Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC7608

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
0700080
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze zaak, die handelde over een aandelenleaseproduct van Aegon: de zogenoemde 'Vliegwielovereenkomst', was de vraag aan de orde of de overeenkomst als huurkoop gekwalificeerd diende te worden en of de echtgenoot van de lessee dientengevolge op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW toestemming diende te geven voor het aangaan van de overeenkomst.

Deze vraag is in het arrest bevestigend beantwoord, zulks in navolging van zowel de conclusie die de procureur-generaal mr. De Vries Lentsch-Kostense onlangs in de zaak Dexia heeft genomen (LJN: BC2837) als van het advies van Brunner en Roelvink aan de Commissie Geschillen Aandelenlease.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 12 maart 2008

Rolnummer 0700080

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Aegon Financiële Diensten B.V.,

gevestigd te 's Gravenhage,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Aegon,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden ],

procureur: mr. P. Tuinman.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 5 september 2006 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 oktober 2006 is door Aegon hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden ] tegen de zitting van 14 februari 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"AEGON verzoekt het gerechtshof:

(a) het bestreden vonnis te vernietigen;

(b) opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in hun vordering jegens AEGON niet ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, althans de gevorderde restitutieverplichting te matigen, althans het bedrag van de wettelijke rente te verminderen; en

(c) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te veroordelen om al hetgeen AEGON ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen heeft voldaan aan haar terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling,

(d) met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om de kosten van de procedure in beide instanties te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het arrest, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is".

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden ] verweer gevoerd met als conclusie:

"Geïntimeerden concluderen dat het appèl moet worden verworpen c.q. het vonnis moet worden bekrachtigd, al dan niet met verbetering van de gronden, met veroordeling van appellante in de kosten van de procedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Aegon heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Aegon heeft geen grief ontwikkeld tegen de weergave van de feiten in rechtsoverweging 2.1 van het bestreden vonnis, zodat het hof van die feiten uit zal gaan. In hoger beroep staat voorts, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, het volgende tussen partijen vast.

1.1 [geïntimeerde 2] heeft op 28 augustus 2001 een aanvraagformulier voor twaalf Aegon Koopsom Vliegwielovereenkomsten (elk met een storting van f 5.000,--) ingevuld en aan Aegon gezonden.

1.2 Aegon heeft vervolgens twaalf overeenkomsten aan [geïntimeerde 2] toegezonden, vergezeld van de Bijzondere Voorwaarden Koopsom Vliegwiel.

[geïntimeerde 2] heeft deze overeenkomsten ondertekend en aan Aegon geretourneerd. [geïntimeerde 1] heeft de overeenkomsten niet (mee)ondertekend.

1.3 Begin oktober 2001 heeft Aegon op verzoek van [geïntimeerde 2] ingestemd met de onmiddellijke beëindiging van negen van de twaalf overeenkomsten.

1.4 In de resterende drie Vliegwielovereenkomsten – met nummers: 25007560, 25007561 en 25007562 – is ondermeer het volgende bepaald:

1. Cliënt neemt van Aegon in lease, gelijk deze aan cliënt in lease verstrekt, de hierna te noemen aandelen (…..)

totaal aankoopbedrag (hierna te noemen: de hoofdsom) € 5.556,01 (f 12.234,83)

contante waarde totaal te betalen rente gedurende € 2.262,00 (f 4.984,79)

60 termijnen van deze KoopsomVliegwiel-overeenkomst

op basis van 10,50 % per jaar

totaal overeengekomen leasesom € 7.818,01 (f 17.228,63)

(…..)

3. De leasesom wordt als volgt terugbetaald:

a) een bedrag van f 4.984,79 (€ 2.262,00), zijnde de contante waarde van de renteverplichtingen, dient binnen twee weken na ondertekening van deze overeenkomst te worden voldaan.

b) een bedrag van f 100,-- (eenhonderd gulden) uiterlijk te betalen op de 15e dag van de 59ste maand van de leaseperiode.

c) het restant ten bedrage van f 12.143,83 dient bij afloop van deze overeenkomst te worden betaald. Dit restant kan verrekend worden met de verkoopopbrengst van de aandelen.

(…..)

