Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5395

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
0600142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft zich voor wat betreft de aan [geïntimeerde] verrichte betalingen erop beroepen dat daarbij een "oude" variant wordt toegepast van de CAO-systematiek conform de zogenoemde "jaarurenregeling".

Nog daargelaten of tussen partijen overeenstemming bestond omtrent de toepasse-lijkheid van de jaarurenregeling, ziet naar het oordeel van het hof [appellant] over het hoofd dat, naar zijn zeggen als gevolg van het feit dat het CAO-systeem administratief zeer bewerkelijk is, de betalingen aan [geïntimeerde] nu juist niet conform de jaarurenregeling hebben plaatsgevonden. Bovendien wijkt de inhoud van het schriftelijk arbeidscontract op dat punt af van de (oude) CAO-systematiek.

[geïntimeerde] heeft overigens betwist dat [appellant] dit aspect met haar heeft besproken en dat zij daarmee akkoord is gegaan.

Het beroep van [appellant] op de toepasselijkheid van de jaarurenregeling wordt derhalve van de hand gewezen.

Naar 's hofs oordeel heeft [geïntimeerde] recht op betaling van vakantiegeld op basis van de overeengekomen werktijd van 15 uur per week, ook ingeval er minder dan 15 uren per week is gewerkt. Hetzelfde geldt voor de berekening van de aan [geïntimeerde] toekomende vakantie-uren. Onweersproken staat vast dat [geïntimeerde] ook daadwerkelijk vakantie heeft genoten. Dat zij aanspraak heeft op loon over de door haar opgebouwde vakantie-uren is als zodanig niet in geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 februari 2008

Rolnummer 0600142

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

handelende onder de naam [het taxibedrijf],

wonende te Leek,

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

voor wie heeft gepleit mr. J.G. Kroon, advocaat te Breda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats en -gemeente geintimeerde],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P. Stehouwer, voor wie heeft gepleit mr. A.A.M. Broos, advocaat te Utrecht.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 14 december 2005 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 13 maart 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld

van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van

29 maart 2006.

De conclusie van de memorie van grieven (met producties) luidt:

"(…) bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van de kantonrechter te Groningen d.d. 14 december 2005 met rolnummer 264206/05-6844 tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van geïntimeerde (in eerste instantie als eiseres optredend) als zijnde onbewezen en ongegrond af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties."

[geïntimeerde] heeft een als zodanig aangeduide "memorie van antwoord in principaal appel en memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte houdende wijziging van eis" (met producties) genomen, met als conclusie:

"In principaal appel

[geïntimeerde] vraagt uw gerechtshof het hoger beroep van [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, gewezen op 14 december 2005 onder rolnummer 264206/05-6844 tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde te verwerpen.

In incidenteel appel

[geïntimeerde] vraagt het vonnis te preciseren, in de zin dat in het dictum de eerste veroordeling aldus wordt gewijzigd:

[geïntimeerde] vraagt uw gerechtshof om [appellant] bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot:

betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 540,15 bruto per maand als het loon voor

iedere maand vanaf 1 mei 2005, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en al hetgeen

waarop [geïntimeerde] krachtens de wet en/of de CAO recht verkrijgt, dit tot het moment

waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, en waarbij [appellant] op de

hiervoor vermelde loonbetalingen in mindering kan brengen het loon dat [appellant] sinds

1 mei 2005 aan [geïntimeerde] heeft voldaan.

Voor het overige dient het vonnis te worden bekrachtigd.

In principaal en incidenteel appel

Met veroordeling van [appellant] van de kosten van het geding in hoger beroep."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord, met als conclusie:

"(…) te verwerpen het door [geïntimeerde] in het Incidenteel Appel gevorderde met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van de pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel twee genummerde grieven en één ongenummerde grief (zie punt 14 van de memorie van grieven), hierna aangeduid als grief 3, opgeworpen.

Door [geïntimeerde] is in het incidenteel appel één grief voorgesteld.

