Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8963

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
BK 69/06 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de verzuimboete terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zo nee, dan is in geschil of er terecht een verzuimboete is opgelegd aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/725
FutD 2008-0786

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 06/00069

uitspraakdatum: 4 april 2008

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden, de inspecteur

tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 05/989 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2006, in het geding tussen

X te Z, belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 29 mei 2004 is aan belanghebbende ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) voor het jaar 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 15.714, - . Daarbij is tevens een verzuimboete van € 794, - vastgesteld. Het bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve is de aanslag verminderd naar een aanslag met een belastbaar inkomen van € 12.854, -. De verzuimboete is eveneens ambtshalve verminderd tot op €158, -.

1.2 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak, voor zover deze ziet op de boete, beroep ingesteld bij de rechtbank. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 14 juni 2006 het beroep gegrond verklaard en heeft de uitspraak op bezwaar wat betreft de boete vernietigd. Vervolgens heeft zij de boete verminderd tot op € 22, - en heeft zij de inspecteur veroordeeld in de proceskosten, welke de Staat der Nederlanden moet voldoen. De Staat der Nederlanden is ten slotte gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.3 Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), dat is ingekomen op 22 juni 2006. Op 20 september 2006 heeft de inspecteur de gronden van het hoger beroep ingediend. Van belanghebbende heeft het hof op 17 november 2006 een verweerschrift in hoger beroep (met bijlagen) ontvangen.

1.4 Ter zitting van 28 januari 2008 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daaraan voorafgaand heeft het hof op 22 januari 2008 nadere stukken van belanghebbende ontvangen. Ter zitting zijn verschenen belanghebbende en mevrouw drs. A namens de inspecteur, bijgestaan door de heer B. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Er is hierbij door de inspecteur zonder bezwaar van belanghebbende een bijlage gevoegd.

1.5 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende, geboren op .. december 19.., is op 4 maart 1999 failliet verklaard. Op 30 maart 2005 is dat faillissement opgeheven. Mr. C was aangewezen als de curator van belanghebbende tijdens zijn faillissement.

2.2 In de periode van faillissement zijn de van de Belastingdienst afkomstige stukken - zoals de hierna vermelde - gestuurd naar de curator dan wel door de (thans) TPG Post doorgezonden naar de curator.

2.3 Met dagtekening 28 februari 2003 is het aangiftebiljet IB/PV voor het jaar 2002 uitgereikt. Er is geen verzoek tot uitstel van het indienen van voormeld aangiftebiljet bij de Belastingdienst ingekomen. Op 3 november 2003 is een aanmaning tot het doen van de aangifte IB/PV voor het jaar 2002 verzonden met daarin de oproep om het betreffende aangiftebiljet vóór 24 november 2003 in te dienen.

2.4 Aangezien het aangiftebiljet IB/PV voor het jaar 2002 niet (tijdig) was ingediend, heeft de inspecteur ambtshalve op 29 mei 2004 de aanslag IB/PV 2002 opgelegd. De aanslag betreft een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 15.714, - . Tegelijkertijd met die aanslag is een verzuimboete van € 794, - vastgesteld.

2.5 Op 10 maart 2005 heeft belanghebbende het aangiftebiljet IB/PV voor het jaar 2002 ingediend. De inspecteur heeft dit aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag en tegen de verzuimboete. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft de inspecteur de aanslag IB/PV 2002 verlaagd naar een aanslag met een belastbaar inkomen van € 12.854, -, resulterend in een voor belanghebbende terug te ontvangen bedrag. Gelet daarop is de verzuimboete verlaagd tot op € 158, -.

2.6 De rechtbank heeft bij haar uitspraak het - met betrekking tot de verzuimboete ingestelde - beroep gegrond verklaard. Zij heeft daarbij onder andere de niet-ontvankelijkheidverklaring vernietigd. Inhoudelijk heeft de rechtbank het beroep beoordeeld en heeft de verzuimboete vervolgens verminderd tot op € 22, -.

3. Het geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de verzuimboete terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zo nee, dan is in geschil of er terecht een verzuimboete is opgelegd aan belanghebbende.

3.2 Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend. Hij stelt dat de termijnoverschrijding hem niet is toe te rekenen, omdat de boetebeschikking hem niet tijdig bekend zou zijn gemaakt. Hij heeft - naar zijn stelling - tijdens zijn faillissement niets van de belastingdienst of curator ontvangen. De inspecteur staat voor beide vragen een positief antwoord voor.

