Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8794

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
0700366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellante] heeft gesteld dat Hajé voorzorgsmaatregelen had moeten treffen die een kans op een valpartij hadden moeten verminderen. Het hof overweegt dat indien de gang ter plaatse - vanwege morsend personeel of anderszins - geregeld glad zou zijn en Hajé daarvan op de hoogte was, van haar verwacht had mogen worden dat zij aanvullende maatregelen had genomen. Dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan is onvoldoende gesteld of gebleken. De schoonmaakinstructies van Hajé - eenmaal per dag (in de nachtelijke uren) soppen en de aanwijzing aan personeel om te letten op vuiligheid - moeten in dit licht dan ook voldoende worden beoordeeld. Het hof kan [appellante] dan ook niet volgen in haar stelling dat Hajé op de plek van de valpartij een antislipmat had moeten leggen. Evenmin oordeelt het hof dat - nog steeds uitgaande van de stelling van [appellante] dat de route door de keuken die dag de officiële looproute voor klanten was - dat het op de weg van Hajé had gelegen om een waarschuwing in de trant van "pas op, gang kan glad zijn indien nat" op te hangen nu niet vaststaat dat Hajé met dat concrete risico bekend was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 2 april 2008

Rolnummer 0700366

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante]

procureur: mr. C.M. Keuning,

tegen

Hajé Hotel Heerenveen BV,

gevestigd te Heerenveen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Hajé

procureur: mr. J.B. Dijkema.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 maart 2007 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 juni 2007 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Hajé tegen de zitting van 20 juni 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"[appellante] blijft bij haar vorderingen zoals verwoord in de dagvaarding in prima en biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens en in het bijzonder door getuigen, echter slechts voor zover uit hoofde van artikel 150 RV de bewijslast op haar mocht rusten."

Bij memorie van antwoord is door Hajé verweer gevoerd met als conclusie:

"Dat uw hof de grieven van [appellante] als ongegrond en onbewezen aanmerkt en, al dan niet onder verbetering van de gronden waarop het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 7 maart 2007 berust, overgaat tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vordering van [appellante], met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

1.1 [appellante] heeft op 18 februari 2004 als cursist deelgenomen aan de opleiding "Jeugd in de Wijk", georganiseerd door het Regionaal bureau Jeugd en Zeden van de politie Fryslân.

1.2 De cursus vond plaats op de tweede etage van het hotel van Hajé. Op die dag was de trap tussen de eerste en de tweede etage van het hotel wegens werkzaamheden afgesloten voor bezoekers.

1.3 [appellante] is bij het verlaten van het hotel, in de gang op de eerste etage, ten val gekomen doordat zij is uitgegleden op een plas water/vloeistof. Desbetreffende gang was voorzien van een laminaatvloer.

De procedure in eerste aanleg.

2. [appellante] heeft Hajé aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de valpartij. Nadat Hajé deze aansprakelijkheid had afgewezen, heeft [appellante] bij dagvaarding een verklaring voor recht gevorderd, alsmede verwijzing naar de schadestaat.

2.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen, daartoe overwegende dat de vloer als zodanig niet gebrekkig was in de zin van artikel 6:174 BW, dat niet gebleken is dat Hajé verdergaande veiligheidsmaatregelen had moeten treffen en dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Met betrekking tot de grieven I, II en III

3. Deze grieven richten zich tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Deze grieven behoeven geen bespreking meer omdat het hof hiervoor de vaststaande feiten reeds zelfstandig heeft vastgesteld.

4. Het hof voegt daar nog aan toe dat, voor zover de grieven erover klagen dat de rechtbank een aantal door [appellante] gestelde feiten, voor zover door Hajé niet betwist, niet onder de vaststaande feiten heeft gerangschikt, die grieven niet tot succes kunnen leiden, nu geen rechtsregel bestaat die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

Voor zover [appellante] erover klaagt dat de rechtbank door haar gestelde, doch door Hajé gemotiveerd betwiste feiten niet als vaststaand heeft aangemerkt, verliest [appellante] uit het oog dat gemotiveerd betwiste feitelijke stellingen nu juist niet als vertrekpunt voor de beoordeling door de rechtbank mogen worden opgenomen.

Met betrekking tot de grieven IV en V

5. Deze grieven richten zich tegen de samenvatting door de rechtbank van de standpunten van partijen en niet tegen het oordeel van de rechtbank als zodanig. Een dergelijke grief kan, zelfs als de samenvatting inderdaad onjuist is, zelfstandig nimmer tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep leiden. Beide grieven ontberen voorts een behoorlijke toelichting op welk punt de rechtbank de standpunten van partijen geen recht heeft gedaan.

De grieven behoeven geen verdere bespreking. Zij treffen geen doel.

Met betrekking tot grief VI

6. Deze grief betreft de het oordeel van de rechtbank dat Hajé niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante].

