Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8787

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
0600516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn opstelling dat ter plaatse van de werkzaamheden twee personen (zijn broer en mevrouw [getuige 1]) waren belast met het toezicht op het naderende verkeer, nu behoudens zijn partij-getuigenverklaring geen steunbewijs voorhanden is dat behalve mevrouw [getuige 1] ook de broer van [appellant] zich bezig hield met het in de gaten houden van het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 2 april 2008

Rolnummer 0600516

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging aangevraagd,

procureur: mr. P. Stehouwer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging aangevraagd,

procureur: mr. J.V. van Ophem.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 27 juni 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Zowel aan de zijde van [appellant] (in enquête) als van [geïntimeerde] (in contra-enquête) zijn getuigen gehoord. De processen-verbaal van die verhoren bevinden zich bij de stukken.

Vervolgens heeft [appellant] een conclusie na enquête genomen, waarop [geïntimeerde]s bij conclusie heeft geantwoord.

Daarna hebben partijen de stukken opnieuw overgelegd voor arrest.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. [appellant] was gelegenheid geboden te bewijzen - kortweg - dat hij [geïntimeerde] zodanig heeft gewaarschuwd dat hem ([geïntimeerde]) aanstonds duidelijk was dat er sprake was van een gevaar.

2. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [appellant] als partij-getuige verklaard, voor zover thans relevant en zakelijk weergegeven, dat zijn broer en mevrouw [getuige 1] zich aan weerszijden van de staalkabel bevonden teneinde het naderende verkeer in de gaten te houden. Voorts heeft [appellant] verklaard dat zowel hij als mevrouw [getuige 1] naar [geïntimeerde] heeft geroepen om hem te waarschuwen, alsmede dat mevrouw [getuige 1] getracht heeft met armbewegingen [geïntimeerde] te waarschuwen.

3. Mevrouw [getuige 1] voornoemd heeft als getuige verklaard - wederom zakelijk weergegeven - dat het haar taak was om het verkeer te waarschuwen, terwijl de broer van [appellant] meehielp met het rooien van de coniferen. De getuige verklaarde tevens dat zij zich bevond aan de zijde van de staalkabel tegengesteld aan die vanwaar [geïntimeerde] naderde, en wel op een afstand van 4 á 5 meter. Zij heeft verklaard naar [geïntimeerde] te hebben geroepen en gezwaaid; zij weet niet of een van de gebroeders [appellant] ook heeft gewaarschuwd.

4. [geïntimeerde] heeft, voorzover thans relevant en kort weergegeven, op dit punt als getuige verklaard dat hij ten tijde van de aanrijding met de staalkabel geen personen ter plaatse heeft gezien of gehoord die hem hebben gewaarschuwd voor gevaar.

5. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn opstelling dat ter plaatse van de werkzaamheden twee personen (zijn broer en mevrouw [getuige 1]) waren belast met het toezicht op het naderende verkeer, nu behoudens zijn partij-getuigenverklaring geen steunbewijs voorhanden is dat behalve mevrouw [getuige 1] ook de broer van [appellant] zich bezig hield met het in de gaten houden van het verkeer.

6. Waar mevrouw [getuige 1] zich blijkens haar verklaring bevond aan de andere zijde van de kabel dan die waaruit [geïntimeerde] naderde, en wel op een afstand van 4 tot 5 meter, kan het hof niet tot het oordeel komen dat daarmede sprake is van een zodanig adequate wijze van waarschuwen dat het [geïntimeerde] aanstonds duidelijk was (of redelijkerwijs behoorde te zijn) dat er sprake was van een gevaar.

7. [appellant] heeft als productie bij zijn laatstgenomen conclusie nog een tweetal schriftelijke verklaringen overgelegd, beide gedateerd op 26 mei 2006, afkomstig van enkele bewoners van de [straatnaam en plaats]. [geïntimeerde] heeft tegen deze overlegging bezwaar aangetekend.

8. Het hof constateert dat uit geen van beide verklaringen in toereikende mate blijkt van eigen wetenschap van de ondertekenaars van deze verklaringen omtrent de feitelijke toedracht van de aanrijding, terwijl [appellant] evenmin aanbiedt de ondertekenaars van die verklaringen alsnog als getuigen te doen horen. Wel bevestigen de verklaringen dat (alleen) mevrouw [getuige 1] was belast met het waarschuwen van het verkeer.

9. Dientengevolge leggen de verklaringen geen doorslaggevend gewicht in de schaal ten gunste van [appellant], waarmede tevens het belang van [geïntimeerde] bij zijn bezwaar is uitgeput.

10. Mitsdien is [appellant] niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs, zodat ook in hoger beroep heeft te gelden dat hij door het spannen van een ongemarkeerde kabel over de openbare weg jegens [geïntimeerde] een gevaar heeft gecreëerd, hetgeen dient te worden aangemerkt als onrechtmatig jegens [geïntimeerde].

11. De slotsom luidt dat de grief van [appellant] doel mist, zodat het vonnis van de kantonrechter d.d. 10 augustus 2006, waarvan beroep, dient te worden bekrachtigd onder veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep (2 1/2 punt in tarief I).

12. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 10 augustus 2006, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 248,-- aan verschotten en € 1.580,-- voor salaris;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

€ 186,-- aan verschotten en € 1.580,-- voor salaris voor de procureur, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 RV.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Janse en Zandbergen, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 2 april 2008 in bijzijn van de griffier.