Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8170

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
0600448
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De uitleg van [geïntimeerde] staat op gespannen voet met de tekst van beide bepalingen. Dat behoeft op zich nog niet aan de juistheid van deze uitleg in de weg te staan, maar vereist is dan wel - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over het karakter van het reglement en de uitleg ervan - dat die, alternatieve, uitleg op zeer overtuigende wijze steun vindt in de systematiek van het reglement en aansluit bij de andere bepalingen uit het reglement.

Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. De door [geïntimeerde] in de memorie van antwoord aangevoerde argumenten voor de door hem voorgestane uitleg overtuigen niet. Allereerst gaat [geïntimeerde] er zonder meer van uit dat de pensioenregeling het karakter van een eindloonregeling heeft. Uit de door partijen aangehaalde bepalingen uit het pensioenreglement volgt echter dat niet het laatstgenoten salaris, maar het jaarsalaris van de deelnemer in het voorafgaande jaar (de pensioengrondslag) bepalend is voor de aanspraken op pensioen. Vervolgens vindt de stelling van [geïntimeerde] dat de ratio van artikel 5 lid 3 van het pensioenreglement is dat de pensioengrondslag over een volledig kalenderjaar wordt berekend geen steun in de tekst van het reglement zelf. Dat deze ratio volgt uit een aan partijen ter beschikking staande toelichting op dat reglement of uit hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben verklaard, is gesteld noch gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0236
PJ 2008, 66

Uitspraak

Arrest d.d. 12 maart 2008

Rolnummer 0600448

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[Maatschap Accountants en Belastingadviseurs],

gevestigd te [vestigingsplaats appellant],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [de maatschap],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 4 december 2003 en 29 juni 2006 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 augustus 2006 is door [de maatschap] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 20 september 2006.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij vier producties zijn overgelegd, luidt:

"om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de Rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen van 29 juni 2006 en 4 december 2003 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van geïntimeerde (alsnog) af te wijzen en hem deze geheel te ontzeggen, althans zijn vordering af te wijzen als het hof in goede justitie zou vermenen te behoren, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bekrachtigen het tussenvonnis op 29 juni 2006 onder zaaknummer / rolnummer

188982 / CV EXPL 03-604 - door de Rechtbank Groningen, Sector Kanton, Locatie Groningen tussen [geïntimeerde] als eiser en [de maatschap] als gedaagde, op tegenspraak gewezen, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van gronden;

II. [de maatschap] in haar vorderingen, zoals geformuleerd in de memorie van grieven niet ontvankelijk te verklaren, althans [de maatschap] haar vorderingen te ontzeggen;

III. [de maatschap] te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, met bepaling dat deze kosten binnen twee dagen na het te dezen te wijzen arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan [de maatschap] tevens de wettelijke rente over deze kosten zal zijn verschuldigd."

Voorts heeft [de maatschap] bij akte tot het overleggen van producties nog een productie in het geding gebracht.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[de maatschap] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van het beroep

1. [de maatschap] is in beroep gekomen tegen twee tussenvonnissen. De kantonrechter heeft alleen betreffende het laatst gewezen vonnis, dat van 29 juni 2006, hoger beroep opengesteld. [geïntimeerde] heeft betoogd dat [de maatschap] niet ontvankelijk is voor zover het appel gericht is tegen het eerste tussenvonnis, dat van 4 december 2003.

2. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Wanneer, zoals hier, een tussenvonnis waarvan appel is uitgesloten wordt gevolgd door een tussenvonnis waartegen appel wel openstaat, staat van beide tussenvonnissen appel open (vgl. HR 18 november 1966, NJ 1967, 222 en HR 17 december 2005, NJ 2006, 229). Deze regel, die op dat punt door de invoering van het nieuwe wetboek van burgerlijke rechtsvordering per 1 januari 2002 niet is gewijzigd, heeft de strekking om een nodeloze splitsing van de berechting van met elkaar samenhangende onderdelen van het gevorderde te voorkomen.