7. Zodra cliënt datgene aan Aegon heeft betaald wat hij haar krachtens deze Vliegwiel-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Koopsom Vliegwiel verschuldigd is of zal worden, wordt cliënt van rechtswege eigenaar van de aandelen.

1.5 In de Bijzondere Voorwaarden Koopsom Vliegwiel zijn ondermeer de volgende bepalingen opgenomen:

1. Aegon blijft eigenaresse van de aandelen totdat de cliënt haar al datgene heeft betaald wat hij haar krachtens de Vliegwiel-overeenkomst verschuldigde is Aegon draagt het risico van het verloren gaan van de aandelen totdat deze eigendom van cliënt zijn geworden. Koersrisico’s komen echter voor rekening van cliënt

2. Alle baten en waardeveranderingen van de aandelen komen cliënt toe.(…..)

3. Het beleggingsrisico, waaronder begrepen het risico van een waardedaling van de aangekochte aandelen alsmede het uitblijven van opbrengsten daarvan, is voor rekening van cliënt.

(…..)

8. Cliënt zal niet om de uitlevering van de aandelen vragen en stemt er mee in dat de aandelen op naam van Aegon geadministreerd blijven totdat Aegon conform artikel 9 verplicht is tot rechtstreekse levering van de aandelen aan cliënt. (…..)

9. Aan het eind van de Vliegwiel-overeenkomst, nadat cliënt aan al zijn verplichtingen uit de Vliegwiel-overeenkomst heeft voldaan, zal Aegon binnen een week na afloop van de Vliegwiel-overeenkomst de aandelen voor cliënt verkopen tenzij cliënt schriftelijk opteert voor uitlevering van de aandelen via Bank Labouchere NV. De verkoopopbrengst zal in het eerste geval door Aegon aan cliënt worden uitbetaald. De verkoop vindt plaats op de eerste beursdag na opdracht daartoe.

1.6 [geïntimeerde 1] heeft, bij brief van zijn raadsman van 20 juli 2005, Aegon laten weten dat hij [geïntimeerde 2] geen toestemming in de zin van artikel 1:88 BW had gegeven voor het aangaan van de Vliegwielovereenkomsten en dat hij, met een beroep op het ontbreken van die toestemming, buitengerechtelijk de vernietiging van de overeenkomsten inroept.

De grieven

2. Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de overeenkomsten als huurkoop moeten worden gekwalificeerd, zodat toestemming van de echtgenoot vereist was voor het aangaan van deze overeenkomsten.

3. Aegon heeft betoogd dat er geen sprake is van koop op afbetaling – en daarom evenmin van huurkoop – omdat er niet is voldaan aan de vereisten van koop op afbetaling, te weten: aflevering, betaling in termijnen en koop van een zaak, terwijl bovendien naar de strekking geen sprake is van koop op afbetaling omdat partijen de overdracht van de aandelen niet hebben beoogd.

Verder heeft Aegon aangevoerd dat ook in het geval de overeenkomsten als koop op afbetaling gekwalificeerd moeten worden, dit niet meebrengt dat artikel 1:88 lid 1 sub d BW van toepassing is, omdat dat artikel beperkt is tot zaken en geen betrekking heeft op vermogensrechten.

[geïntimeerden ] hebben een en ander gemotiveerd weersproken.

4. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Koop en verkoop op afbetaling is een koop en verkoop waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen, nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd (artikel 7A:1576 BW).

5. Huurkoop is een koop en verkoop op afbetaling, waarbij partijen overeenkomen dat de verkochte zaak niet door enkele aflevering in eigendom overgaat, maar pas door vervulling van de opschortende voorwaarde van algehele betaling van wat door de koper uit hoofde van de koopovereenkomst verschuldigd is (artikel 7A:1576h BW).

6. Naar het oordeel van het hof voldoen de Vliegwielovereenkomsten zowel aan de vereisten van koop op afbetaling als aan die van huurkoop. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Koop op afbetaling van toepassing op vermogensrechten

7. Uit het vijfde lid van artikel 7A: 1576 BW vloeit onverkort voort dat koop op afbetaling en huurkoop (een species van koop op afbetaling) ook betrekking kunnen hebben op vermogensrechten:

Het in deze titel bepaalde vindt overeenkomstige toepassing op vermogensrechten, niet zijnde registergoederen, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht.

Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit artikellid is opgenomen om – na de wijziging van de begrippen ‘zaak’ en ‘goed’ in het BW – de toepasselijkheid van de titel op de koop op afbetaling van vermogensrechten te handhaven (zie Parl. Gesch. Aanpassing BW Inv. 3,5 en 6, p. 385). De opvatting van Aegon dat koop op afbetaling enkel betrekking zou kunnen hebben op zaken, is dan ook onjuist.

Aflevering van de aandelen

8. Uit de wetsgeschiedenis (zie Parl. Gesch. Boek 7 (Inv 3, 5 en 6) p. 97/98 en p. 297) blijkt dat de minister ten aanzien van de term ‘aflevering’ zoals die staat gedefiniëerd in de leden 2 en 3 van artikel 7:9 BW heeft opgemerkt dat bij vorderingen het onderscheid tussen aflevering en levering in de praktijk van weinig betekenis is. In het kader van de behandeling van artikel 7:47 BW heeft de minster aangegeven dat de in artikel 7:9 BW neergelegde plicht van de verkoper om de verkochte zaak in eigendom over te dragen en af te leveren, zal betekenen dat de eigendom van een recht wordt overgedragen op de wijze als voorzien in afdeling 3.4.2 en dat aflevering bij de verkoop van een recht zal betekenen dat de verkoper alles in het werk stelt dat de koper het recht ten volle kan uitoefenen.

Zoals procureur-generaal mr. De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie in de zaak Dexia (C07/155HR, LJN: BC 2837) heeft opgemerkt (punt 19, laatste alinea), ziet laatstgenoemde passage op een verkoop zonder eigendomsvoorbehoud.

In het geval van verkoop met een eigendomsvoorbehoud (huurkoop) dient er onderscheid te worden gemaakt tussen de voor de eigendomsoverdracht vereiste levering en de aflevering. Daarbij dient onder aflevering het verschaffen van het genot van het vermogensrecht zonder verschaffing van eigendom worden verstaan.

9. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval in de aflevering van de aandelen voorzien door het beding dat – van de aanvang van de overeenkomsten af – alle baten, waardeveranderingen en koersrisico’s aan [geïntimeerde 2] toekomen (Bijzondere Voorwaarden sub 1, 2 en 3). [geïntimeerde 2] heeft derhalve van meet af aan het genot van de aandelen gehad.

Betaling in termijnen, waarvan twee of meer na aflevering

10. In artikel 3 van de overeenkomsten is bepaald dat de totale leasesom in drie termijnen wordt betaald: bij aanvang van de overeenkomst wordt de contante waarde van de te betalen rente ineens voldaan en vervolgens wordt het aankoopbedrag van de aandelen betaald in twee termijnen, te weten een termijn van f 100,-- te betalen op de 15e dag van de 59ste maand van de leaseperiode en het restant te betalen aan het einde van de looptijd van het contract.

De betaling van de beide laatste termijnen vindt aldus na de aflevering van de aandelen plaats.

Huurkoop

11. Uit artikel 7 van de overeenkomsten volgt ten slotte dat de eigendom van de aandelen niet door enkele aflevering op [geïntimeerde 2] overgaat, maar door vervulling van de opschortende voorwaarde dat zij al datgene aan Aegon heeft betaald wat zij haar krachtens deze Vliegwielovereenkomsten en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Koopsom Vliegwiel verschuldigd is.

De onderhavige overeenkomsten zijn aldus te kwalificeren als huurkoop.

Strekking van de overeenkomsten

12. De omstandigheid dat in de Bijzondere Voorwaarden Koopsom Vliegwiel onder 8 is bepaald dat [geïntimeerde 2] niet om de uitlevering van de aandelen zal vragen en dat zij ermee instemt dat de aandelen op naam van Aegon geadministreerd blijven totdat Aegon conform artikel 9 verplicht is tot rechtstreekse levering van de aandelen aan [geïntimeerde 2], doet aan het vorenstaande niet af.

