Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5442

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
24-000766-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat moet worden beoordeeld of de laserapparatuur in dit geval is gebruikt met inachtneming van de daaraan uit een oogpunt van betrouwbaarheid te stellen eisen. De verbalisanten hebben in het proces-verbaal d.d. 1 december 2006 vermeld dat de meting met de lasergun werd verricht met inachtneming van de 1 op 10-verhouding en dat de meetafstand minimaal tien keer de afstand tot de rijlijn was. De exacte afstand tot de rijlijn is echter niet vermeld. In zoverre is de door de raadsman aangehaalde Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers door de verbalisanten niet in acht genomen. Anders dan de kantonrechter kennelijk heeft geoordeeld, leidt die enkele omstandigheid echter niet tot een vrijspraak. Ter terechtzitting hebben de verbalisanten verklaard wat de afstand tot de rijlijn was. Dit correspondeert geheel met hetgeen de verbalisanten in hun proces-verbaal van 21 december 2006 hebben verklaard. Voor zover er al discrepantie tussen de verklaringen van de verbalisanten bestaat, ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat in dit geval de zogeheten 1 op 10-verhouding in acht is genomen. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting. Zie in dit verband ook: LJN: BB9617. In dat geval bepaalde het hof weliswaar dat er sprake was van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, aangezien de afstand tot de rijlijn niet was komen vast te staan, zodat niet kon worden beoordeeld of de meting met inachtneming van de 1 op 10-verhouding was verricht, maar dat die omstandigheid niet tot vrijspraak behoefde te leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2008, 42
VR 2009, 26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000766-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-401313-06

Arrest van 29 februari 2008 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Assen, zitting houdende te Emmen, van 1 februari 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op 1958 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 480,-, subsidiair negen dagen hechtenis, alsmede vier maanden ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewijsverweer

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het bewijs in deze zaak niet op een betrouwbare, zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat verdachte om die reden van hetgeen hem ten laste is gelegd dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is het volgende - kort samengevat - aangevoerd.

In het onderhavige geval is de snelheid van het voertuig van verdachte gemeten met een lasersnelheidsmeter. Weliswaar is het gebruik hiervan blijkens het arrest van de Hoge Raad van 22 augustus 2000, VR 2000, 150, LJN AA6827, als meetmiddel toelaatbaar, maar toch zal de vraag moeten worden beantwoord of dit meetmiddel in dit concrete geval is gebruikt met inachtneming van de daaraan uit een oogpunt van betrouwbaarheid te stellen eisen.

De Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het College van procureurs-generaal schrijft imperatief voor dat het proces-verbaal vermeldt wat de afstand tot de rijlijn is geweest en op welke afstand het voertuig is gemeten.

Het proces-verbaal vermeldt dat de meting werd verricht met inachtneming van de 1 op 10-verhouding en dat de meetafstand minimaal tien keer de afstand tot de rijlijn was. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2006 hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaard dat de afstand tot de rijlijn tussen de 340 en 350 meter ligt. Ter terechtzitting heeft de getuige [verbalisant 1] verklaard dat de afstand tot de rijlijn tussen de 32 en 35 meter was. De getuige [verbalisant 2] heeft verklaard dat de afstand tot de rijlijn 33 à 34 meter was.

In aanmerking genomen dat een verdachte in een geval als het onderhavige voor wat betreft het bewijs is overgeleverd aan één verklaring van een verbalisant, moeten hoge eisen aan de betrouwbaarheid van het bewijs worden gesteld. Nu er verschillen bestaan tussen de verklaringen van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wordt de twijfel gevoed dat er geen correcte meting heeft plaatsgevonden. Die twijfel wordt bij verdachte nog versterkt door de omstandigheid dat zijn naam niet juist in voormeld proces-verbaal is vermeld, dat in de combibon bij de vermelding van de kleur aanvankelijk het kenteken werd ingevuld (en de vermelding van de kleur werd weggelaten) en dat er nog een derde verbalisant bij deze zaak betrokken was, terwijl haar naam niet in proces-verbaal is vermeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat de raadsman terecht heeft aangevoerd dat moet worden beoordeeld of de laserapparatuur in dit geval is gebruikt met inachtneming van de daaraan uit een oogpunt van betrouwbaarheid te stellen eisen.

