Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8796

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
0600405
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat de maatschap - waarvan vaststaat dat deze na verloop van de in de maatschapsovereenkomst van 1 januari 2004 bedongen tijd enige tijd is verlengd - per 31 maart 2006 is ontbonden. De ontbinding van een maatschap heeft evenwel niet tot gevolg dat de vennootschapsrechtelijke rechtsbetrekking daarmee ook is beëindigd; dit is eerst het geval wanneer alle facetten van die rechtsbetrekking in het kader van de vereffening zijn afgewikkeld. Het hof leidt uit de bestreden rechtsoverweging af dat de voorzieningenrechter met de bewoordingen "beëindiging van de maatschapsovereenkomst" (enkel) heeft gedoeld op de ontbinding van die overeenkomst per 31 maart 2006, nu hij immers verwijst naar de tekst van de in r.o. 2.1 van dit arrest bedoelde vaststellingsovereenkomst en de daarin gemaakte afspraak over de datum per wanneer vereffend zal worden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter - anders dan [appellanten] kennelijk menen - niet miskend dat "de maatschap nog niet in alle opzichten is geëindigd", waarmee [appellanten] - naar het hof veronderstelt - kennelijk doelen op de hiervoor bedoelde vennootschapsrechtelijke rechtsbetrekking die per genoemde datum nog niet was beëindigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1683
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/334
JRV 2008, 487

Uitspraak

Arrest d.d. 2 april 2008

Rolnummer 0600405

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats appellant 1],

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats appellante 2],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

1. Van Ede Groep B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerster in reconventie,

2. de vennootschap onder firma Van Ede & Partners B-G,

gevestigd te Zeist,

alsmede haar vennoten

3. Van Ede & Partners B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. CMMC B.V.,

gevestigd te Waalre,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: Van Ede c.s.,

procureur: mr. S.A. Roodhof.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 12 december 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellanten] hebben een akte na tussenarrest genomen, waarop Van Ede c.s. bij antwoordakte gereageerd hebben.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof heeft in zijn tussenarrest aan [appellanten] opgedragen om zich uit te laten over de vraag of zij in hoger beroep per abuis de maatschap Van Ede & Partners B-G als vennootschap onder firma hebben aangeduid of dat het om een bewuste keuze gaat, en zo ja, op welke grond. Voorts heeft het hof overwogen dat in het laatste geval [appellanten] deugdelijk moeten motiveren waarom zij deze vennootschap in het hoger beroep hebben betrokken en dat zij daarbij tevens moeten aangeven op welke gronden dit tot ontvankelijkheid van de vennootschap onder firma Van Ede en Partners B-G in appel zou dienen te leiden.

1.1 [appellanten] hebben hierover in hun akte na tussenarrest gesteld dat tijdens het geding in eerste aanleg geïntimeerde sub 2 door haar advocaat per abuis is aangeduid als een maatschap naar burgerlijk recht, hetgeen vervolgens door de advocaat van [appellanten] is overgenomen. Uit het handelsregister blijkt evenwel dat Van Ede & Partners B-G een vennootschap onder firma betreft. De appeldagvaarding is daarom aan de vennootschap onder firma Van Ede & Partners B-G uitgebracht, aldus [appellanten]

1.2 Van Ede c.s. hebben in reactie hierop naar voren gebracht dat Van Ede & Partners

B-G in eerste instantie als maatschap is opgericht en kort nadien tot vennootschap onder firma is omgevormd. Sindsdien worden volgens hen beide rechtsvormen gebruikt ter aanduiding van dezelfde partij.

1.3 Het hof is van oordeel dat, nu tussen partijen vaststaat dat de maatschap Van Ede & Partners B-G niet (meer) bestaat en deze partij in eerste aanleg bovendien per abuis als maatschap is aangeduid, terwijl eveneens vaststaat dat Van Ede & Partners B-G wordt gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma, er geen aanleiding is voor het oordeel dat [appellanten] niet in hun vordering in appel kunnen worden ontvangen voor zover het om de vennootschap onder firma Van Ede & Partners B-G gaat. Deze partij zal hierna worden aangeduid als Van Ede & Partners B-G, daaronder begrepen haar rechtsvoorgangster.