De beoordeling

in het principaal en het incidenteel appel

1. De kantonrechter heeft in het beroepen vonnis als vaststaand aangenomen dat [geïntimeerde] op 1 juli 1998 bij [appellant] in dienst is getreden in de functie van chauffeur voor 15 uur per week en dat op de arbeidsovereenkomst de CAO voor het vervoer van personen met personenauto's van toepassing is.

De weergave van deze feiten is noch door grieven noch anderszins bestreden, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Het hof tekent hierbij aan dat partijen het er blijkens de inhoud van de stukken kennelijk over eens zijn dat met "de CAO voor het vervoer van personen met personenauto's" in de als productie 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegde arbeidscontracten is bedoeld de CAO voor het Taxivervoer (verder aan te duiden als de CAO).

voorts in het principaal appel

2. In grief 1 wordt geklaagd dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de stellingen van [appellant] dat in overleg met [geïntimeerde] de werktijd is geminderd en dat er daarom aan haar minder is betaald.

3. [appellant] heeft gesteld dat tussen partijen in 2004 is afgesproken dat de overeen-gekomen werktijd van [geïntimeerde] van 15 uren per week wordt teruggebracht naar 12 uren per week.

[geïntimeerde] heeft deze stelling gemotiveerd weersproken. Het hof is van oordeel dat, anders dan [appellant] kennelijk meent, de brief van [geïntimeerde] aan [appellant] d.d. 5 november 2004 (overgelegd als productie 3 bij memorie van grieven)

geen erkenning inhoudt van een vermindering van het aantal door haar per week te werken uren.

De bewijslast met betrekking tot de gestelde afspraak omtrent de vermindering van werktijd rust op [appellant]. [appellant] heeft in hoger beroep echter slechts in algemene termen bewijs aangeboden. Nu in het licht van het gestelde in de grief en de toelichting daarop een gespecificeerd bewijsaanbod had mogen worden verwacht, zal het hof het bewijsaanbod van [appellant] als te vaag passeren.

4. De grief faalt.

5. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] minder betaalt dan waartoe hij gehouden zou zijn.

6. [appellant] heeft zich voor wat betreft de aan [geïntimeerde] verrichte betalingen erop beroepen dat daarbij een "oude" variant wordt toegepast van de CAO-systematiek conform de zogenoemde "jaarurenregeling".

Nog daargelaten of tussen partijen overeenstemming bestond omtrent de toepasse-lijkheid van de jaarurenregeling, ziet naar het oordeel van het hof [appellant] over het hoofd dat, naar zijn zeggen als gevolg van het feit dat het CAO-systeem administratief zeer bewerkelijk is, de betalingen aan [geïntimeerde] nu juist niet conform de jaarurenregeling hebben plaatsgevonden. Bovendien wijkt de inhoud van het schriftelijk arbeidscontract op dat punt af van de (oude) CAO-systematiek.

[geïntimeerde] heeft overigens betwist dat [appellant] dit aspect met haar heeft besproken en dat zij daarmee akkoord is gegaan.

Het beroep van [appellant] op de toepasselijkheid van de jaarurenregeling wordt derhalve van de hand gewezen.

7. Naar 's hofs oordeel heeft [geïntimeerde] recht op betaling van vakantiegeld op basis van de overeengekomen werktijd van 15 uur per week, ook ingeval er minder dan 15 uren per week is gewerkt. Hetzelfde geldt voor de berekening van de aan [geïntimeerde] toekomende vakantie-uren. Onweersproken staat vast dat [geïntimeerde] ook daadwerkelijk vakantie heeft genoten. Dat zij aanspraak heeft op loon over de door haar opgebouwde vakantie-uren is als zodanig niet in geschil.

8. De grief faalt.

9. Grief 3 keert zich tegen toewijzing van de wettelijke verhoging over het toegewezen achterstallig salaris inclusief vakantietoeslag.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat [geïntimeerde] aanspraak heeft op betaling van achterstallig salaris. De niet-tijdige betaling is aan [appellant] toe te rekenen en de gevolgen daarvan komen dan ook voor diens rekening.

In de omstandigheden van het geval oordeelt het hof echter matiging van de wettelijke verhoging tot 10% van het toe te wijzen bedrag op zijn plaats.

