Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC9276

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
WAHV 07-01355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie opgelegd ter zake van als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden.

Het enkele vasthouden is reeds voldoende om een sanctie opgelegd te krijgen. Geen reden tot matiging van de sanctie.

De betrokkene heeft voorafgaande aan de zitting van de kantonrechter een brief geschreven, waarin hij vermeld heeft dat hij graag getuigen naar de zitting wil meenemen indien de inleidende beschikking niet wordt vernietigd. Hierop is geen reactie ontvangen. Geen reden om de beslissing van de kantonrechter te vernietigen.

In feite komt het verzoek van de betrokkene neer op een een verzoek aan de kantonrechter om reeds voorafgaande aan de zitting een inhoudelijk oordeel over de zaak te geven. Het is de kantonrechter echter niet toegestaan om op een dergelijke wijze vooruit te lopen op de behandeling van de zaak ter zitting.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 07/01355

9 januari 2008

CJIB 79101686366

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad

van 26 juli 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Zwolle-Lelystad genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 december 2006 om 18.14 uur op de Rijksweg A28 te Zwolle.

3.2. De betrokkene ontkent niet dat hij tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de sanctie ten onrechte aan hem is opgelegd. Daartoe voert hij aan dat hij op een veilige manier aan het telefoneren was. Bij het opgaan van de snelweg hing er namelijk een vrij dichte mistlaag en omdat de vluchtstrook vrij smal was, heeft hij in verband met de veiligheid besloten om even verder op het bredere gedeelte van de vluchtstrook het voertuig tot stilstand te brengen en het gesprek verder te voeren. Nu de betrokkene veilig heeft gehandeld en hij niet daadwerkelijk aan het praten was, is hij van mening dat de sanctie vernietigd dient te worden.

3.3. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 61a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling houdt het volgende in: “Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets of invalidenvoertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.”.

3.4. De Nota van Toelichting bij het Besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het RVV 1990 (verbod handmatig telefoneren), Stb. 2002, 67, houdt onder meer in:

“In artikel 61a RVV 1990 wordt gesproken van het vasthouden van een mobiele

telefoon en niet van telefoneren. Hiervoor zijn verschillende redenen te geven. Ten eerste wordt hiermee de afwijzing van het fysieke aspect van het handmatig telefoneren beter tot uitdrukking gebracht. Onder vasthouden wordt verstaan het in de hand houden, het tussen oor en schouder geklemd houden etc. Ten tweede kan bij de term telefoneren onduidelijkheid bestaan wanneer daarvan sprake is. Is dat op het moment dat de telefoon ter hand wordt genomen, een nummer wordt ingetoetst of bijvoorbeeld op het moment dat de verbinding tot stand komt. Ten derde wordt met de term telefoneren de reikwijdte beperkt tot de overdracht van spraak. Door de gekozen formulering van artikel 61a RVV 1990 wordt tevens het verzenden of ontvangen en lezen van SMS-berichten of e-mailberichten of het internetten met een mobiele telefoon tijdens het rijden onder de verbodsbepaling gebracht. Ten vierde heeft het openbaar ministerie aangegeven dat een verbod op het telefoneren aanzienlijk moeilijker te handhaven is dan een verbod op het vasthouden van een mobiele telefoon. (…)."

3.5. Het voorgaande brengt mee dat, zoals de kantonrechter terecht heeft geoordeeld, het enkel vasthouden van de telefoon tijdens het rijden voldoende is om een sanctie opgelegd te krijgen. Derhalve is het niet van belang of de betrokkene daadwerkelijk heeft getelefoneerd toen hij zijn mobiele telefoon vasthield.

3.6. Voorts overweegt het hof, dat artikel 61a RVV 1990 noch enige andere bepaling van het RVV 1990 een uitzondering bevat op het aldaar gegeven verbod, in het bijzonder niet de uitzondering dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar is gebracht. Een en ander brengt mee dat een in strijd met dat artikel verrichte gedraging op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie kan rechtvaardigen, ook in het geval dat door de gedraging de veiligheid van het verkeer niet in gevaar is gebracht.

3.7. Gelet op het absolute karakter van het verbod zijn de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden ongenoegzaam om af te zien van een sanctie of tot matiging van het bedrag van de opgelegde sanctie te besluiten. Derhalve ziet het hof geen aanleiding om de sanctie te matigen dan wel op nihil te stellen.

3.8. De betrokkene is niet ter zitting van de kantonrechter verschenen. Hij klaagt erover dat hij geen reactie heeft ontvangen op zijn brief van 23 juni 2007, waarin stond dat hij graag met getuigen ter zitting wilde verschijnen indien de inleidende beschikking niet vernietigd zou worden. Naar het hof begrijpt stelt de betrokkene zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet door de kantonrechter is gehoord.

3.9. Artikel 12 lid 1 WAHV luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een door de kantonrechter bepaalde dag en uur op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. (…)."

3.10. Uit artikel 12 lid 1 WAHV volgt dat de beslissing van de kantonrechter (mede) dient te worden gebaseerd op hetgeen ter openbare terechtzitting naar voren is gebracht. Bij brief van 22 juni 2007 is de betrokkene daarom opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 26 juli 2007. In die brief staat geschreven dat de betrokkene desgewenst kan verschijnen voor het geven van een nadere toelichting en dat hij dus niet verplicht is om te verschijnen. Tevens staat in de oproepingsbrief vermeld dat de betrokkene desgewenst getuigen kan meebrengen. De brief van de betrokkene van 23 juni 2007 komt in feite neer op een verzoek aan de kantonrechter om reeds voorafgaand aan de zitting een inhoudelijk oordeel over de zaak te geven. Het is de kantonrechter echter niet toegestaan om op een dergelijke wijze vooruit te lopen op de behandeling ter zitting, zodat terecht niet op het verzoek van de betrokkene is ingegaan. Dat de betrokkene vervolgens geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om ter terechtzitting zijn zienswijze nader toe te lichten, dient voor zijn eigen rekening en risico te komen.

3.11. Voorts klaagt de betrokkene erover dat de verbalisant niet naar zijn verhaal heeft geluisterd. Indien de verbalisant dit namelijk wel had gedaan, was de briefwisseling in onderhavige procedure niet nodig geweest.

3.12. Het hof overweegt hieromtrent dat de betrokkene in de beroepsprocedure bij de officier van justitie, de kantonrechter alsmede in hoger beroep voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunten schriftelijk naar voren te brengen. Derhalve is de betrokkene door de handelwijze van de verbalisant niet geschaad in enig rechtens te respecteren belang.

3.13. Indien de betrokkene zich door de verbalisant onheus bejegend voelt, kan hij tegen het optreden van de verbalisant een klacht indienen bij de chef van het korps waarvan de betreffende verbalisant deel uit maakt.

3.14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van

mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.