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 3 (3.1 tot en met 3.10) van genoemd vonnis van 14 juli 2006 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Voorts is in hoger beroep nog het volgende komen vast te staan.

2.1 [appellanten] hebben met [betrokkene 1 en betrokkene 2] - waarmee zij de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland hebben uitgeoefend - een vaststellingsovereenkomst (productie 15 van de inventarislijst overgelegd door [appellanten]) gesloten. Deze overeenkomst behelst onder punt 4 de afspraak dat zij als rekendatum voor de vereffening van de maatschap 31 maart 2006 hanteren en dat vanaf die datum de afzonderlijke maten geacht worden ieder voor eigen rekening en risico te hebben gewerkt.

3. Met inachtneming van r.o. 2 gaat het in dit geding in essentie om het volgende.

3.1 Van Ede & Partners B.V. heeft in 2000 voor onbepaalde tijd een licentiecontract gesloten met de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland. Van Ede & Partners B.V. heeft dit licentiegeverschap op 18 juli 2002 overgedragen aan Van Ede Groep B.V.

3.2 [appellant 1] (appellant sub 1), [appellante 2] (appellant sub 2), [betrokkene 1 en betrokkene 2] waren destijds de leden van de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland. Zij sloten steeds voor bepaalde tijd een maatschapscontract. In het maatschapscontract van 1 januari 2004 wordt - voor zover hier van belang - vermeld dat de maatschap wordt aangegaan voor de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005.

3.3 In de eerste helft van 2005 is er verschil van mening ontstaan tussen de maten van de hiervoor bedoelde maatschap. [betrokkene 1] voornoemd heeft omstreeks mei 2005 het vertrouwen in de maatschap opgezegd.

3.4 Bij brief van 22 november 2005 heeft Van Ede Groep B.V. aan de leden van de hiervoor bedoelde maatschap - voor zover hier van belang - bericht:

"Het lopende maatschapscontract van uw maatschap loopt af per 1 januari 2006. (...) Intussen is in de huidige maatschap een vertrouwenscrisis ontstaan waarbij de Raad van Eenheid is ingeschakeld om tot een oplossing te komen. (...) In verband met deze situatie stellen wij voor het huidige maatschapsverdrag de facto te verlengen tot een acceptabele uitweg uit de huidige situatie is gevonden en op basis van de gangbare afspraken een nieuwe maatschap kan worden gevormd."

3.5 Bij brief van 17 maart 2006 hebben [appellant 1] en [appellante 2] onder meer aan de Raad van Eenheid - onderdeel van de Van Ede-organisatie - bericht:

"Op 22 november verzocht de licentiegever de lopende maatschapsovereenkomst voort te zetten tot een nieuwe maatschap gevormd zou kunnen worden, waarbij het verzoek werd gedaan aan alle maten en consulenten actief te blijven tot dat moment zou zijn bereikt. Door 2 x 2 maten werd in de richting van de licentiegever positief op dit voorstel gereageerd; de licentie loopt de facto door tot 1 april 2006."

3.6 Van Ede Groep B.V. heeft bij brief van 23 maart 2006 aan de leden van de maatschap Van Ede en Partners Noord Nederland bericht:

"Zoals aan u door de licentiegever (...) is aangegeven is per 1 januari 2006 de licentieovereenkomst met de maatschap (...) verlengd voor de periode van drie maanden. Gedurende deze periode is een oplossing geformuleerd voor de in uw maatschap gerezen problemen. Wij hebben als licentiegever voor deze oplossing gekozen, hetgeen betekent dat de licentie per 1 april a.s. ten aanzien van uw maatschap eindigt."

3.7 Op 29 maart 2006 heeft Van Ede Groep een licentie verstrekt aan de maatschap Van Ede & Partners Beetsterzwaag-Groningen (geïntimeerde sub 2).