[de maatschap] is derhalve ook ontvankelijk in zijn appel tegen het tussenvonnis van 4 december 2003 en het hof zal de tegen dat vonnis gerichte grieven dan ook bespreken.

De vaststaande feiten

3. Tegen de vaststelling van de feiten in rechtsoverweging 1 van het tussenvonnis van 4 december 2003 zijn geen grieven gericht, zodat ook in hoger beroep kan worden uitgegaan van deze feiten. Op basis van deze feiten en van hetgeen overigens door partijen is gesteld en niet (voldoende) bestreden is, staat het volgende vast.

3.1. [geïntimeerde] is op 1 augustus 1989 bij [de maatschap] in dienst getreden als aankomend belastingadviseur. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen is onder meer (in artikel 7) bepaald:

"Behoudens medische acceptatie en continuering van de arbeidsovereenkomst treedt werknemer vanaf 1 augustus 1990 (lees: toe - aanvulling hof) tot de collectieve pensioenregeling van werkgever. (...) De werknemersbijdrage in de pensioenpremie bedraagt 5% van de pensioengrondslag."

De arbeidsovereenkomst bevat ook een relatiebeding.

3.2. [geïntimeerde], die aanvankelijk fulltime werkte, is van 1 juli 1998 tot 1 januari 2000 tijdelijk vier dagen per week gaan werken en 1 dag gaan studeren. In verband daarmee ontving hij die periode geen 13e maand en werd zijn salaris per 1 januari 1999 (beperkt) verhoogd van fl. 6.750,00 in fl. 6.900,00 bruto per maand. [de maatschap] betaalde de studiekosten.

3.3. Per 1 januari 2000 werd het salaris van [geïntimeerde], die inmiddels de opleiding succesvol had afgerond, verhoogd naar fl. 9.200,00 bruto per maand, vermeerderd met een 13e maand, op basis van een werkweek van 5 dagen.

3.4. In een brief van 30 november 2000 heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [de maatschap] opgezegd per 1 januari 2001. [geïntimeerde] is per 1 januari 2001 in dienst getreden bij Kab accountants en belastingadviseurs (hierna: Kab).

3.5. Op 26 maart 2001 is een schriftelijke vaststellingsovereenkomst ondertekend door [de maatschap], Kab en [geïntimeerde]. In de considerans van deze overeenkomst is vermeld dat [de maatschap] tot en met 31 december 2000 in loondienst voor [de maatschap] werkte en dat hij per 1 januari 2001 in dienst is getreden van Kab, dat enkele klanten van [de maatschap] met hem mee zijn gegaan naar Kab en dat partijen afspraken hebben gemaakt over de uit hoofde van het relatiebeding in de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [de maatschap] te betalen vergoeding. De vaststellingsovereenkomst bevat, in artikel 3, een beding van finale kwijting.

3.6. Na het einde van de arbeidsovereenkomst heeft [geïntimeerde] het pensioenreglement (productie 4 bij de inleidende dagvaarding) van [de maatschap] ontvangen. Daarin is onder meer bepaald (artikel 5):

"1. Bij de berekening van de pensioenen wordt uitgegaan van

- de dienstjaren van de deelnemer;

- de pensioengrondslag van de deelnemer.

(...)

3. De pensioengrondslag is een bedrag gelijk aan het jaarsalaris van de

deelnemer in het voorgaande kalenderjaar, verminderd met een franchise

geldend voor het lopende kalenderjaar.

De jaarlijkse vaststelling van de pensioengrondslag vindt plaats per 1

januari waarbij het jaarsalaris van het voorgaande kalenderjaar in

aanmerking wordt genomen.

4. Onder jaarsalaris wordt verstaan 12 maal het bedrag dat tussen de

werkgever en de deelnemer als maandsalaris in het voorgaande kalender-

jaar is overeengekomen, vermeerderd met de vakantietoeslag.

