Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8962

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
BK 171/06 Reinigingsrechten
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de aanslag in de afvalstoffenheffing terecht is opgelegd. Belanghebbende stelt dat zulks niet het geval is. Hij is onder meer van opvatting dat, uitgaande van de situatie in het jaar 2005, door de gemeente geen inzamelvoorziening voor huishoudelijke afvalstoffen ter beschikking werd gesteld die voldeed aan de hiervoor geldende wettelijke eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0812
Belastingblad 2009/74

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Kenmerk 171/06

uitspraak van de meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak nr. 05/565 REINR van de rechtbank Assen van 24 november 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is ter zake van de onroerende zaak a-weg 7 te L (hierna ook: het perceel) een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd voor het jaar 2005. De aanslag is gedagtekend 25 februari 2005 en bedraagt € 243,80.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 21 april 2005, de aanslag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 24 november 2006, op dezelfde dag aan partijen verzonden, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 21 december 2006, bij het Hof ingekomen op 22 december 2006.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft bij brief van 29 augustus 2007 nadere stukken ingediend. Het Hof heeft deze stukken op 31 augustus 2007 in kopie naar de wederpartij gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Aldaar is met toestemming van partijen tegelijkertijd behandeld het hoger beroep met kenmerk van het Hof 172/06 van A te M. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. Het Hof verwijst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld en in de bestreden uitspraak als volgt zijn weergegeven (de rechtbank duidt belanghebbende aan als eiser):

“Eiser is eigenaar/gebruiker van een recreatiewoning gelegen in het park B in de gemeente Westerveld. Hij is uit dien hoofde lid van De Coöperatieve Vereniging ‘C’ u.a. (hierna: de Vereniging).

Voor de afvalinzameling is door de Vereniging een overeenkomst gesloten met een afvalverwerkingsbedrijf, waarbij o.a. gebruik werd gemaakt van een op het terrein geplaatste verzamelcontainer met een inhoud van 5.000 liter. De kosten daarvan werden door de eigenaren gezamenlijk gedragen en zij werden door de gemeente niet in de afvalstoffenheffing betrokken.

Na de gemeentelijke herindeling in 1998 heeft de gemeente Westerveld in het kader van het beginsel van rechtsgelijkheid aanleiding gezien het beleid, dat werd gevoerd met betrekking tot de afvalinzameling van recreatiewoningen, te uniformeren. Uitgangspunt was om met ingang van 1 januari 2004 de wettelijke inzamelplicht na te komen bij alle daarvoor in aanmerking komende objecten, dus ook bij de recreatiewoningen, die voorheen buiten deze inzamelplicht vielen.

Bij brief van 26 augustus 2003 zijn alle eigenaren/gebruikers van de recreatiewoningen op B in kennis gesteld van het per augustus 2003 geldende beleid inzake de afvalinzameling op vakantieparken, waarbij zij zijn gewezen op de te verwachten aanslag afvalstoffenheffing.

Bij brieven van 6 november en 22 december 2003 heeft de Vereniging het College van Burgemeester en Wethouders (hierna: het College) mede gedeeld dat een dergelijke aanslag meer dan een verdubbeling van de onkosten voor afvalverwijdering zou betekenen, wat als zeer onredelijk wordt beschouwd. Voorts heeft de Vereniging zich op het standpunt gesteld dat het park eigendom is van de Vereniging en bij notariële akte is de verplichting gesteld de wegen en terreinen van het park uitsluitend aan te wenden ten behoeve van de eigenaren/gebruikers van de recreatiewoningen, zodat het niet mogelijk is een deel van deze grond aan de gemeente beschikbaar te stellen als inzamelpunt voor huishoudelijk afval. Het instemmen met het vestigen van een dergelijk inzamelpunt zou in strijd zijn met de vastgelegde bestemmingen en derhalve in strijd met het derdenbeding. Slechts als alle bewoners instemmen met het wijzigen van het derdenbeding kan hiervan worden afgeweken.