De rechtbank is daarbij veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van de stelling van [appellante] - op dit onderdeel door Hajé uitdrukkelijk betwist - dat [appellante] op aanwijzingen van personeel van Hajé van de tweede etage, via de personeelstrap -uitkomende in de keuken - naar de eerste etage is gelopen en dat zij even voorbij de klapdeuren van de keuken naar de gang van de eerste etage in een plas water ten val is gekomen. Het hof zal van eveneens veronderstellenderwijs van de juistheid van deze stelling uitgaan.

7. Het hof overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de vloer van de desbetreffende gang als zodanig - in goed onderhouden conditie - gevaarlijk glad was en daarmee gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW. De valpartij van [appellante] is veroorzaakt doordat de vloer glad was ten gevolge van een hoeveelheid vocht die daar niet behoorde te liggen. Met de rechtbank oordeelt het hof dat de tijdelijke aanwezigheid van een hoeveelheid vloeistof op de vloer die daarop niet thuishoort die vloer - en daarmee het hotel - nog niet tot een gebrekkige opstal maakt, zodat artikel 6:174 BW toepassing mist en de aansprakelijkheid van Hajé moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW.

8. [appellante] heeft aangevoerd dat de vraag of aansprakelijkheid krachtens artikel 6:162 BW bestaat moet worden beoordeeld aan de hand van de Kelderluik-criteria, als ondermeer herhaald in HR 7 april 2006, NJ 2006, 244, waar de Hoge Raad heeft overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, niet alleen moet worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en de ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen. Niet reeds de enkele mogelijkheid van schade als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar doet dat gedrag onrechtmatig zijn; zodanig gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.

9. [appellante] stelt dat Hajé meer voorzorgsmaatregelen had moeten nemen teneinde het valgevaar door water op de vloer tegen te gaan. In haar stellingname ligt besloten dat zij de aanwezigheid van water/vloeistof op de vloer in de gang als de als de onrechtmatige gedraging aanmerkt die tot aansprakelijkheid van Hajé zou moeten leiden.

Dat personeelsleden van Hajé wisten dat op de middag van de valpartij, voor de valpartij, een plasje vloeistof in de gang lag, is onvoldoende gesteld laat staan gebleken. De enige schriftelijke getuigenverklaring waarin iets over de oorzaak van de plas vocht wordt aangeven is de verklaring van [getuige], voormalig kok bij Hajé, die op 14 april 2005 - meer dan een jaar na de valpartij - meldt: "Op de vloer zag ik een plasje vocht liggen Een meer specifieke omschrijving van de hoeveelheid vocht kan ik niet geven. Het was in ieder geval niet een bijzonder grote hoeveelheid. vloeistof. Ik meen mij te herinneren dat ik op dat moment heb gehoord dat een van de stagiaires met een kar was langsgelopen en dat door haar vloeistof, mogelijk iets uit een koffie- of theekop, was gemorst. Of zij het gemorste al dan niet had opgeruimd op het moment van de valpartij is mij niet bekend. Evenmin is mij de naam van de stagiaire bekend. Ook weet ik niet wie mij deze lezing heeft verteld".

Dit onderdeel van de verklaring van [getuige] is evenwel te vaag om daaruit gevolgtrekkingen te kunnen maken.

10. [appellante] heeft gesteld dat Hajé voorzorgsmaatregelen had moeten treffen die een kans op een valpartij hadden moeten verminderen. Het hof overweegt dat indien de gang ter plaatse - vanwege morsend personeel of anderszins - geregeld glad zou zijn en Hajé daarvan op de hoogte was, van haar verwacht had mogen worden dat zij aanvullende maatregelen had genomen. Dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan is onvoldoende gesteld of gebleken. De schoonmaakinstructies van Hajé - eenmaal per dag (in de nachtelijke uren) soppen en de aanwijzing aan personeel om te letten op vuiligheid - moeten in dit licht dan ook voldoende worden beoordeeld. Het hof kan [appellante] dan ook niet volgen in haar stelling dat Hajé op de plek van de valpartij een antislipmat had moeten leggen. Evenmin oordeelt het hof dat - nog steeds uitgaande van de stelling van [appellante] dat de route door de keuken die dag de officiële looproute voor klanten was - dat het op de weg van Hajé had gelegen om een waarschuwing in de trant van "pas op, gang kan glad zijn indien nat" op te hangen nu niet vaststaat dat Hajé met dat concrete risico bekend was.

11. Het hof deelt dan ook de conclusie van de rechtbank dat de valpartij moet worden aangemerkt als een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarvoor Hajé niet aansprakelijk is.

12. Grief VI treft geen doel.

Met betrekking tot grief VII

13. Deze grief heeft betrekking op de kostenveroordeling en het dictum en ontbeert zelfstandig belang, zodat deze grief geen verdere bespreking behoeft.

Slotsom.

14. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, voor wat betreft het salaris te begroten op 1 procespunt naar tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Hajé tot aan deze uitspraak op € 300,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris voor de procureur en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 2 april 2008 in bijzijn van de griffier.