(...)

6. De franchise wordt elk jaar per 1 januari voor het tijdvak tot aan 1 januari

daaropvolgend vastgesteld op een bedrag ter grootte van 10/7 maal een

basisbedrag.

Dit basisbedrag is een bedrag ter grootte van twee maal het jaarlijkse

pensioen, dat krachtens de Algemene Ouderdomswet wordt uitgekeerd aan

een gehuwde, van wie de echtgenoot 65 jaar of ouder is."

Artikel 12 van het reglement bevat een regeling voor de gevolgen van een tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 12 lid 4 wordt voor de gewezen deelnemer aan de pensioenregeling dan een premievrije aanspraak op (ouderdoms-, nabestaanden- en wezen)pensioen vastgesteld op basis van de tot op dat moment voor hem betaalde bijdragen. Tevens wordt een tijdsevenredig pensioen vastgesteld. De gewezen deelnemer heeft aanspraak op een tijdsevenredig pensioen. Wanneer dat meer bedraagt dan het premievrije pensioen, dient de werkgever het verschil te financieren door middel van een eenmalige koopsom. Lid 5 van artikel 12 bevat een definitie van het begrip tijdsevenredig pensioen, die als volgt luidt:

"Daaronder wordt verstaan het verschil tussen:

a het pensioen verzekerd op het tijdstip van de beëindiging van de

dienstbetrekking en

b het pensioen, dat verkregen zou worden indien de deelnemer op het

tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking in de pensioenregeling

zou worden opgenomen,

een en ander berekend op basis van de gegevens per de datum van beëindiging van de dienstbetrekking."

Artikel 13 lid 4 van het pensioenreglement voorziet in geval van tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de mogelijkheid van de overdracht van de waarde van de premievrije pensioenaanspraken aan de pensioenverzekeraar van de nieuwe werkgever.

3.7. [de maatschap] heeft gedurende het dienstverband 5% van het jaarsalaris ingehouden zonder aftrek van de franchise. Bovendien is gedurende de eerste acht jaren van het dienstverband ook 5% ingehouden op de 13e maand.

3.8. De overdrachtswaarde van het bij [de maatschap] door [geïntimeerde] opgebouwde pensioen is per 18 juni 2001 bepaald op fl. 76.359,00. In een brief van 2 april 2002 aan de (toenmalige) gemachtigde van [de maatschap] schreef Delta Lloyd, de pensioenverzekeraar, over de berekening van dit bedrag onder meer:

"Uitgangspunt van het tijdsevenredige pensioen is het per de uitdienstredingdatum verzekerde pensioen. Dit pensioen is vastgesteld op basis van het jaarsalaris van het voorgaande jaar."

De bespreking van de grieven

4. In grief 1 beroept [de maatschap] zich op artikel 3 uit de in rechtsoverweging 3.5 aangehaalde vaststellingsovereenkomst. Zij betoogt dat zij zich bij conclusie van antwoord op dit beding heeft beroepen, dat [geïntimeerde] daar niet op heeft gereageerd en dat de kantonrechter in de beide bestreden (tussen)vonnissen ook aan het beding voorbij is gegaan. Nu partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen elkaar over en weer finale kwijting te verlenen, is de vordering van [geïntimeerde] om die reden niet toewijsbaar.

5. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk aandacht heeft besteed aan de vaststellingsovereenkomst. Hij heeft in punt 16 van de dagvaarding gesteld dat [de maatschap] zich primair op de vaststellingsovereenkomst beriep en heeft in punt 20 het op de vaststellingsovereenkomst gebaseerde verweer van [de maatschap] weerlegd. In dat kader heeft [geïntimeerde] gesteld dat de vaststellingsovereenkomst geen enkel verband houdt met de door hem ingestelde vorderingen. Volgens hem is de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst, en daarmee het beding van finale kwijting, beperkt tot het relatiebeding.

