Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8195

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
0600233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waar [geïntimeerde], door SGG niet gemotiveerd bestreden, zowel in prima als in appel heeft aangevoerd dat de destijds door de VOF gedane betalingen feitelijk werden verricht door [de mede-vennoot], mede-vennoot van [geïntimeerde], terwijl [geïntimeerde] aanvoert met die betalingen inhoudelijk niet bekend te zijn, volgt reeds daaruit dat in bedoelde betalingen - wat daarvan verder ook zij - geen erkenning door [geïntimeerde] besloten kan liggen. Ook in zoverre missen de grieven doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 19 maart 2008

Rolnummer 0600233

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

SGG Collectief B.V., handelend onder de naam Relan Zekerheid,

gevestigd te Zoetermeer,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: SGG,

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats en -gemeente geintimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. A. Woertman.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 16 maart 2005 en 15 februari 2006 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 12 mei 2006 is door SGG hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 15 februari 2006 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 24 mei 2006.

De conclusie van de memorie van grieven waarbij SGG haar vordering heeft vermeerderd luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zal vernietigen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, d.d. 15 februari 2006, onder zaak-/rolnummer 66959 / HA ZA 04-983 tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde alsnog zal veroordelen aan appellante, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen een bedrag ad € 8.984,06 (zegge: achtduizend negenhonderd vierentachtig euro en zes eurocent), vermeerderd met de wettelijk rente over € 6.887,45 vanaf 1 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"I Tot afwijzing van de vordering in hoger beroep.

II Met veroordeling van SGG in de proceskosten gevallen in beide instanties. "

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

SGG heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Nu SGG geen grieven heeft gericht tegen de vaststelling van de feiten in r.o. 2 (2.1 t/m 2.8) van het beroepen vonnis terwijl daartegen ook anderszins niet van bezwaren is gebleken, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

2. Nadat SGG in prima bij akte d.d. 2 november 2005 haar eis had verminderd tot € 8.867,48 in hoofdsom, heeft zij bij memorie van grieven haar vordering stilzwijgend weer vermeerderd, waar zij thans in hoofdsom vordert het bedrag van € 8.984,06. Nu niet van bezwaar daartegen is gebleken, zal het hof uitgaan van de aldus vermeerderde eis.

3. Met grief II beoogt SGG - zakelijk weergegeven - ingang te doen vinden (onder meer) dat de rechtbank ten onrechte aan SGG heeft opgedragen de grondslag van haar bevoegdheid tot het instellen van de vordering tegen [geïntimeerde] te onderbouwen.

4. Nu het ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv aan degene (in casu SGG) die zich ter staving van zijn vordering beroept op de rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten of rechten is om - bij betwisting daarvan door de wederpartij ([geïntimeerde]) - het bewijs daarvan te leveren, terwijl in het onderhavige geval geen toereikende gronden bestaan tot het maken van een uitzondering op bedoelde hoofdregel, is het hof met de rechtbank van oordeel dat op SGG de last rust om haar stellingen te onderbouwen en daarvan het bewijs te leveren.

5. In zoverre mist grief II doel.

6. Kern van de beslissing van de rechtbank is het oordeel dat niet alleen de verschuldigdheid van [geïntimeerde] tot betaling van de premies aan SAZAS niet is komen vast te staan, doch ook dat SGG niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bevoegd is tot inning van die premies namens SAZAS.

7. Voorzover het oordeel van de rechtbank omtrent het voorgaande berust op het ontbreken van enig gemotiveerd beroep op een (collectieve arbeids)overeenkomst, heeft SGG in haar toelichting op grief I in algemene termen aangevoerd dat de verschuldigdheid aan SAZAS zowel als de plicht tot voldoening aan SGG volgt uit de "SAZAS-CAO". Enige verdere motivering of verduidelijking daarvan heeft SGG evenwel achterwege gelaten, en evenmin heeft zij de tekst van die CAO zoals deze destijds zou hebben gegolden, in het geding gebracht.

8. In het licht van het voorgaande bezien is het hof van oordeel dat in zoverre, wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing, geen sprake is van een behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief, zodat daaraan voorbij gegaan zal worden.

9. In de toelichting op grief I, aangevuld met een deel van de toelichting op grief II, voert SGG ter staving van haar stellingen voorts aan - in essentie - dat zowel de erkenning van de verschuldigdheid aan SAZAS als de erkenning van de invorderingsbevoegdheid van SGG besloten liggen in de omstandigheid dat [geïntimeerde] voorafgaand aan het jaar 1998 premies heeft betaald aan SGG, waarmede - nog steeds volgens SGG - sprake is van een "uitdrukkelijke, althans stilzwijgende" erkenning door [geïntimeerde] van het door SGG gestelde.

10. Waar [geïntimeerde], door SGG niet gemotiveerd bestreden, zowel in prima als in appel heeft aangevoerd dat de destijds door de VOF gedane betalingen feitelijk werden verricht door [de mede-vennoot], mede-vennoot van [geïntimeerde], terwijl [geïntimeerde] aanvoert met die betalingen inhoudelijk niet bekend te zijn, volgt reeds daaruit dat in bedoelde betalingen - wat daarvan verder ook zij - geen erkenning door [geïntimeerde] besloten kan liggen. Ook in zoverre missen de grieven doel.

11. Voor zover SGG in de toelichting op grief II heeft aangevoerd dat SGG inningsbevoegd is nu zij is aan te merken als rechtsopvolgster van "Relan Zekerheid (BV)", kan - wat daarvan ook zij - zulks SGG niet baten, nu ook hier wegens het ontbreken van enige onderbouwing of toelichting in zoverre niet gesproken kan worden van een behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief.

12. Hetzelfde geldt met betrekking tot het ontbreken van een indelingsbesluit waarop door SGG in de toelichting op grief II wordt ingegaan, nu - los van de onduidelijkheid of SGG haar beroep daarop ter staving van haar stellingen handhaaft - zij de facto volstaat met de blote opmerking dat bedoeld besluit afkomstig is van het UWV zonder evenwel bedoeld besluit in het geding te brengen.

13. Een en ander leidt tot de slotsom dat de grieven I en II beide doel missen, waarmede het belang van SGG bij deze grieven is uitgeput. Grief III betreft (enkel) de kostenveroordeling en heeft verder geen zelfstandige inhoud.

14. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven. Voor het opdragen van enig bewijs zoals door SGG in algemene termen is aangeboden omtrent door getuigen (alsnog) te leveren onderbouwing of motivering van het gevorderde, is in het licht van het bovenstaande geen plaats, nog daargelaten dat een bewijslevering betrekking dient te hebben op door de wederpartij betwiste feiten en omstandigheden die ten processe naar voren zijn gebracht en die tot beslissing van het geschil kunnen leiden (art. 166 lid 1 Rv).

15. Het vonnis, waarvan beroep, zal mitsdien worden bekrachtigd onder veroordeling van SGG als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep (1 punt in tarief I). Hetgeen SGG in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis heeft gevorderd, zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

Bekrachtigt het vonnis d.d. 15 februari 2006, waarvan beroep;

Wijst af hetgeen SGG in hoger beroep meer of anders heeft gevorderd;

Veroordeelt SGG in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] te begroten op € 396,-- aan verschotten en € 632,-- voor salaris.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en Janse, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 19 maart 2008 in bijzijn van de griffier.