Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5381

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
0500159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de wateroverlast in het gehuurde - die erop neer kwam dat tijdens een wolkbreuk water via de vloeren van de boven de door [appellant] gehuurde bowlingbanen gelegen winkels de bowlingbaan binnenstroomde - waarschijnlijk is te wijten aan een te beperkte capaciteit van de riolering buiten het pand waarvan het gehuurde deel uitmaakt, voor welke riolering DCHL niet verantwoordelijk was. Het hof merkt deze overlast als incidenteel aan; dat Emmen twee achtereenvolgende jaren door uitzonderlijk noodweer werd getroffen doet aan dit incidentele karakter niet af. [appellant] heeft in dit geding ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de wateroverlast in 1995 een andere oorzaak had dan in 1994. Het hof oordeelt dat het plafond van het door [appellant] gehuurde pand niet bestand was tegen deze vorm van extreme wateroverlast niet kan worden aangemerkt als een gebrek aan het gehuurde. Als al juist zou zijn dat [appellant] in maart/april 1994 melding zou hebben gemaakt van het (op andere wijze) binnenkomen van water in het gehuurde, maakt dat niet dat daardoor de in juni 1994 en in juli 1995 opgetreden waterschade wel als een gebrek zou moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft de mogelijke melding van anderssoortige waterschade in maart/april 1994 reeds als niet relevant aangemerkt, welk oordeel het hof ook in dit geding onderschrijft. Het bewijsaanbod van deze melding passeert het hof dan ook als niet terzake doend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 februari 2008

Rolnummer 0500159

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur: mr. P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr. J.J.L.M. Johannink, advocaat te Coevorden,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van de staat Nova Scotia, Canada

Uni-Invest Holland Limited (als rechtsopvolgster van de vennootschap naar hetzelfde recht Dutch Canadian Holding Ltd.),

gevestigd te Dartmouth (Nova Scotia, Canada), kantoorhoudende te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Uni-Invest,

procureur: mr. S.A. Roodhof,

voor wie gepleit heeft mr. G.P. Lobé, advocaat te Rotterdam.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op respectievelijk 8 mei 1996, 18 september 1996, 25 februari 1998, 12 februari 2003 en 15 december 2004 door de kantonrechter te Emmen, respectievelijk de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (beiden hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 11 maart 2005, hersteld bij exploot van 21 april 2005, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van Uni-Invest tegen de nader aangezegde zitting van 18 mei 2005.

De conclusie van de memorie van grieven, tevens gedeeltelijke wijziging grondslag vorderingen tevens vermeerdering van eis, (met producties) luidt:

"(…) bij uitvoer [bedoeld is kennelijk: bij arrest uitvoerbaar bij voorraad; hof] het vonnis van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen, d.d. 15 december 2004 tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde te vernietigen en, opnieuw recht doende, geïntimeerde alsnog te veroordelen om aan appellant te betalen de navolgende bedragen:

- (ƒ 71.231,--) € 32.364,06 terzake van stankoverlast in 1994 geleden en nadien geleden,

voorts te vergoeden aan [appellant] de schade boven de € 32.364,06 op te maken bij staat, een

en ander te verminderen met hetgeen [appellant] niet hoefde te betalen aan huurpenningen

over de periode van 29 juni tot en met 31 augustus 1994,

te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente, te berekenen vanaf 24 januari 1996,

en

- (ƒ 97.513,--) € 44.249,47 wegens de wateroverlast in 1995 en de stankoverlast in 1995

geleden en nadien geleden, voorts te vergoeden aan [appellant] het meerdere aan schade

boven de € 44.249,47 op te maken bij staat, een en ander te vermeerderen met de

wettelijke rente te berekenen vanaf 9 augustus 1995, en

- (ƒ 2.900,--) € 1.315,96 wegens reparatiekosten aan motoren, te vermeerderen met de

wettelijke vertragingsrente vanaf 9 augustus 1995, en

- overige schade op te maken bij staat, te vermeerderen met de daarover te berekenen

wettelijke vertragingsrente vanaf 10 december 1996, althans vanaf een in goede justitie te

bepalen datum,

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Door Uni-Invest is bij memorie van antwoord (eveneens met producties) verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd, met als conclusie:

"in het principaal appèl:

dat het het gerechtshof moge behagen het vonnis van de kantonrechter te Emmen d.d.