6. In de conclusie van antwoord heeft [de maatschap] zich, anders dan zij nu stelt, niet op het beding van finale kwijting uit de vaststellingsovereenkomst beroepen. Zij heeft in die conclusie de vaststellingsovereenkomst slechts aangehaald ter ondersteuning van haar stelling dat het dienstverband met [geïntimeerde] op 31 december 2000, en niet op 1 januari 2001, beëindigd is. In dat kader merkte [de maatschap] in punt 8 van de conclusie van antwoord op:

"Dat blijkt bijvoorbeeld uit de hierbij als productie 17 overgelegde brief van [geïntimeerde] aan [de maatschap] van 8 januari 2001 en uit de als productie 18 overgelegde door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 28 maart 2001, waarop [de maatschap] zich in deze zaak niet (meer) beroept voor wat betreft de in die overeenkomst voorkomende "finale kwijting"."

Ook in de andere processtukken in eerste aanleg heeft [de maatschap] zich niet op het beding van finale kwijting beroepen.

7. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 6 is vastgesteld, staat het [de maatschap] thans niet meer vrij om zich met een beroep op het beding van finale kwijting te verweren tegen de vordering van [geïntimeerde]. Het betreft een gedekt verweer. Overigens gaat het verweer ook om de volgende reden niet op. [geïntimeerde] heeft reeds in de inleidende dagvaarding gemotiveerd gesteld dat en waarom de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst, gelet op de strekking van de vaststellingsovereenkomst, niet in de weg staat aan toewijzing van zijn vorderingen. [de maatschap] heeft hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft gesteld niet, laat staan gemotiveerd, weersproken, zodat zij haar beroep op het beding onvoldoende heeft onderbouwd. De grief faalt derhalve.

8. Tussen partijen staat vast dat bij de bepaling van het bedrag dat op het salaris van [geïntimeerde] aan pensioenpremie werd ingehouden, geen rekening werd gehouden met een franchise. In rechtsoverweging 5 van het vonnis van 4 december 2003 heeft de kantonrechter overwogen dat vaststaat dat deze inhouding in strijd is met hetgeen in de arbeidsovereenkomst en het pensioenreglement is bepaald. In het tussenvonnis van 29 juni 2006 heeft zij overwogen dat [de maatschap] de bewijslast draagt van haar stelling dat de afspraak is gemaakt dat bij de inhouding geen rekening wordt gehouden met de franchise.

9. Met de grieven 2, 3 en 5 komt [de maatschap] op tegen dit oordeel. [de maatschap] voert allereerst aan dat de kantonrechter er aan voorbij heeft gezien dat een inhouding nimmer in strijd met het pensioenreglement kan zijn, omdat de verdeling van de pensioenpremie tussen werkgever en werknemer niet door dat reglement, maar door de tussen werkgever en werknemer dienaangaande gemaakte afspraken wordt bepaald. Het feit dat het pensioenreglement een franchise kent, betekent volgens [de maatschap] dan ook nog niet dat ook bij de tussen partijen gemaakte afspraken met een dergelijke franchise rekening moet worden gehouden.

10. Het hof stelt voorop dat in een situatie als deze, waarin in een arbeidsovereenkomst wordt bepaald dat de werknemer toetreedt tot een collectieve pensioenregeling, de verwijzing in de arbeidsovereenkomst en de inhoud van het pensioenreglement samen de pensioenovereenkomst vormen (vgl. Kamerstukken II 2005-06, 30 413, nr. 3, pag. 10). Het reglement wordt dan in de pensioenovereenkomst geïncorporeerd. Voor zover [de maatschap] wil betogen dat voor de bepaling van de bijdrage van [geïntimeerde] aan de kosten van het pensioen het pensioenreglement in geen geval van belang is, gaat zij aan deze samenhang voorbij. [de maatschap] is in dit standpunt overigens ook niet consequent, nu zij zich bij grief 4 zelf op de tekst van het pensioenreglement beroept.