Omdat het de gemeente niet lukte om in samenspraak met de Vereniging op het terrein van B een geschikte locatie te vinden voor het plaatsen van een verzamelcontainer, heeft het College zich bij brief van 22 december 2003 akkoord verklaard met een voorlopige continuering van de gebruikelijke inzamelstructuur op het park, onder voorwaarde dat dit wordt gezien als het van gemeentewege beschikbaar stellen van een afvalvoorziening, waarvan de kosten van huur voor rekening van de gemeente komen. De opgelegde aanslagen afvalstoffenheffing 2004 zijn vernietigd.

Bij primair besluit van 2 november 2004 heeft het College op grond van artikel 4.2.2.6 van de APV een verzamelplaats aangewezen waar vanaf 1 januari 2005 minicontainers ter lediging kunnen worden aangeboden. Het betreft een strook grond, die ligt aan de b-weg, recht tegenover de ingang van het park B.

Als gevolg hiervan zullen de eigenaren van de recreatiewoningen per die datum ook worden aangeslagen voor de afvalstoffenheffing.

Door 42 eigenaren is tegen dit aanwijzingsbesluit bezwaar gemaakt.

Teneinde iedere eigenaar vanaf 1 januari 2005 in de gelegenheid te stellen huishoudelijk afval aan te bieden aan de gemeentelijke inzameldienst zijn eind 2004 bij alle recreatiewoningen dergelijke minicontainers afgeleverd.

De Commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Commissie) oordeelde dat indien de gemeente zou vasthouden aan het inzamelen van afval via de minicontainers, zij zelf de eigen APV zou overtreden. Daarin is bepaald dat de houders van de minicontainers deze zo spoedig mogelijk na lediging, doch uiterlijk aan het eind van de inzameldag, van de weg moeten verwijderen. Maar omdat permanente bewoning van de recreatiewoningen niet is toegestaan en men vaak slechts in de weekenden aanwezig is, kan men niet aan deze voorwaarde voldoen.

Het aanbieden van minicontainers acht de Commissie in het onderhavige geval geen doelmatige wijze om huishoudelijk afval in te zamelen en acht onder de gegeven omstandigheden de enige oplossing het plaatsen van een verzamelcontainer buiten het park. De container kan zowel ondergronds als bovengronds worden uitgevoerd en desgewenst voorzien van een pasjessysteem.

Op grond van het advies van de Commissie heeft het College bij besluit op bezwaar van 24 maart 2005 de bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 2 november 2004 ingetrokken en nabij de ingang van het park een opstelplaats aangewezen, waar twee verzamelcontainers geplaatst zullen worden. Totdat dit daadwerkelijk is gerealiseerd kan men gebruik blijven maken van de minicontainers.

Het vorenstaande heeft zijn beslag gekregen in het besluit van het College van 24 maart 2005.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 15 maart 2005 (Hof: bedoeld is kennelijk 2006) het beroep tegen het besluit van 24 maart 2005 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Artikel 4.2.2.6 van de APV gold op grond van artikel XVII, derde lid van de wet van 21 juni 2001 slechts tot 8 mei 2004 en derhalve niet meer ten tijde van het primaire respectievelijk het bestreden besluit. De aanwijzing van een locatie voor afvalcontainers is derhalve onbevoegd geschied. Volstaan had moeten worden met het herroepen van het primaire besluit.

De gemeente heeft per 1 mei 2005 de huur van de op het terrein geplaatste container opgezegd, waarna de eigenaren gebruik dienen te maken van de twee bij de ingang van het park geplaatste verzamelcontainers.”

2.1.2. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt het Hof nader de volgende feiten vast. Bij besluit van 12 juli 2005 heeft de raad van de gemeente Westerveld beleid vastgesteld voor de afvalinzameling op vakantieparken in de gemeente. In de toelichting bij het (concept)besluit is het volgende opgenomen:

“Beslispunt

Vaststellen beleid “Afvalinzameling vakantieparken gemeente Westerveld” conform bijgevoegd ontwerp besluit.

Toelichting

(…) Naar aanleiding van een bezwaarschriftenprocedure adviseert de Commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften, op grond van artikel 10.26 Wet milieubeheer, dat “het besluit tot inzameling van afval op vakantieparken nabij de percelen door de raad moet worden genomen nadat de mogelijkheid van inspraak hierop is geboden. Het college kan aan dit besluit naar de mening van de commissie vervolgens inhoud geven door het aanwijzen van de inzamelvoorziening en het stellen van regels over de wijze waarop de afvalstoffen moeten worden aangeboden.”