10. De grief slaagt ten dele.

voorts in het incidenteel appel

11. Het incidenteel appel behelst een wijziging van eis. [appellant] heeft tegen die wijziging van eis bezwaar gemaakt wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, op grond waarvan [appellant] in zijn belangen wordt geschaad.

Ingevolge art. 130 lid 1 Rv - welke bepaling ingevolge art. 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is - is de oorspronkelijke eiser, zolang nog geen eindvonnis is gewezen, bevoegd zijn eis te veranderen of te vermeerderen.

Aan het bezwaar dat de vermeerdering van eis eerst in dit stadium van de procedure is gedaan, moet worden voorbijgegaan omdat de wet er nu juist in voorziet dat een wijziging van eis mogelijk is zolang nog geen eindarrest is gewezen. Bovendien heeft [appellant] inhoudelijk op de gewijzigde eis gereageerd. Nu het hof ook anderszins niet is gebleken dat [appellant] door de wijziging van eis onredelijk in zijn verdediging wordt geschaad, is deze wijziging van eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

Het bezwaar van [appellant] wordt derhalve verworpen. Het hof zal rechtdoen op de gewijzigde eis van [geïntimeerde].

12. In haar grief voert [geïntimeerde] aan dat het dictum van het beroepen vonnis, voor zover luidend: "veroordeelt [appellant] het overeengekomen salaris uit te betalen op de wijze als in de CAO bepaald" onvoldoende gepreciseerd is en daarom tot problemen kan leiden bij de executie.

[geïntimeerde] heeft in plaats daarvan in hoger beroep gevorderd doorbetaling van het overeengekomen salaris van € 540,15 bruto per maand, ingaande 1 mei 2005, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en al hetgeen waarop zij krachtens de wet en/of de CAO recht verkrijgt, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd en waarbij [appellant] op deze loonbetalingen in mindering kan brengen het loon dat [appellant] sinds 1 mei 2005 aan [geïntimeerde] heeft voldaan.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [geïntimeerde] aangegeven dat de datum

1 mei 2005 op een vergissing berust en dat deze moet luiden: 1 augustus 2005.

13. Omtrent de vordering ter zake van het overeengekomen salaris bij een werktijd van 15 uren per week is reeds in het principaal appel beslist. Het percentage van de medegevorderde vakantiebijslag is conform de CAO en is derhalve ook toewijsbaar.

14. De vordering van [geïntimeerde], voor zover luidende: "en al hetgeen waarop [geïntimeerde] krachtens de wet en/of de CAO recht verkrijgt" is echter te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen.

15. De grief slaagt deels.

in het principaal en het incidenteel appel

16. Het deels slagen van grief 3 in het principaal appel en van de grief in het incidenteel appel betekent dat het vonnis waarvan beroep niet ongewijzigd in stand kan blijven. Het vonnis zal in zoverre worden vernietigd en het hof zal dienaangaande opnieuw recht doen als na te melden.

Het beroepen vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (3 procespunten, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal en het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van 14 december 2005 waarvan beroep, voor zover daarin [appellant] is veroordeeld het overeengekomen salaris uit te betalen op de wijze als in de CAO bepaald en voor zover daarin de wettelijke verhoging over het achterstallig salaris inclusief vakantietoeslag is bepaald op 25%,

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 540,15 bruto per maand als het loon voor iedere maand vanaf 1 augustus 2005, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, en waarbij [appellant] op deze loonbetalingen in mindering kan brengen het op de periode vanaf 1 augustus 2005 betrekking hebbende loon dat [appellant] sedertdien aan [geïntimeerde] heeft voldaan;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van de wettelijke verhoging ad 10% over een bedrag van € 5.027,53 ter zake van het achterstallig salaris inclusief vakantietoeslag, tot betaling van welk laatstgenoemde bedrag [appellant] bij het beroepen vonnis is veroordeeld;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 248,-- aan verschotten en op € 1.896,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Breemhaar en Overtoom, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 27 februari 2008 in bijzijn van de griffier.