11. Voor het antwoord op de vraag welke bijdrage [geïntimeerde] dient te leveren aan zijn pensioenvoorziening, en daarmee welk bedrag op zijn salaris mocht worden ingehouden, is uiteraard wel van belang of [de maatschap] en [geïntimeerde] daarover zelf afspraken hebben gemaakt. In dit kader verwijst het hof ook naar artikel 16 van het pensioenreglement, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat een regeling voor de verdeling van de kosten van de pensioenregeling in de tussen werkgever en werknemer gesloten arbeidsovereenkomst is getroffen. Bij het antwoord op de vraag wat partijen zijn overeengekomen, zal het hof het arbeidscontract tussen partijen dan ook als uitgangspunt nemen.

12. In het arbeidscontract wordt, in artikel 7, bepaald dat de werknemersbijdrage in de pensioenpremie 5% van "de pensioengrondslag" bedraagt. Het begrip pensioengrondslag wordt in het arbeidscontract niet gedefinieerd. Gesteld noch gebleken is dat [de maatschap] en [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst of nadien over de definitie van dit begrip hebben gesproken, zodat het - mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de nauwe samenhang tussen pensioentoezegging in de arbeidsovereenkomst en pensioenreglement - voor de hand ligt voor een definitie aansluiting te zoeken bij de definitie in het pensioenreglement.

13. In het in rechtsoverweging 3.6 aangehaalde artikel 5 lid 3 van het pensioenreglement wordt het begrip pensioengrondslag gedefinieerd. Uit die definitie volgt onmiskenbaar dat voor de bepaling van de pensioengrondslag de franchise in mindering strekt op het jaarsalaris. Het ligt, gezien meergenoemde samenhang tussen pensioentoezegging en reglement, voor de hand dat in de pensioentoezegging in de arbeidsovereenkomst geen ander begrip pensioengrondslag wordt gehanteerd dan in het pensioenreglement. Op grond van de tekst van het arbeidscontract en van het pensioenreglement diende [de maatschap] bij de bepaling van de in te houden pensioenbijdrage dan ook rekening te houden met de franchise.

14. [de maatschap] heeft er op gewezen dat het pensioenreglement pas na het einde van de arbeidsovereenkomst aan [geïntimeerde] is overhandigd. Dat leidt echter niet tot een ander oordeel. Dat het pensioenreglement pas later is overhandigd, betekent niet dat het niet eerder van toepassing was en om die reden buiten beschouwing moet blijven. Gesteld noch gebleken is dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst of nadien een andere definitie voor het begrip pensioengrondslag is gehanteerd dan de definitie die is weergegeven in het overhandigde reglement.

15. Nu uit de schriftelijke arbeidsovereenkomst in combinatie met het pensioenreglement volgt dat bij de bepaling van de in te houden pensioenpremie rekening gehouden dient te worden met de franchise, dient [de maatschap] haar, gemotiveerd door [geïntimeerde] weersproken, stelling te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat in afwijking van hetgeen in het arbeidscontract en in het pensioenreglement is vermeld bij de bepaling van de in te houden pensioenpremie geen rekening zal worden gehouden met de franchise. Met het feit dat partijen in 1998 over de inhouding hebben gesproken, is dat bewijs nog niet geleverd, alleen al omdat partijen van mening verschillen over de vraag of toen ook de afdracht over de franchise ter sprake is geweest.

16. De kantonrechter heeft [de maatschap] dan ook terecht opgedragen te bewijzen dat partijen in afwijking van het pensioenreglement hebben afgesproken dat de pensioenbijdrage van [geïntimeerde] ook over de franchise werd berekend. De tegen deze bewijsopdracht gerichte grieven 2, 3 en 5 falen.

