mogelijkheden van de moeder om de verzorging en opvoeding van de kinderen weer op zich te nemen en inzicht wordt verkregen in de wijze en de termijn waarop deze terugplaatsing, gezien in het belang van de kinderen, op verantwoorde wijze kan geschieden.

Het hof blijft bij deze overwegingen.

4. Het is het hof op grond van de stukken in het dossier en de behandeling ter zitting niet gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de moeder thans wel in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 en minderjarige 2] - die beide kampen met de nodige ontwikkelings- en hechtingsproblemen - weer op zich te nemen. Hoewel de moeder ter zitting heeft betoogd hiertoe wel in staat te zijn, heeft het hof, zowel gezien de inhoud van de stukken als op grond van het zeer ongestructureerde gedrag van de moeder - onder meer blijkende uit het feit dat zij zonder goede reden rijkelijk te laat ter zitting verscheen - en haar explosieve manier van reageren en communiceren ter zitting van 9 april 2008 - blijkende uit het feit dat zij continu op luide toon door de andere aanwezigen heen sprak en daarin niet (blijvend) was te corrigeren -, hiervan niet de overtuiging gekregen. Daaraan kan niet afdoen dat de moeder zich terecht beklaagt over de hierna (in r.o. 6) beschreven, door haar als uitzichtloos ervaren, situatie. Voor de gevoelens van onmacht en teleurstelling die deze situatie bij de moeder heeft opgeroepen, heeft het hof op zichzelf begrip. Dat levert echter nog geen rechtvaardiging voor de moeder op om geen hulp meer te wensen en enkel nog 'te willen genieten' van haar kinderen zodra zij zijn thuisgeplaatst. Ook van de moeder mag immers een actieve bijdrage worden verwacht aan het zoveel mogelijk wegnemen van de barrières die een thuisplaatsing van de kinderen beletten.

5. De beschikking zal gelet op het voorgaande worden vernietigd en de machtiging tot uithuisplaatsing - die door BJZ is verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling - zal vooralsnog worden verlengd voor de duur van zes maanden te rekenen vanaf 1 maart 2008.

6. Uit de uitlatingen van de moeder ter zitting en hetgeen namens BJZ ter zitting naar voren is gebracht, is echter pijnlijk duidelijk geworden dat BJZ weinig tot niets heeft gedaan met hetgeen het hof in de beschikking van 8 augustus 2007 heeft overwogen aangaande het verkrijgen van inzicht in de mogelijkheden van de moeder om de kinderen weer zelf te verzorgen en op te voeden, al kan het hof er enig begrip voor opbrengen dat dat, gelet op het gedrag en de houding van de moeder, niet eenvoudig is. Bovendien is ter zitting namens BJZ meegedeeld dat ook na de beschikking waarvan beroep door haar nog altijd geen aanvang is gemaakt met een voorbereiding tot thuisplaatsing van de kinderen in de door de kinderrechter gegeven termijn van twee maanden, terwijl zij evenmin aanleiding zag tot het instellen van een zelfstandig appel tegen de beschikking. De vertegenwoordiger van BJZ heeft ter verklaring aangevoerd dat van de zijde van BJZ geen appel is ingesteld omdat zij de gegeven twee maanden wilde gebruiken voor het onderzoeken van de mogelijkheden van een thuisplaatsing van de kinderen, maar vanwege het door de pleegouders ingestelde appel dit onderzoek heeft opgeschort.

7. Het hof is - nog daargelaten dat het de redenering van BJZ niet kan volgen - van oordeel dat de hiervoor geschetste impasse onaanvaardbaar is in het kader van een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing. Immers, nu bij een uithuisplaatsing dient te worden gestreefd naar een thuisplaatsing indien dat mogelijk is, dient op zijn minst genomen een onderzoek te worden gedaan naar de mogelijkheden daarvan. Een dergelijk onderzoek heeft nog altijd niet plaatsgehad.

8. Uit het vorenstaande volgt dat het hof onvoldoende is voorgelicht over de vraag of, en zo ja, op welke wijze en termijn het mogelijk is dat [minderjarige 1 en minderjarige 2] weer door de moeder kunnen worden verzorgd en opgevoed. De beslissing op het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling zal daarom voor de resterende periode ná de thans te geven verlengingstermijn van zes maanden worden aangehouden. Het hof zal een deskundige benoemen die bovenstaande vraag alsmede de eventuele door de pleegouders, de moeder, BJZ, Pleegzorg en de raad te formuleren specifieke vragen dient te beantwoorden. De pleegouders, de moeder, BJZ, Pleegzorg en de raad worden in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 24 april 2008 specifieke onderzoeksvragen bij het hof in te dienen en daarbij tevens kenbaar te maken welke deskundige zij benoemd wensen te zien. Na ontvangst van deze informatie zal het hof in beginsel zonder nadere mondelinge behandeling verder beslissen ten aanzien van het deskundigenonderzoek.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van 29 februari 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Assen uitsluitend voor zover het betreft de verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen tot 1 mei 2008;

en opnieuw rechtdoende:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in] 2003, en [minderjarige 2], geboren [in] 2005, met ingang van 1 maart 2008 tot 1 oktober 2008;

en alvorens verder op het inleidende verzoek van BJZ te beslissen:

stelt de pleegouders, de moeder, BJZ, Pleegzorg en de raad in de gelegenheid om uiterlijk op 24 april 2008 (specifieke) onderzoeksvragen in te dienen bij het hof, welke gesteld dienen te worden aan een nog nader te benoemen deskundige, en daarbij tevens kenbaar te maken welke deskundige zij benoemd wensen te zien;

houdt iedere verdere beslissing aan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mrs. Hermans, voorzitter, Bax-Stegenga en Bosch, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 17 april 2008 in bijzijn van de griffier.