Op grond van de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel, is slechts sprake van een laagdrempelige voorziening als de afstand tussen het perceel waar de afvalstoffen ontstaan en de voorziening maximaal 75 meter bedraagt; de gemeenteraad kan in bijzondere gevallen bij de (Afvalstoffen)verordening bepalen dat de afstand wordt vastgesteld op ten hoogste 125 meter. Deze bepaling is niet in onze Afvalstoffenverordening opgenomen.

Om deze reden wordt uw raad verzocht bijgevoegd besluit te nemen.

(…)

4. Aanpak/uitvoering

1. gemeenteraad neemt besluit over beleid “Afvalinzameling vakantieparken gemeente Westerveld” voor alle parken, met uitzondering van D (…);

2. gemeenteraad neemt besluit om op vakantieparken niet bij elk perceel, maar nabij de percelen in te zamelen, in de vorm van verzamelcontainers voor een groep percelen (art. 16 Afvalstoffenverordening);

3. (…)

4. (…)

5. het college neemt een besluit over de plaats van de verzamelcontainer(s); eigenaren /bewoners van (…) B kunnen in beroep gaan, behoudens het geval dat de rechtbank intussen een inhoudelijke uitspraak heeft gedaan;

6. het streven is erop gericht om deze procedure op 1 januari 2006 afgerond te hebben.”

2.2. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de aanslag in de afvalstoffenheffing terecht is opgelegd. Belanghebbende stelt dat zulks niet het geval is. Hij is onder meer van opvatting dat, uitgaande van de situatie in het jaar 2005, door de gemeente geen inzamelvoorziening voor huishoudelijke afvalstoffen ter beschikking werd gesteld die voldeed aan de hiervoor geldende wettelijke eisen.

2.3. Oordeel van de rechtbank

Op het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt geoordeeld (de rechtbank duidt de heffingsambtenaar aan als verweerder):

“Vast staat dat eiser geheel het jaar 2005 feitelijk gebruik maakte van het perceel a-weg 7 in L. Nu sprake is van een recreatiewoning, die naar moet worden aangenomen objectief bezien voor bewoning geschikt is, acht de rechtbank aannemelijk dat in het perceel geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Alsdan bestaat – gelet op het bepaalde in artikel 10.21 van de Wmb – voor de gemeente Westerveld de verplichting tot het inzamelen van die afvalstoffen. De rechtbank merkt hierbij op dat niet van belang is of daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.

In geschil is de vraag of de gemeente voldoet aan haar wettelijke verplichting tot het inzamelen van afvalstoffen. Slechts indien deze vraag niet bevestigend kan worden beantwoord kan zij de gebruiker daarvan ook niet in de afvalstoffenheffing betrekken.

Eiser stelt zich (kort samengevat en voor zover thans van belang) in dat verband op het standpunt dat gezien de feitelijke situatie op het park B, sprake is van inzameling nabij elk perceel en dat nu de Afdeling bij uitspraak van 15 maart 2006 heeft geoordeeld dat het daartoe benodigde Aanwijzingsbesluit onbevoegd is genomen en het aanwijzingsbesluit heeft vernietigd, geen sprake is van inzameling conform de wettelijke eisen.

Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat (anders dan de gemeente aanvankelijk meende) sprake is van inzameling bij elk perceel.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelijk bij verweerder en overweegt daartoe als volgt.

De vraag wanneer de gemeente aan haar inzamelingsverplichting voldoet, is in de jurisprudentie verschillende malen aan de orde gesteld. Ofschoon inzameling ingevolge de Wmb in beginsel dient plaats te vinden bij het perceel, kan in het algemeen gesteld worden dat de gemeente haar verplichting tot inzameling nakomt wanneer zij huisvuil ophaalt op het ten opzichte van het perceel gelegen dichtstbijzijnde punt aan de voor het openbare rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke wegen. Van de gemeente kan in ieder geval niet gevergd worden dat zij huisvuil inzamelt buiten de voor het openbare rijverkeer openstaande wegen. Daarnaast behoeft zij ook niet in te zamelen op voor het openbare rijverkeer openstaande wegen die voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens niet toegankelijk zijn. (Hoge Raad 15 februari 1984 BNB 1984/154) Doordat de inzamelingsverplichting niet verder strekt dan de openbare en toegankelijke wegen, komt de gemeente deze verplichting ook na indien de inzamelingsplaats feitelijk op grote afstand van het perceel is gelegen.