4. Van Ede c.s. hebben bij de inleidende dagvaarding kort gezegd gevorderd dat de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland alsmede haar afzonderlijke maten wordt geboden om op straffe van verbeurte van een dwangsom het gebruik van de naam Van Ede & Partners of een afgeleide daarvan te staken en gestaakt te houden alsmede bij wijze van voorschot op de afrekening van de positie onderhanden werk aan Van Ede Groep B.V. een bedrag van € 60.000,00 te betalen.

5. [appellanten] hebben op hun beurt - voor zover thans nog van belang en na vermeerdering van eis - in essentie gevorderd dat:

* (de leden van) Van Ede & Partners B-G wordt verboden om de aan haar verleende licentie te exploiteren;

* Van Ede c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt verboden om [appellanten] op enigerlei wijze te belemmeren in het gebruik van de aan hen verleende licentie;

* Van Ede Groep wordt veroordeeld om bij wijze van een voorschot op schadevergoeding wegens geleden en nog te lijden schade een bedrag van € 35.000,00 aan hen te voldoen;

* Van Ede c.s. wordt verboden om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te bewegen hun afspraken met [appellanten] over de afwikkeling van de maatschap niet of niet geheel na te komen, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

6. Van Ede c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling van het geding in eerste aanleg hun vorderingen jegens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - die inmiddels een samenwerkingsverband met de maatschap Van Ede & Partners Beetsterzwaag-Groningen zijn aangegaan - ingetrokken.

7. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vordering van Van Ede c.s. tot het opleggen van een gebod aan [appellanten] tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van de naam Van Ede & Partners, of een afgeleide daarvan, toegewezen en aan deze veroordeling een dwangsom verbonden van € 1.000,00 per dag(deel) dat het gebod wordt overtreden, met een maximum van € 25.000,00. De vordering tot betaling van een voorschot aan Van Ede Groep B.V. is afgewezen en de vorderingen van [appellanten] zijn eveneens afgewezen.

7.1 Het hof stelt vast dat Van Ede Groep B.V. geen incidenteel appel heeft ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering, zodat de vordering tot het betalen van een voorschot op de vergoeding voor het onderhanden werk in hoger beroep niet aan de orde is.

8. De kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of de voor onbepaalde tijd aangegane licentieovereenkomst per 31 maart 2006 is geëindigd als gevolg van de ontbinding van de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland per diezelfde datum, zoals Van Ede c.s. hebben gesteld en [appellanten] hebben betwist. De voorzieningenrechter heeft deze vraag bij het beroepen vonnis bevestigend beantwoord. Het hof zal de tegen dit oordeel gerichte grieven hierna zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

9. [appellanten] maken met grief I bezwaar tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat zij ([appellanten]) erkennen dat de maatschapsovereenkomst per 31 maart 2006 is geëindigd. Volgens [appellanten] zijn de maten slechts overeengekomen dat zij per 1 april 2006 met elkaar afrekenen en met ingang van die datum geacht worden voor eigen rekening en risico te werken. Dit betekent niet dat de maatschap in alle opzichten is geëindigd. Er zijn ook afspraken gemaakt met betrekking tot de huisvesting, lopende huurovereenkomsten en andere lopende zaken. Zo is - aldus nog steeds [appellanten] - afgesproken dat de maten elkaar in staat zullen stellen om het voortgezet gebruik van de bedrijfsnaam Van Ede & Partners Noord Nederland te continueren voor cliënten die in de periode 1 april 2006 tot 1 juli 2006 zijn "ingenomen".