17. Partijen verschillen ook van mening over de vraag welk jaar als maatstaf voor de berekening van de overdrachtswaarde van het pensioen van [geïntimeerde] heeft te gelden. [de maatschap] is uitgegaan van het jaar 1999. [geïntimeerde] meent dat uitgegaan moet worden van het jaar 2000. Partijen zijn het er over eens dat wanneer wordt uitgegaan van het jaar 2000, de overdrachtswaarde (van het tijdsevenredig pensioen) aanzienlijk hoger is dan wanneer wordt uitgegaan van 1999 als peiljaar. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn gebaseerd op het jaar 1999 als peiljaar. Zij missen grondslag indien niet van 1999 maar van 2000, zoals [de maatschap] meent, moet worden uitgegaan.

18. De kantonrechter heeft overwogen dat uitgegaan dient te worden van het jaar 2000. Zij oordeelde verder dat een deskundige benoemd diende te worden om het bedrag te berekenen dat gemoeid was met het verschil in overdrachtswaarde tussen 1999 of 2000 als peiljaar. Met de grieven 4 en 6 komt [de maatschap] op tegen dit oordeel van de kantonrechter. Volgens haar volgt uit de tekst van het pensioenreglement onmiskenbaar dat, nu de arbeidsovereenkomst tussen haar en [geïntimeerde] op 31 december 2000 eindigde, het salaris van [geïntimeerde] over 1999 als maatstaf heeft te geleden voor de berekening van diens pensioenaanspraken bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Een berekening van het verschil tussen beide waarden door een deskundige dient in de visie van [de maatschap] dan ook achterwege te blijven.

19. [geïntimeerde] meent dat het pensioenreglement op een andere manier dient te worden uitgelegd. Die uitleg leidt ertoe dat zijn inkomen over het jaar 2000 bepalend is voor de berekening van zijn pensioenrechten bij het einde van de arbeidsovereenkomst, zodat een onderzoek door een deskundige naar de verschillende waarden wel noodzakelijk is.

20. Het hof stelt voorop dat partijen thans niet meer van mening lijken te verschillen over het feit dat de arbeidsovereenkomst tussen hen op 31 december 2000 beëindigd is. Vaststaat dat 31 december 2000, ook door [geïntimeerde], als laatste werkdag van [geïntimeerde] is aangemerkt en dat [geïntimeerde] per 1 januari 2001 bij Kab in dienst is getreden. Op 1 januari 2001 was [geïntimeerde] derhalve niet meer bij [de maatschap] in dienst.

21. Partijen zijn het er over eens dat voor het antwoord op de vraag welk peiljaar moet worden aangehouden, (de uitleg van) het pensioenreglement doorslaggevend is. Zij beroepen zich ook op dat reglement. Volgens [geïntimeerde] is op de uitleg van het reglement de zogenaamde CAO-norm van toepassing. Het hof volgt hem daarin niet zonder meer. Het gaat hier niet om de uitleg van bepalingen uit een pensioenreglement in de verhouding tussen een werknemer en de pensioenuitvoerder, in welke verhouding in beginsel dient te worden uitgegaan van toepassing van de CAO norm, maar om een uitleg van het reglement in de verhouding tussen werkgever en werknemer in een situatie dat het pensioenreglement, door een verwijzing naar dat reglement in het arbeidscontract, in de arbeidsovereenkomst is geïncorporeerd. In een dergelijke situatie ligt het eerder voor de hand aansluiting te zoeken bij de Haviltexnorm (vergelijk HR 9 juli 2004, NJ 2005, 496).

22. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004, NJ 2005, 493, dat betrekking had op de uitleg van een pensioenreglement in de verhouding werknemer - pensioenuitvoerder, volgt echter dat tussen de CAO-norm en de Haviltexnorm geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang bestaat. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn telkens alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van doorslaggevende betekenis. De uitleg dient dan ook niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het contract is gesteld, zij het dat in praktisch opzicht deze bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken vaak wel van grote betekenis zijn.