De rechtbank stelt voorts vast dat de Vereniging de gemeente nadrukkelijk heeft verboden met een in opdracht van de gemeente rijdende vuilnisauto gebruik te maken van het terrein van het park.

Voor het afvoeren van afval heeft de gemeente daarop eind 2004 minicontainers beschikbaar gesteld. In de periode januari – mei 2005 konden de minicontainers ter lediging worden aangeboden op een door het college aangewezen verzamelpunt aan de openbare weg tegenover de ingang van het park en vanaf mei 2005 kon het afval in één van de twee bij de ingang van het park geplaatste verzamelcontainers worden gedeponeerd. Wekelijks werd het afval opgehaald.

Eiser werd derhalve de gelegenheid geboden om bij de meest dichtbij zijnde aansluiting met de openbare weg huishoudelijk afval aan te bieden. Onder de hier geschetste omstandigheden is de rechtbank dan ook met verweerder van oordeel dat sprake is van inzameling bij elk perceel, en dat de gemeente voorts haar inzamelverplichting nakomt.

Daaraan doet niet af dat de gemeente bij het thans vernietigde besluit van 2 november 2004 respectievelijk 24 maart 2005 aanvankelijk meende te moeten besluiten om in afwijking van artikel 10.21 van de Wmb, over te moeten gaan tot de zogenoemde brengplicht als bedoeld in artikel 10.26 van de Wmb, nu immers de gemeente zoals hiervoor overwogen al voldoet aan het leidende principe van de haalplicht op basis van artikel 10.21 van de Wmb.

Uit het vorenstaande volgt dat eiser door verweerder terecht als belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing is aangemerkt.

Dat eiser geen gebruik wenst te maken van de door de gemeente geboden mogelijkheid tot inzameling van afvalstoffen maakt dat niet anders. De afvalstoffenheffing is anders dan eiser meent geen retributie, maar een belasting.

Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd is hiertegenover van onvoldoende gewicht om aan bovenstaand oordeel af te doen.”

2.4. Standpunten van partijen

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende terecht in de afvalstoffenheffing is betrokken.

2.5. Beoordeling van het geschil

2.5.1. Artikel 10.21 (tekst per 1 januari 2005) van de Wet milieubeheer (hierna: de Wmb) bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

(…)

Artikel 10.26 van de Wmb luidt, voor zover hier van belang:

1. De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening bepalen dat:

a. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel;

b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een bij de verordening aangegeven regelmaat;

c. in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld.

(…)

Artikel 15.33, eerste lid, van de Wmb houdt in:

De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2.5.2. In de Verordening reinigingsheffingen 2005 van de gemeente Westerveld (hierna: de Verordening) is – voor zover thans van belang – het volgende bepaald:

Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit

1. Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (…).

2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel;

(…)

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belastingplicht is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar, of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

2.5.3. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de gemeente Westerveld ter zake van het perceel van belanghebbende gedurende het gehele jaar 2005 een inzamelingsplicht had in de zin van artikel 10.21 van de Wmb en dat de gemeente aan die plicht heeft voldaan door, gelet op de ten aanzien van het perceel geldende omstandigheden, bij het perceel huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. Voorts staat vast dat belanghebbende feitelijk gebruik maakte van het perceel waarvoor de aanslag is opgelegd. Het in artikel 3 van de Verordening omschreven belastbare feit heeft zich derhalve voorgedaan en belanghebbende is daarvoor belastingplichtig. Het Hof verwijst naar hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne.