9.1 Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de maatschap - waarvan vaststaat dat deze na verloop van de in de maatschapsovereenkomst van 1 januari 2004 bedongen tijd enige tijd is verlengd - per 31 maart 2006 is ontbonden. De ontbinding van een maatschap heeft evenwel niet tot gevolg dat de vennootschapsrechtelijke rechtsbetrekking daarmee ook is beëindigd; dit is eerst het geval wanneer alle facetten van die rechtsbetrekking in het kader van de vereffening zijn afgewikkeld. Het hof leidt uit de bestreden rechtsoverweging af dat de voorzieningenrechter met de bewoordingen "beëindiging van de maatschapsovereenkomst" (enkel) heeft gedoeld op de ontbinding van die overeenkomst per 31 maart 2006, nu hij immers verwijst naar de tekst van de in r.o. 2.1 van dit arrest bedoelde vaststellingsovereenkomst en de daarin gemaakte afspraak over de datum per wanneer vereffend zal worden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter - anders dan [appellanten] kennelijk menen - niet miskend dat "de maatschap nog niet in alle opzichten is geëindigd", waarmee [appellanten] - naar het hof veronderstelt - kennelijk doelen op de hiervoor bedoelde vennootschapsrechtelijke rechtsbetrekking die per genoemde datum nog niet was beëindigd.

9.2 In zoverre faalt de grief. Het hof zal hierna nog bespreken of [appellanten] op grond van de in geding zijnde licentieovereenkomst gerechtigd waren om gedurende de periode van vereffening en verdeling de naam Van Ede & Partners Noord Nederland te gebruiken.

10. Vervolgens is de vraag aan de orde of, nu vaststaat dat de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland per 31 maart 2006 is ontbonden, de (voor onbepaalde tijd gesloten) licentieovereenkomst per die datum eveneens als beëindigd moet worden beschouwd. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

10.1 Uit hetgeen door Van Ede c.s. met betrekking tot dit geschilpunt is gesteld, blijkt dat (thans) Van Ede Groep B.V. op basis van gelijkluidende overeenkomsten licenties uitgeeft aan samenwerkende deskundigen op het gebied van outplacement, loopbaanbegeleiding en coaching, die zich hebben georganiseerd in de vorm van een maatschap. Van Ede c.s. verbinden hieraan de conclusie dat het daarom uitsluitend de desbetreffende maatschap is, die op grond van de licentieovereenkomst het recht heeft om onder de gemeenschappelijke naam Van Ede & Partners de uitoefening van de praktijk van outplacement- en loopbaanbegeleiding, coaching en organisatieontwikkeling ter hand te nemen en het woordmerk/beeldmerk, logo, slagzin, onderscheidingstekens e.d. van Van Ede & Partners te gebruiken. Een en ander wordt volgens hen nog eens onderstreept door de omstandigheid dat in de licentiecontracten is bepaald dat het leden en medewerkers van de maatschap niet is toegestaan buiten maatschapsverband gebruik te maken van de uit hoofde van de licentie verstrekte rechten. Nu de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland per 31 maart 2006 is ontbonden en derhalve ophield te bestaan, bestond ook de wederpartij van Van Ede Groep B.V. bij de licentieovereenkomst niet meer en moet deze overeenkomst als beëindigd worden beschouwd, aldus Van Ede c.s.

10.3 [appellanten] hebben hier enkel tegen ingebracht dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de stukken blijkt dat het de bedoeling van de bij de licentieovereenkomst betrokken partijen is geweest om de duur van de licentieovereenkomst te koppelen aan de duur van de maatschapsovereenkomst, alsmede dat de voorzieningenrechter ten onrechte in zijn oordeel heeft betrokken dat het de maatschapsleden niet is toegestaan buiten maatschapsverband gebruik te maken van de uit hoofde van de licentie verstrekte rechten. Volgens [appellanten] is de contractuele relatie met Van Ede Groep B.V. na ontbinding van de maatschap blijven voortbestaan en was opzegging op de in de overeenkomst voorgeschreven wijze een voorwaarde om deze relatie alsnog te kunnen verbreken.