23. Voor de uitleg van de relevante bepalingen uit het pensioenreglement in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [de maatschap] betekent hetgeen hiervoor is overwogen dat grote betekenis toekomt aan de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het reglement, waarbij ook acht geslagen moet worden op de aard en strekking van de desbetreffende bepalingen, de elders in het reglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid en redelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de mogelijke interpretaties zouden leiden. Daarbij is van belang dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] en [de maatschap] zich jegens elkaar hebben uitgelaten over de tekst van het pensioenreglement, dat [geïntimeerde] niet bij de totstandkoming van het reglement betrokken is geweest en dat het reglement ook bedoeld is om toegepast te worden in andere overeenkomsten dan die tussen [de maatschap] en [geïntimeerde].

24. Artikel 12 lid 5 van het pensioenreglement bepaalt dat het tijdsevenredig pensioen (en derhalve ook de waarde-aanspraak betreffende het tijdsevenredig pensioen) dient te worden berekend op basis van de gegevens per de datum van beëindiging van de dienstbetrekking. Partijen zijn het er over eens dat bij die berekening moet worden uitgegaan van de pensioengrondslag in de zin van artikel 5 lid 3 van het pensioenreglement. Die pensioengrondslag wordt, blijkens deze bepaling, jaarlijks per 1 januari vastgesteld op basis van het jaarsalaris (12 maandsalarissen per 1 januari met vakantietoeslag - artikel 5 lid 4 van het pensioenreglement) van het vorige jaar.

25. Op grond van de hiervoor besproken bepalingen uit het pensioenreglement dient voor de berekening van het tijdsevenredig ouderdomspensioen van een werknemer die in de loop van een bepaald jaar ontslag neemt, uitgegaan te worden van diens jaarsalaris in het vorige kalenderjaar. De vraag rijst of dat ook geldt voor een werknemer wiens dienstverband niet in de loop van een kalenderjaar, maar op de laatste dag van dat jaar eindigt.

26. [geïntimeerde] meent, met de kantonrechter, dat voor een werknemer wiens laatste werkdag 31 december van een bepaald jaar is, en die het gehele jaar gewerkt heeft, het salaris per 1 januari van dat jaar, en niet van het daaraan voorafgaande jaar, als uitgangspunt genomen moet worden bij de berekening van het evenredig ouderdomspensioen. Hij beroept zich daartoe op de ratio van het pensioenreglement. Die is volgens hem dat de pensioengrondslag over een volledig jaar berekend wordt. Om die reden wordt in het reglement niet voor 31 december als peildatum gekozen (het jaar is dan nog niet helemaal om). Bovendien beroept [geïntimeerde] zich op het karakter van de pensioenregeling, in zijn visie een eindloonregeling, en betoogt hij dat de uitkomst van de door hem bepleite uitleg redelijk is en binnen het systeem van het pensioenreglement past.

27. Volgens [de maatschap] dient echter te worden uitgegaan van de letterlijke tekst van de aangehaalde bepalingen uit het pensioenreglement en brengen die bepalingen mee dat als peildatum voor de waardeberekening het salaris van 1 januari van het voorafgaande jaar gehanteerd moet worden.

28. Naar het oordeel van het hof ligt het voor de hand om uit te gaan van de door [de maatschap] voorgestane uitleg van de artikelen 12 lid 4 en 5 lid 3 van het reglement. De bepalingen zijn niet onduidelijk en een taalkundige uitleg van deze bepalingen leidt tot de conclusie dat ook bij het einde van een arbeidsovereenkomst op 31 december van een bepaald jaar het salaris van het voorgaande kalenderjaar, in dit geval van 1999, bepalend is, net zoals het geval zou zijn wanneer de arbeidsovereenkomst niet op 31 december maar op 30 november eindigde.