2.5.4. Belanghebbende heeft in hoger beroep – samengevat weergegeven – aangevoerd dat met betrekking tot de inzameling van huisvuil bij het park B tot 12 juli 2005 – op welke datum de gemeenteraad, als bevoegd orgaan, heeft bepaald dat zal worden ingezameld nabij elk perceel bij de recreatieparken – met betrekking tot die inzameling geen rechtsgeldige regelgeving heeft bestaan in de gemeente en de gemeente dus ook niet bevoegd was tot het inzamelen. Het Hof verwerpt dit standpunt. Met zijn stelling dat de gemeente Westerveld pas op 31 maart 2005 een rechtsgeldige afvalstoffenverordening heeft vastgesteld miskent belanghebbende - wat er verder ook zij van de ter zake door belanghebbende gestelde feiten - dat het belastbare feit in de Verordening, die op dat punt in overeenstemming met artikel 15.33 van de Wmb is geformuleerd, niet afhankelijk is gesteld van een in werking getreden gemeentelijke afvalstoffenverordening, maar van het ten aanzien van het desbetreffende perceel bestaan van de wettelijke verplichting tot inzamelen als bedoeld in artikel 10.21 van de Wmb. De verwijzing door belanghebbende naar hetgeen is bepaald in artikel 10.26 van de Wmb kan hem evenmin baten, aangezien de algemene inzamelingsverplichting – die ook een wettelijke bevoegdheid impliceert – van voormeld artikel 10.21 (en waaraan, het Hof herinnert daaraan, door de gemeente werd voldaan) reeds volstaat en deze verplichting slechts in negatieve zin wordt doorbroken of gemitigeerd indien een besluit als bedoeld in artikel 10.26 is genomen. De stellingname van belanghebbende, die op dit punt overigens niet wordt betwist door de heffingsambtenaar, houdt in dat zo’n (rechtsgeldig) besluit ontbrak in de periode tot 12 juli 2005. Deze constatering heeft derhalve tot gevolg dat de wettelijke inzamelingsverplichting van artikel 10.21 van de Wmb ter zake van het onderhavige perceel in ieder geval in de periode tot 12 juli 2005 onverkort is blijven bestaan. Zoals eerder overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de gemeente deze verplichting gedurende deze periode ook is nagekomen.

2.5.5. Voor de periode vanaf 12 juli 2005 tot en met 31 december 2005 komt het Hof eveneens met de rechtbank tot het oordeel dat ter zake van het perceel sprake was van een wettelijke verplichting tot inzameling als bedoeld in artikel 10.21 van de Wmb. Weliswaar is niet in geschil dat de raad van de gemeente Westerveld op 12 juli 2005 het besluit heeft genomen om op de vakantieparken niet bij elk perceel, maar nabij de percelen te gaan inzamelen (in de vorm van verzamelcontainers voor een groep percelen), maar aan het aanwijzingsbesluit waarbij een locatie voor de verzamelcontainer(s) werd aangewezen voor het park B is de rechtsgrond komen te ontvallen. Het aanwijzingsbesluit van 24 maart 2005, waarbij een locatie voor een afvalcontainer was aangewezen voor het park B, is immers - na een daartegen (mede) door belanghebbende ingesteld beroep - door de Raad van State vernietigd bij uitspraak van 15 maart 2006 (nr. 200507023/1), aangezien dit besluit was vastgesteld op basis van een met ingang van 8 mei 2004 vervallen bepaling uit de Algemene Plaatselijke Verordening Westerveld 1998. De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat vervolgens geen nieuw aanwijzingsbesluit is genomen voor het park B. Daarmee staat vast dat aan het besluit van de gemeenteraad van 12 juli 2005 niet op rechtsgeldige wijze uitvoering is gegeven; daarvoor is een geldig aanwijzingsbesluit onontbeerlijk. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, heeft dit echter niet tot gevolg dat in een dergelijke situatie de algemene inzamelingsverplichting van artikel 10.21 van de Wmb is geëindigd. Zoals reeds onder 2.5.4 is overwogen, biedt artikel 10.26 van de Wmb de mogelijkheid om aan de op grond van 10.21 Wmb bestaande inzamelingsplicht op andere wijze uitvoering te geven (inzameling nabij in plaats van bij het perceel) en blijft ook in dergelijke situatie sprake van een (door artikel 10.26 Wmb gemitigeerde) wettelijke inzamelingsplicht. Indien de feitelijke uitvoering door de gemeente niet is gebaseerd op een rechtsgeldig aanwijzingsbesluit op de voet van artikel 10.26 van de Wmb maar - zoals in het onderhavige geval - feitelijk en rechtens wél voldoet aan de hoofdregel van de in artikel 10.21 van de Wmb geformuleerde verplichting, is daarmee voldaan aan het in artikel 3 van de Verordening omschreven belastbare feit en bestaat geen aanleiding – zo belanghebbende dit heeft willen stellen – voor toepassing van het bepaalde in artikel 8 van de Verordening.