10.4 Het hof is voorshands van oordeel dat, wat er verder ook zij van de mogelijke bedoelingen van partijen met betrekking tot de koppeling in tijd van de beide overeenkomsten, Van Ede c.s. gevolgd kunnen worden in hun stelling dat als gevolg van de omstandigheid dat de contractuele samenwerking tussen de leden van de maatschap Van Ede & Partners Noord Nederland per 31 maart 2006 is beëindigd en de maatschap derhalve per die datum is opgehouden te bestaan, de licentieovereenkomst daarmee - en bij gebreke van andersluidende afspraken met Van Ede Groep B.V. op dit punt, die gesteld noch gebleken zijn - automatisch als beëindigd moet worden beschouwd, nu niet langer sprake was van een contractuele wederpartij bij die overeenkomst. Het nog tijdelijk voortbestaan van de vennootschapsrechtelijke rechtsbetrekking in verband met de vereffening en verdeling van de maatschap maakt dit niet anders. Beslissend is immers dat het contractuele samenwerkingsverband waarmee de licentieovereenkomst was gesloten per 31 maart 2006 was beëindigd. Anders dan [appellanten] hebben betoogd, was opzegging van de licentieovereenkomst met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de overeenkomst is bepaald, derhalve niet vereist.

11. Het vorenstaande brengt mee dat Van Ede c.s. terecht hebben gesteld dat [appellanten] niet gerechtigd waren (ook niet gedurende de periode van vereffening en verdeling) om na 31 maart 2006 gebruik te blijven maken van de naam van Van Ede & Partners. Nu [appellanten] naar hun eigen zeggen (zie grief V) de naam van Van Ede & Partners zullen blijven gebruiken voor zover het gaat om cliënten die vóór 15 juli 2006 zijn geacquireerd, gaat het hof er bij gebreke van enige contra-indicatie vanuit dat Van Ede c.s. ook in hoger beroep nog steeds (spoedeisend) belang hebben bij toewijzing van hun vordering die ertoe strekt dat [appellanten] op straffe van verbeurte van een dwangsom

- tegen de hoogte waarvan [appellanten] geen grief hebben gericht - wordt geboden om het gebruik van de naam van Ede & Partners, of een afgeleide daarvan, te staken en gestaakt te houden.

12. Voor zover in de overige grieven gericht tegen de beslissing van de voorzieningenrechter inzake de vordering van Van Ede c.s. wordt uitgegaan van een van het voorgaande afwijkende opvatting, falen zij derhalve, terwijl zij voor het overige bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven. Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep bekrachtigd zal worden voor zover het om de vordering van Van Ede c.s. gaat.

13. Het hof overweegt voorts dat in het vorenstaande reeds het oordeel ligt besloten dat toewijzing van de vorderingen van [appellanten], voor zover deze (kennelijk) zijn gebaseerd op de stelling dat de in geding zijnde licentieovereenkomst na 31 maart 2006 is blijven bestaan, niet aan de orde is. Gelet hierop faalt grief VIII eveneens.

14. Wat betreft de vordering tot vergoeding van de schade die [appellanten] zouden lijden als gevolg van de omstandigheid dat de licentieovereenkomst "voortijdig beëindigd is", overweegt het hof dat deze vordering niet goed te rijmen valt met de in r.o. 13 bedoelde vorderingen, die immers zijn gebaseerd op de stelling dat de licentieovereenkomst juist niet is beëindigd. Voor zover de vordering tot vergoeding van schade al als subsidiair is bedoeld, overweegt het hof onder verwijzing naar het vorenstaande dat van enig tekortschieten door Van Ede c.s. geen sprake is, zodat de vordering daarop dient af te stuiten.

15. [appellanten] maken met grief X bezwaar tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat Van Ede c.s. proberen om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te bewegen de met hen ([appellanten]) gemaakte afspraken niet na te komen, alsmede dat "bedoelde afspraken executabel zijn" en dat daarmee het belang van [appellanten] bij nakoming van de afspraken door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wordt gewaarborgd. [appellanten] hebben evenwel nagelaten om te onderbouwen op welke grond het beroepen vonnis in zoverre vernietigd moet worden, zodat geen sprake is van een behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief.

16. Gelet hierop zal het vonnis waarvan beroep eveneens worden bekrachtigd voor zover het om de vorderingen van [appellanten] gaat.

De slotsom

17. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief III, 3 punten) .

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Van Ede c.s. tot aan deze uitspraak op € 296,00 aan verschotten en € 3.474,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Aldus gewezen door mrs. Keur, voorzitter, Telman en Van Wassenaer Van Catwijck, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 2 april 2008 in bijzijn van de griffier.