Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5398

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
BK 37/07 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de rente verschuldigd uit hoofde van de hiervoor -onder 2.5 bedoelde- door belanghebbende aangegane hypothecaire lening integraal aftrekbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/25.12 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 37/07

Uitspraakdatum: 22 februari 2008

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 06/675 van de rechtbank Leeuwarden van 30 januari 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 onder aanslagnummer 0000.00.000.H36 (dagtekening 26 mei 2005) een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.187,-.

1.2 Nadat belanghebbende daartegen tijdig een bezwaarschrift had ingediend, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Bij uitspraak van 30 januari 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep tegen voornoemde uitspraak ongegrond verklaard.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlage) van 5 maart 2007, bij het hof ingekomen op 6 maart 2007 en aangevuld bij brief (met bijlagen), ingekomen 3 mei 2007.

De inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, ingekomen op 30 mei 2007.

1.5 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2008. Daar zijn verschenen A als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door B, werkzaam bij C, en de heer D, assurantieadviseur, die door de gemachtigde als getuige is meegebracht. De inspecteur is niet verschenen. Na de zitting heeft hij medegedeeld de uitnodiging voor de mondelinge behandeling wel te hebben ontvangen, maar zich in de dag van de zitting te hebben vergist. Hij heeft in verband daarmee zijn verontschuldiging aangeboden. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Belanghebbende heeft op 3 augustus 2000, samen met zijn echtgenote met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, voor een bedrag van f 422.500,- een woning gekocht in Z. Naast de genoemde koopsom, was belanghebbende f 28.682,19 aan overdrachtsbelasting en overige kosten verschuldigd. De transportakte is gepasseerd op 1 november 2000. 2.2 Op 6 september 2000 -heeft belanghebbende zijn toenmalige woning, inclusief enkele roerende zaken, in L verkocht voor een bedrag van f 415.000,-. De transportakte is ook gepasseerd op 1 november 2000. Na aflossing van de betreffende hypothecaire geldlening met een bedrag van f 152.460,22 en de betaling van een bedrag van f 8.128,03 aan kosten, resteerde voor belanghebbende een bedrag van f 254.411,75, waarvan de betreffende notaris een bedrag van f 203.392,99 overmaakte naar de notaris waar de onder 2.1 genoemde transportakte werd gepasseerd.

2.3 Dit bedrag van f 203.392,99 werd feitelijk aangewend voor de gedeeltelijke voldoening van de koopsom van de woning in Z en de onder 2.1 genoemde kosten. Hiernaast maakte de E-Bank N.V. (de rechtsvoorganger van C-bank N.V.) nog f 247.789,20 voor dit doel over naar laatstgenoemde notaris.

2.4 Op 12 september 2000 heeft E-Bank N.V. een offerte uitgebracht voor een lening ten bedrage van f 757.626,- ter financiering van de aangekochte woning (inclusief kosten), een overbruggingskrediet en een bouwdepot. Op deze offerte is door belanghebbendes adviseur D onder meer de aantekening geplaatst dat het overbruggingskrediet van f 199.000,- waarschijnlijk niet nodig is en dat de lening f 546.000,- wordt.

2.5 Op basis van een door belanghebbende en zijn echtgenote op 23 september 2000 ondertekend aanvraagformulier is vervolgens door E-Bank N.V. op 1 november 2000 een hypothecaire lening verstrekt aan belanghebbende van f 546.000,-. In het aanvraagformulier staat dat dit bedrag betrekking had op de koopsom van de woning te Z (f 422.500,-), overdrachtsbelasting f 25.350,-, overige kosten (f 8.150,-) en een voorgenomen verbouwing (f 90.000,-).

2.6 Uit de hypotheekakte van 1 november 2000 (bijlage 6 bij het aanvullend beroepschrift) blijkt dat belanghebbende verplicht is € 199.000,- te storten op een beleggingsrekening.

3. Geschil

3.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de rente verschuldigd uit hoofde van de hiervoor -onder 2.5 bedoelde- door belanghebbende aangegane hypothecaire lening integraal aftrekbaar is.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.062,- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 886,- (zie pleitnota van belanghebbende voor de zitting bij de rechtbank van 24 januari 2007).

3.3 De inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil door het hof

4.1 Artikel 3.110 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2003, hierna de Wet) luidt: "Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning en het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten (artikel 3.120).".

4.2 Op grond van het bepaalde in artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van: (voor zover hier relevant) renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning.

4.3 Uit het onder 2.4 en 2.5 vermelde leidt het hof af dat het het oogmerk van belanghebbende was om de gehele hypothecaire lening van f 546.000,- aan te gaan ter verwerving van de eigen woning te Z en de voorgenomen verbouwing daarvan.

4.4 Hieruit volgt dat de daarop betrekking hebbende rente op grond van genoemd artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet aftrekbaar is, nu tussen partijen niet in geschil is dat de rente van het bedrag van de lening dat staat tegenover de kosten van de voorgenomen verbouwing (f 90.000,-) in ieder geval aftrekbaar is (zie verweerschrift inspecteur bij de rechtbank, bladzijde 4 bovenaan).

4.5 Aan deze conclusie doet niet af dat de feitelijke geldstromen anders zijn gelopen (zie 2.2 en 2.3) Het hof hecht geloof aan de stelling van belanghebbende dat dit om praktische redenen zo is gebeurd.

4.6 De offerte van 10 oktober 2000 werpt geen ander licht op de zaak, nu belanghebbende heeft gesteld dat hij deze nooit heeft aanvaard en het hof deze lezing aannemelijk voorkomt, gelet op het ontbreken van handtekeningen van belanghebbende en zijn echtgenote.

4.7 Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond en dient te worden beslist als volgt.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het Hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het (hoger) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof bepaalt deze kosten op grond van het Be¬sluit proceskosten bestuursrecht voor het beroep in eerste aanleg en het hoger beroep op 4 (punten) x 1,5 (wegingsfactor) x € 322,-- = € 1.932,--, welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden. Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase ziet het hof geen aanleiding nu hier voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar niet om is verzocht.

6. De beslissing

Het Hof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 27.062,- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 886,-;

gelast dat het door belanghebbende betaalde griffierecht in verband met het beroep ad € 37, - en in verband met het hoger beroep ad € 105,- aan hem wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep, te bepalen op € 1.932,-; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 22 februari 2008 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 27 februari 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.