2.5.6. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de rechtsvoorganger van de gemeente Westerveld (de gemeente Diever) ruim dertig jaar geleden aan de Vereniging heeft verzocht zelf zorg te dragen voor verwijdering van huishoudelijke en andere afvalstoffen op het park B en dat dertig jaar niet inzamelen verwachtingen wekt, niet alleen voor 2005, maar ook naar de toekomst. Ingevolge de Wmb kan alleen de gemeenteraad besluiten om niet in te zamelen, zodat dan ook alleen de gemeenteraad bevoegd is om een eerder genomen besluit, dan wel een rechtens ontstane situatie van niet inzamelen op te heffen, aldus belanghebbende.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de vaststaande feiten volgt dat de gemeente Diever met betrekking tot het park B een toestand heeft laten bestaan die inhield dat bij de percelen in dat park geen afvalstoffen werden ingezameld en de eigenaren van de daar gelegen recreatiewoningen ook niet in de afvalstoffenheffing werden betrokken. Na de gemeentelijke herindeling heeft de gemeente Westerveld besloten binnen haar gebied de wijze van inzameling van afvalstoffen bij recreatiewoningen te uniformeren. In dat kader heeft zij bij brief van 26 augustus 2003 de eigenaren/gebruikers van woningen in het park B ervan op de hoogte gesteld dat zij – aanvankelijk met ingang van 2004 – de inzameling ter hand zou nemen en dat de rechthebbenden van die woningen ook in de afvalstoffenheffing zouden worden betrokken.

Het Hof is van oordeel dat door deze handelwijze van de gemeente bij belanghebbende niet langer – zeker niet met betrekking tot het jaar 2005 – het in rechte te honoreren vertrouwen kon (blijven) bestaan dat de gemeente bij zijn perceel geen afvalstoffen zou inzamelen en hij niet in de heffing zou worden betrokken. De opvatting van belanghebbende dat slechts het orgaan met verordenende bevoegdheid, de gemeenteraad, een einde kan maken aan een kennelijk in de uitvoerende sfeer ontstane toestand (gesteld noch gebleken is immers dat het niet inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen bij zijn perceel berustte op een bepaling in enige verordening van de gemeente Diever en/of Westerveld), is onjuist.

2.5.7. Belanghebbendes betogen met betrekking tot de maximale afstand van 75 meter tussen het perceel en de inzamelvoorziening kunnen hem niet baten, aangezien deze afstand in acht moet worden genomen krachtens de “Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel” (hierna ook: de Regeling) en deze regeling in casu toepassing mist, aangezien de inzameling door de gemeente Westerveld plaatsvindt bij het perceel van belanghebbende (artikel 10.21 Wmb) en niet, uit kracht van een bepaling in enige verordening, nabij zijn perceel (artikel 10.26 Wmb). Belanghebbende stelt wel dat de maximering van afstanden zoals gegeven in vermelde Regeling een algemenere betekenis heeft gekregen, maar deze stelling vindt geen steun in het recht en kan dus niet worden gehonoreerd. Zij zou in de praktijk ook tot onoplosbare situaties leiden.