De verbalisanten hebben in het proces-verbaal d.d. 1 december 2006 vermeld dat de meting met de lasergun werd verricht met inachtneming van de 1 op 10-verhouding en dat de meetafstand minimaal tien keer de afstand tot de rijlijn was. De exacte afstand tot de rijlijn is echter niet vermeld.

In zoverre is de door de raadsman aangehaalde Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers door de verbalisanten niet in acht genomen. Anders dan de kantonrechter kennelijk heeft geoordeeld, leidt die enkele omstandigheid echter niet tot een vrijspraak.

Ter terechtzitting hebben de verbalisanten verklaard dat de afstand tot de rijlijn tussen de 32 en 35 meter was. Dit komt correspondeert geheel met hetgeen de verbalisanten in hun proces-verbaal van 21 december 2006 hebben verklaard, zakelijk inhoudende, dat zij zich op zodanige afstand van de rijlijn bevonden, dat voor het verkeer gaande in de richting van Emmen de minimale meetafstand gelet op de 1 op 10-verhouding tussen de 340 en 350 meter bedroeg. Voor zover de raadsman van de verdachte van een andere lezing is uitgegaan mist dit derhalve feitelijke grondslag.

Voor zover er al discrepantie tussen de verklaringen van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bestaat, ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat in dit geval de zogeheten 1 op 10-verhouding in acht is genomen. Het hof wijst in dit verband erop dat zowel op 21 november 2006 als naderhand op 21 december 2006 de afstand tot de rijlijn is gemeten met behulp van de lasergun en dat in de display van de lasergun derhalve de exacte afstand tot de rijlijn is vastgesteld. Daarbij komt nog dat de meetafstand van de plaats waar de verbalisant [verbalisant 2] stond tot het voertuig van verdachte 404,4 meter was en de 1 op 10-verhouding derhalve ruimschoots in acht is genomen.

Daarmee wijkt het resultaat van de meting minder dan 0,5% af van de werkelijk gereden snelheid, zodat de primair ten laste gelegde (gecorrigeerde) snelheid kan worden bewezen.

Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting. Het onjuist vermelden van de naam van verdachte heeft slechts plaatsgevonden in het proces-verbaal van 21 december 2006 en is gecorrigeerd bij aanvullend proces-verbaal van 6 januari 2007. Dat de kleur van de auto in de combibon niet is genoemd, is in deze zaak waarin verdachte is staande gehouden van geen belang. Het in het proces-verbaal niet vermelden van de aanwezigheid van een derde politiefunctionaris is voor de hand liggend, nu vaststaat, dat deze geen enkele activiteit heeft verricht in deze zaak.

Bewezenverklaring

(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlastelegging)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 21 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het hof heeft zich bij het bepalen van de straf mede laten leiden door de in dezen toepasselijke "Richtlijn voor strafvordering, tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften".

In aanmerking genomen dat het onderhavige feit blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 december 2007 is gepleegd binnen één jaar na onherroepelijke afdoening van een eerdere snelheidsovertreding is de "Recidiveregeling snelheidsovertredingen (weg)" van toepassing. Naar het hof aanneemt heeft de advocaat-generaal bij zijn vordering hierbij aansluiting gezocht, zij het dat hij in navolging van de officier van justitie in plaats van een onvoorwaardelijke een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid heeft gevorderd.

Het hof zal, nu verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en in hoger beroep toch een veroordeling volgt, volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde straffen en zal daarom na te melden straffen opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 21 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van

vierhonderdtachtig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van negen dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van één jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging bij eventuele tenuitvoerlegging geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A. Dijkstra, voorzitter, mrs. R. Weenink en T. Knoop, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Wijma als griffier.