Dat geldt ook voor hetgeen onder 9 is bepaald, te weten dat Aegon binnen een week na afloop van de Vliegwielovereenkomst de aandelen voor [geïntimeerde 2] verkoopt tenzij zij schriftelijk opteert voor uitlevering van de aandelen via Bank Labouchere NV.

Deze bepalingen houden naar ’s hofs oordeel slechts een volmacht tot verkoop in, die herroepbaar is. Anders dan Aegon heeft betoogd, zijn de overeenkomsten dus wel degelijk gericht op overdracht van de aandelen. Daarmee zijn de overeenkomsten ook naar hun strekking aan te merken als koop op afbetaling/huurkoop.

Artikel 1:88 lid 1 sub d BW

13. De opvatting van Aegon dat artikel 1:88 lid 1 sub d BW niet van toepassing is, omdat de toepassing van dat artikel op vermogensrechten nimmer beoogd zou zijn, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de wetsgeschiedenis.

Zoals hiervoor in r.o. 7 reeds ten aanzien van artikel 7A:1576 BW is overwogen, heeft de wetgever, na de wijziging van de begrippen ‘zaak ‘en ‘goed’ in het BW niet beoogd een materiele wijziging aan te brengen in de wettelijke regeling van de koop op afbetaling in die zin dat deze, in afwijking van het oude recht, niet langer vermogensrechten zou omvatten.

14. Artikel 1:88 BW bevat geen eigen definitie van het begrip koop op afbetaling. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat aansluiting moet worden gezocht bij de definitie van artikel 7A:1576 BW, zodat moet worden geoordeeld dat [geïntimeerde 2] toestemming behoefde van [geïntimeerde 1] voor het aangaan van de Vliegwielovereenkomsten en [geïntimeerde 1] – bij gebreke van zodanige toestemming – gerechtigd was op grond van artikel 1:89 BW buitengerechtelijk de vernietiging van de overeenkomsten in te roepen.

15. Grief 1 faalt.

16. Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering tot vernietiging van [geïntimeerde 1] niet is verjaard en dat Aegon haar stellingen ten aanzien van de verjaring onvoldoende heeft gemotiveerd. Aegon is van oordeel dat op [geïntimeerden ] de bewijslast rust ten aanzien van het moment waarop [geïntimeerde 1] van de overeenkomsten heeft vernomen, althans en in ieder geval een verzwaarde stelplicht.

17. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

De bevoegdheid om een beroep op de vernietigingsgrond te doen verjaart involge het bepaalde in artikel 3:52 lid 1 sub d BW na verloop van drie jaar.

De verjaringstermijn neemt een aanvang op het moment dat de bevoegdheid om de vernietigingsgrond in te roepen aan degene die deze bevoegdheid toekomt ten dienste is komen te staan.

18. [geïntimeerden ] hebben gemotiveerd gesteld – onder ander middels een uitvoerige verklaring opgenomen in de akte uitlating producties van 23 mei 2006 – dat [geïntimeerde 2] [geïntimeerde 1] eerst op 27 januari 2005 van het bestaan van de overeenkomsten op de hoogte heeft gesteld. Gelet op die datum is van verjaring geen sprake.

19. Nu Aegon zich op verjaring beroept, lag het op haar weg om te stellen en te bewijzen met ingang van welke (eerdere) datum [geïntimeerde 1] op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten. Aegon, die nauwelijks meer heeft aangevoerd dan dat het voor de hand ligt dat echtgenoten dit soort zaken met elkander bespreken, heeft niet aan haar stelplicht voldaan. Er is dan ook geen reden haar tot bewijslevering toe te laten, nog daargelaten dat zij daartoe ook geen gespecificeerd aanbod heeft gedaan.

20. Grief 2 faalt.

21. Aegon heeft het hof in dit kader verzocht – voor het geval het hof tot het oordeel komt dat de overeenkomsten rechtsgeldig door [geïntimeerde 1] zijn vernietigd – om de gevolgen van de vernietiging te matigen casu quo de vernietiging haar werking ten dele te ontzeggen op grond van artikel 3:53 lid 2 BW. Daartoe heeft zij aangevoerd dat restitutie van de door [geïntimeerde 2] betaalde rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en tot een onbillijke bevoordeling van [geïntimeerden ] zou leiden. Aegon is van oordeel dat [geïntimeerden ] een oneigenlijk gebruik maken van het vorderingsrecht op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW en verzoekt het hof aansluiting te zoeken bij de in de Duisenberg-regeling gehanteerde norm.