2.5.8. De stelling van belanghebbende, dat geen sprake meer is van “inzameling bij elk perceel” zodra sprake is van een collectieve opstelplaats of een collectieve inzamelvoorziening die niet op het dichtstbijzijnde punt aan de dichtstbijzijnde voor het openbare rijverkeer openstaande weg is gelegen, verwerpt het Hof. De heffingsambtenaar heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat bij het bepalen van de locatie voor het opstellen van de containers – aan de openbare weg aan de overzijde van de ingang van het park – rekening is gehouden met de verkeersveiligheid (onder meer het uitzicht voor het verkeer dat het park B in en uit rijdt). In aanmerking genomen dat het hier niet gaat om de afvalstoffen van een enkel perceel, maar van enkele tientallen percelen, en dus ook om een groot aantal containers, kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat onder alle omstandigheden van inzameling bij elk perceel slechts sprake is bij aanbieding op de dichtstbijgelegen plaats. Dat de gemeente, met inachtneming van de omstandigheden, tot een dichterbijgelegen locatie had kunnen en moeten besluiten is gesteld noch gebleken. De in de loop van 2005 geplaatste verzamelcontainers staan, zo blijkt uit de gedingstukken, bij de ingang van het park, zodat daarbij zonder meer sprake is van “inzameling bij elk perceel”. Daarbij weegt het Hof mee, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat de Coöperatieve Vereniging ‘C’ U.A. (hierna: de Vereniging) het de gemeente uitdrukkelijk heeft verboden met een in opdracht van de gemeente rijdende vuilnisauto gebruik te maken van het terrein van het park en de zich daarop bevindende wegen, omdat deze wegen eigendom zijn van de Vereniging en krachtens notariële akte uitsluitend mogen worden aangewend ten behoeve van de eigenaren/gebruikers van de recreatiewoningen. De gemeente heeft zich kennelijk bij dit standpunt neergelegd. Onder die omstandigheden kan voor dit geding worden aangenomen dat de op het terrein van de Vereniging gelegen wegen in feite niet zijn aan te merken als voor het openbare rijverkeer openstaande wegen. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de gemeente, door aan belanghebbende de gelegenheid te bieden om bij de (met inachtneming van het hiervoor overwogene) meest dichtbij zijnde aansluiting met de openbare weg die daarvoor (mede met het oog op de verkeersveiligheid) in aanmerking komt, huishoudelijk afval aan te bieden, haar inzamelingsverplichting op grond van artikel 10.21 van de Wmb is nagekomen.

De omstandigheid dat, naar tussen partijen niet in geschil is, de opstelstrook voor de minicontainers pas op 10 januari 2005 klaar was, doet aan een en ander niet af. Gesteld noch gebleken is dat in verband daarmee de inzameling vanwege de gemeente in de periode tot 10 januari 2005 niet plaatsvond. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat het tot 10 januari 2005 niet mogelijk was om de minicontainers aan de openbare weg te zetten, maar de heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat in die periode (en ook later) gebruik kon worden gemaakt van de door de gemeente bekostigde en pas per 1 mei 2005 vervallen particuliere inzamelmogelijkheid op het terrein van B. Gelet hierop ziet het Hof geen aanleiding de over het jaar 2005 opgelegde aanslag te verminderen.

2.5.9. Ten overvloede overweegt het Hof dat, ook indien voor de periode van 12 juli 2005 tot en met 31 december 2005 wél gesproken zou moeten worden van een verplichting van de gemeente tot inzameling nabij het perceel op de voet van artikel 10.26 van de Wmb, moet worden geoordeeld dat de gemeente de aldus gemitigeerde wettelijke verplichting van artikel 10.21 van de Wmb is nagekomen. Weliswaar geldt in dat geval in beginsel het door belanghebbende aangehaalde voorschrift van artikel 3 van de Regeling omtrent een maximale afstand van 75 meter respectievelijk 125 meter tussen de individuele percelen en de inzamelvoorziening - belanghebbende stelt dat, gelet op het raadsbesluit van 12 juli 2005, de afstand op grond van deze regeling maximaal 125 meter mag bedragen - maar het Hof is van oordeel dat in de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, zoals vastgesteld door de rechtbank, aan dit voorschrift is voldaan. Ook indien de haalplicht van artikel 10.21 van de Wmb zou zijn gewijzigd in een brengplicht op grond van artikel 10.26 van de Wmb, geldt namelijk dat een redelijke uitlegging van de aldus gewijzigde inzamelverplichting meebrengt, dat deze verplichting zich niet uitstrekt buiten de voor het openbare rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke wegen (vergelijk onder meer Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, 9 augustus 1983, nr. A-32.4045, AB 1983/568). De onder 2.5.8 meegewogen omstandigheden gelden dus ook dan onverkort. Een redelijke uitleg van de genoemde voorschriften brengt derhalve mee dat de door belanghebbende bedoelde afstand van 125 meter onder die omstandigheden niet moet worden gemeten vanaf elke individuele perceelsgrens, maar vanaf de meest dichtbij zijnde aansluiting van het terrein van de Vereniging met de openbare weg die daarvoor (mede met het oog op de verkeersveiligheid) in aanmerking komt. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de inzamelcontainer meer dan 125 meter (noch overigens meer dan 75 meter) gelegen was vanaf deze aansluiting.