29. De uitleg van [geïntimeerde] staat op gespannen voet met de tekst van beide bepalingen. Dat behoeft op zich nog niet aan de juistheid van deze uitleg in de weg te staan, maar vereist is dan wel - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over het karakter van het reglement en de uitleg ervan - dat die, alternatieve, uitleg op zeer overtuigende wijze steun vindt in de systematiek van het reglement en aansluit bij de andere bepalingen uit het reglement.

30. Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. De door [geïntimeerde] in de memorie van antwoord aangevoerde argumenten voor de door hem voorgestane uitleg overtuigen niet. Allereerst gaat [geïntimeerde] er zonder meer van uit dat de pensioenregeling het karakter van een eindloonregeling heeft. Uit de door partijen aangehaalde bepalingen uit het pensioenreglement volgt echter dat niet het laatstgenoten salaris, maar het jaarsalaris van de deelnemer in het voorafgaande jaar (de pensioengrondslag) bepalend is voor de aanspraken op pensioen. Vervolgens vindt de stelling van [geïntimeerde] dat de ratio van artikel 5 lid 3 van het pensioenreglement is dat de pensioengrondslag over een volledig kalenderjaar wordt berekend geen steun in de tekst van het reglement zelf. Dat deze ratio volgt uit een aan partijen ter beschikking staande toelichting op dat reglement of uit hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben verklaard, is gesteld noch gebleken.

31. Het betoog van [geïntimeerde] dat zijn uitleg past binnen het systeem van het pensioenreglement is gebaseerd op een situatie die zich hier niet voordoet, de situatie dat iemand precies een volledig kalenderjaar, van 1 januari tot en met 31 december, in dienst is geweest. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat zijn uitleg voor die situatie een passende oplossing biedt. Dat betekent echter niet dat die uitleg dient te worden toegepast in alle andere situaties, waaronder die van [geïntimeerde] die vele jaren bij [de maatschap] in dienst is geweest.

32. Het moge zo zijn dat het voor [geïntimeerde] wrang is dat hij, wanneer hij een dag langer in dienst zou zijn geweest, (veel) meer pensioenrechten zou hebben opgebouwd, maar dat is inherent aan de keuze van [geïntimeerde] om per 31 december 2000, precies op de laatste dag voordat een nieuwe pensioengrondslag zou gaan gelden, op te zeggen. Indien [geïntimeerde] per 31 januari 2001 zou hebben opgezegd, zouden zijn pensioenrechten wel zijn berekend op basis van het salaris over 2000. Wanneer hij per 30 november 2000 zou hebben opgezegd weer niet. Aan het bovenstaande doet, anders dan [geïntimeerde] betoogt, niet af dat [geïntimeerde] over het volledige jaar 2000 pensioenpremie heeft betaald. Allereerst volgt uit het arbeidscontract van [geïntimeerde] dat de door hem betaalde pensioenpremie is gebaseerd op de pensioengrondslag, in 2000 derhalve op het salaris over 1999. Bovendien telt het jaar 2000 wel mee bij de berekening van het aantal dienstjaren en daarmee bij de opbouw van de pensioenrechten.

33. De slotsom is dat de grieven 4 en 6 slagen. De (bij conclusie na comparitie gewijzigde) vorderingen van [geïntimeerde] betreffende de pensioenopbouw zijn op een onjuiste uitleg van het pensioenreglement gebaseerd en ontberen derhalve een deugdelijke grondslag. De vorderingen zijn om die reden niet toewijsbaar, zodat een onderzoek door een deskundige naar de omvang van de vorderingen achterwege kan blijven.

34. Het hof zal de vonnissen van de kantonrechter vernietigen. Omdat het niet mogelijk is om de zaak op basis van de thans beschikbare gegevens af te doen, zal het hof de zaak voor verdere behandeling, met inachtneming van hetgeen het hof heeft overwogen en beslist, verwijzen naar de kantonrechter.

35. Omdat beide partijen op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de vonnissen van 4 december 2003 en 29 juni 2006;

verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep zal dragen.

Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 maart 2008 in bijzijn van de griffier.