22. Het hof ziet evenwel geen reden voor een zodanige matiging c.q. ontzegging van de gevolgen van de vernietiging.

Niet valt in te zien dat het restitueren van hetgeen voor de vernietiging van de overeenkomst krachtens die overeenkomst is gegeven (rente) respectievelijk ontvangen (dividend) zou moeten worden aangemerkt als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dan wel als bezwaarlijk in de zin van artikel 3:53 lid 2 BW.

Van een oneigenlijk gebruik van de artikelen 1:88 en 1:89 BW is naar het oordeel van het hof geen sprake, nu deze artikelen immers bij uitstek bescherming beogen te bieden tegen overeenkomsten die niet zonder toestemming van de andere echtgenoot gesloten hadden mogen worden.

[geïntimeerden ] zijn niet gebonden door de Duisenberg-regeling en het hof ziet in de door Aegon aangevoerde omstandigheden ook overigens geen aanleiding daarbij aan te sluiten.

23. Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Aegon geen beroep toekomt op artikel 6:278 BW.

24. Noch uit de tekst van het artikel, noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het artikel ook van toepassing is indien niet een partij bij de overeenkomst zelf, maar een derde - te weten de andere echtgenoot – de stoot tot ongedaanmaking van de overeenkomst geeft.

Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat de bescherming die de artikelen 1:88 en 1:89 BW de andere echtgenoot beogen te bieden tegen de potentiëel grote risico’s van een koop op afbetaling – die zich in het geval van deze risicovolle aandelenleaseproducten ook hebben verwezenlijkt – zich bovendien verzet tegen toepasselijkheid van artikel 6:258 BW.

25. Grief 3 faalt.

26. Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de wettelijke rente moet worden berekend met ingang van de dag waarop [geïntimeerde 2] de rente, verschuldigd uit hoofde van de overeenkomsten, aan Aegon heeft betaald.

27. Aegon heeft aangevoerd – en [geïntimeerden ] hebben dat niet weersproken – dat [geïntimeerden ] Aegon niet in gebreke hebben gesteld, zodat Aegon voorafgaand aan de dagvaarding in eerste aanleg niet in verzuim was.

De wettelijke rente over het bedrag van de door [geïntimeerde 2] betaalde rente, zal verminderd met het bedrag van het uitgekeerde dividend, worden toegewezen vanaf de dag der inleidende dagvaarding, vier augustus 2005.

28. In zoverre slaagt grief IV.

Slotsom

29. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voorzover Aegon daarbij is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde 2] van wettelijke rente over een bedrag van

€ 6.786,-- vanaf de dag van betaling van dit bedrag door [geïntimeerde 2] aan Aegon tot aan de dag der algehele voldoening. Opnieuw rechtdoende zal de wettelijke rente over genoemd bedrag worden toegewezen vanaf 4 augustus 2005 tot aan de dag der algehele voldoening waarbij rekening dient te worden gehouden met de bedragen en data van de dividendbetalingen. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.

30. Aegon zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van [geïntimeerden ], welke tot op heden aan salaris procureur worden begroot op € 894,-- (1 punt, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof

1. vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover Aegon daarbij is veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van € 6.786,-- vanaf de dag van betaling van dit bedrag door [geïntimeerde 2] aan Aegon tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij rekening wordt gehouden met de bedragen en data van de dividendbetalingen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt Aegon tot betaling van de wettelijke rente over € 6.786,-- vanaf vier augustus 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij rekening dient te worden gehouden met de bedragen en data van de dividendbetalingen;

2. bekrachtigt het vonnis voor het overige;

3. veroordeelt Aegon in de kosten van de procedure in hoger beroep, gevallen aan de zijde van [geïntimeerden ] en begroot deze tot op heden op € 251,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris procureur;

4. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Verschuur en Onnes-Wind, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 maart 2008 in bijzijn van de griffier.