Ook in dat geval is derhalve de conclusie dat de aanslag aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, nu het in artikel 3 van de Verordening omschreven belastbare feit zich heeft voorgedaan.

2.5.10. Ten slotte heeft belanghebbende nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In dat verband heeft hij gesteld dat op het park B zich ook de inzamelcontainer bevindt van een professionele verhuurder, die voor zijn verspreid over het terrein van het park liggende recreatiewoningen is aangemerkt als “inrichting” in de zin van de Wmb, waardoor voor de in die container geworpen afvalstoffen sprake is van bedrijfsafval, waarvoor geen inzamelplicht van de gemeente geldt. De Vereniging heeft, aldus belanghebbende, de gemeente verzocht ook te worden aangemerkt als “inrichting” in de zin van het “Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer”, doch deze melding is, zo stelt hij, niet in behandeling genomen.

De heffingsambtenaar heeft daar tegenover gesteld dat het verzoek van de Vereniging wel in behandeling is genomen, doch tot afwijzing heeft geleid, aangezien, anders dan bij de professionele verhuurder in kwestie, bij (de leden van) de Vereniging geen sprake is van een technische, functionele of organisatorische binding, aangezien de desbetreffende recreatiewoningen in eigendom zijn van individuele particulieren die hun woning kunnen verhuren onder eigen condities.

Op welke wijze de Vereniging en de professionele verhuurder door de heffingsambtenaar ten onrechte als feitelijk en/of rechtens ongelijke gevallen zijn aangemerkt heeft belanghebbende niet, althans onvoldoende, gesteld. Uit de stellingname van de heffingsambtenaar komt veeleer naar voren dat op goede gronden onderscheid is gemaakt tussen de (leden, niet zijnde professionele verhuurders, van de) Vereniging enerzijds en de professionele verhuurder anderzijds.

Belanghebbende heeft zich in dit kader voorts beroepen op de behandeling die is genoten door de coöperatie “E” U.A.; er zou naar zijn mening sprake zijn van een identieke situatie. De heffingsambtenaar heeft dit betwist en heeft gesteld dat op dat park 90% van de recreatiewoningen wordt verhuurd door F, dat er bij het park een kampeerterrein is en dat de gebruikers van zowel het kampeerterrein als het park gebruik maken van gezamenlijke faciliteiten als bijvoorbeeld de receptie, parkeerplaatsen, kantine en zwembad, dat er sprake is van een organisatorische samenhang (een slagboom, een pasjessysteem, een receptie, een zwembad, een beheerderswoning) en dat bij B er geen afhankelijkheid is van een zo ingerichte organisatie. Aldus heeft de heffingsambtenaar voldoende naar voren gebracht om de niet nader geadstrueerde stellingen van belanghebbende ter zake te ontkrachten.

2.5.11. Voor zover belanghebbende stelt dat de afvalstoffenheffing die hij dient te betalen wat de hoogte betreft onredelijk en willekeurig is, en dus niet te rijmen met de wettelijke bepalingen, doordat die vijf maal zo hoog is als de kosten van inzameling op particuliere grondslag door de Vereniging en de hoeveelheid afval uit recreatiewoningen niet te vergelijken is met die uit reguliere woningen, overweegt het Hof dat de vaststelling van het tarief van een gemeentelijke belasting de bevoegdheid is van de gemeenteraad en dat de rechter uitsluitend in gevallen waarin sprake is van onaanvaardbare keuzes van die raad kan ingrijpen. In casu is evenwel geen sprake van een zodanige heffing dat de grenzen van het hier geldende kader worden overschreden.

2.6. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht het Hof geen termen aanwezig.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. O.B. Onnes, voorzitter, mr. P.M.F. van Loon en mr. H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 3 april 2008 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 9 april 2008.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.