3.3 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. Vooreerst en vooraf omtrent de ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank

4.1 Bij brief van 22 april 2005 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. In die brief is gewezen op de mogelijkheid van beroep daartegen. Daarbij is niet vermeld bij welke instantie of binnen welke termijn belanghebbende beroep kon instellen. De inspecteur heeft vervolgens in zijn brief van 22 april 2005 het aangiftebiljet ook aangemerkt als een verzoek om vermindering van de betreffende aanslag. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij voornemens is om gedeeltelijk aan dat verzoek tegemoet te komen en dat hij belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Uiteindelijk zijn de aanslag en de boete verminderd bij beschikking d.d. 1 juni 2005. Deze vermindering heeft belanghebbende kennelijk opgevat als de uitspraak op bezwaar, waartegen hij op 23 juni 2005 in beroep is gekomen. Het hof acht aannemelijk dat de overschrijding van de termijn is veroorzaakt door de voormelde onduidelijke en tegenstrijdige inhoud van de uitspraak op bezwaar en door het ontbreken van een correcte rechtsmiddelverwijzing. Het hof is van oordeel dat die termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb).

De overwegingen omtrent het geschil

4.2 Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb juncto artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Gelet op de data van de boetebeschikking en van de binnenkomst van het als bezwaar aangemerkte aangiftebiljet is het bezwaar niet binnen de bezwaartermijn ingekomen.

4.3 Artikel 3:41 van de Awb - voor zover hier van belang - bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een belanghebbende zijn gericht, geschiedt door middel van toezending of uitreiking aan die belanghebbende.

4.4 Ingeval de belastingplichtige aan wie een boete is opgelegd, stelt dat de termijnoverschrijding aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten, terwijl omtrent de juistheid van die stelling in rechte geen zekerheid valt te verkrijgen, is eerbiediging van zijn recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd wanneer die onzekerheid voor zijn risico wordt gebracht. In zodanig geval zou immers de mogelijkheid open blijven dat de belastingplichtige als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid verstoken blijft van zijn recht om het opleggen van de boete aan het oordeel van de rechter te onderwerpen. Derhalve moet de regel volgens welke een na afloop van de gestelde termijn gemaakt bezwaar niet-ontvankelijk is, buiten toepassing blijven indien de belastingplichtige aan wie een boete is opgelegd, stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen; de niet-ontvankelijkheid kan alsdan slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen. (vgl. Hoge Raad, 22 juni 1988, BNB 1988/292 *).

4.5 De inspecteur heeft naar het oordeel van het hof gelet op de onder 2.1 tot en met 2.3 vermelde feiten voldoende aannemelijk gemaakt dat de boetebeschikking op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt aan belanghebbende, namelijk door toezending daarvan aan zijn curator mr. C, de enige bevoegde vertegenwoordiger van belanghebbende. Belanghebbende ontkent deze toezending aan de curator niet. Opmerking daarbij verdient dat alhoewel belanghebbende op grond van artikel 43 van de AWR zelf bevoegd was om bezwaar te maken tegen de boetebeschikking, dit nog niet betekent dat de inspecteur die boetebeschikking ook aan belanghebbende bekend had moeten maken. Bekendmaking van de boetebeschikking aan belanghebbende is een taak van de curator. 4.6 Het hof heeft ook anderszins geen reden voor het op de voet van artikel 6:11 van de Awb achterwege laten van de niet-ontvanklijkverklaring van het bezwaar. Belanghebbendes bewijsaanbod (getuigen) zal het hof passeren, omdat hij ter zitting heeft meegedeeld dat de getuigen niets kunnen verklaren ter zake van de ontvankelijkheid van het bezwaar.

4.7 Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank, naar het oordeel van het hof, een onjuiste beslissing genomen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar. Het hof zal daarom de uitspraak van de rechtbank vernietigen. Het door belanghebbende bij de rechtbank ingestelde beroep zal alsnog ongegrond worden verklaard. De verzuimboete blijft € 158, -.

4.8 De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

5. Proceskosten

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank en

verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mrs. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 4 april 2008 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen

verzonden op 9 april 2008

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.