15 februari 2004 [lees: 15 december 2004; hof], gewezen in de procedure met zaak-/rolnummer 13717 CV EXPL 95-1590, tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde te bekrachtigen - zonodig onder aanvulling of verbetering van de gronden waarop dat vonnis berust - en opnieuw rechtdoende in dit hoger beroep [appellant] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen;

in het voorwaardelijk incidenteel appèl:

dat het het gerechtshof moge behagen het tussenvonnis van de kantonrechter te Emmen d.d. 8 mei 1996, althans meer in het bijzonder rechtsoverweging 2.1, te vernietigen voor zover de kantonrechter daarin overweegt en oordeelt - samengevat - dat de door DCHL aan [appellant] verhuurde bedrijfsruimte een gebrek vertoont, aangeduid als waterdoorlatendheid van plafond en wanden, in verband waarmede de kantonrechter uitgaat van aansprakelijkheid van DCHL voor wat betreft de watertoetreding in juli 1995.

in principaal en voorwaardelijk incidenteel appèl:

met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties."

[appellant] heeft een antwoordakte in het principaal appel, tevens memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel (met producties), genomen waarvan de conclusie luidt:

"In het principaal appèl:

tot persistit, tevens akte vragend van het opgemerkte.

In het voorwaardelijk incidenteel appèl:

dat het het gerechtshof moge behagen om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest DCHL niet ontvankelijk te verklaren in dit incidenteel appèl en het tussenvonnis van de kantonrechter d.d. 8 mei 1996, meer in het bijzonder r.o. 2.1 van het tussenvonnis, te bekrachtigen, al dan niet onder aanvulling of verbetering van de gronden waarop dat vonnis berust, een en ander met veroordeling van DCHL in de kosten van dit voorwaardelijk incidenteel appèl."

Voorts heeft Uni-Invest een antwoordakte tevens akte uitlaten producties in voorwaardelijk incidenteel appel genomen, waarop door [appellant] met een antwoordakte is gereageerd.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] twee producties, en Uni-Invest één productie in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel twee grieven opgeworpen, terwijl door

Uni-Invest in het voorwaardelijk incidenteel appel één grief is voorgesteld.

De beoordeling

In het principaal en in het incidenteel appel

Met betrekking tot de feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, dan wel op grond van de overgelegde en niet bestreden producties staat in hoger beroep

- voor zover van belang - het volgende vast.

1.1 Ingaande 3 september 1990 heeft [appellant] van de rechtsvoorgangster van Uni-Invest, te weten Dutch Canadian Holdings Ltd. (hierna: DCHL) gehuurd de bedrijfsruimte (bowlingcentrum annex restaurant) in de kelder van het pand aan de [adres] (hierna: het gehuurde).

1.2 De huurprijs bedroeg bij aanvang van de huur ƒ 100.000,-- per jaar. Het huur-contract voorziet in een periodieke indexering van de huurprijs, voor het eerst 12 maanden na ingaan van de huur.

In het algemene gedeelte van het huurcontract is bepaald dat de huurprijs zonder beroep op korting of schuldvergelijking moet worden voldaan.

Artikel 9 van het huurcontract luidt, voor zover hier van belang: "Verhuurster garandeert dat de bowlingbanen deel uitmaken van het verhuurde object. Zolang de huurovereenkomst loopt blijft huurder dan ook aanspraak behouden op het huurgenot van bedoelde banen (…)"

Artikel 11 van het huurcontract luidt: "Verhuurster is niet aansprakelijk voor bedrijfs-schade van huurder of voor schade aan eigendom van huurder door weersomstandigheden, lekkage, diefstal, brand of dergelijke. Huurder wordt geacht zich daartegen te hebben verzekerd."

1.3 Boven de door [appellant] gehuurde bedrijfsruimte bevinden zich op de begane grond andere door DCHL verhuurde bedrijfsruimten - waaronder een vishandel - en daarboven woonappartementen.

1.4 Tijdens of na een wolkbreuk op 29 juni 1994 is, vanuit de bovengelegen bedrijfs-ruimten door het plafond en/of langs de wanden, water het gehuurde binnen-gedrongen. Daarbij is ook schade ontstaan aan de bowlingbanen. [appellant] heeft melding van de waterschade gemaakt aan DCHL, die de kosten van herstel heeft gedragen. Op 24 augustus 1994 waren de bowlingbanen gerepareerd en voor gebruik gereed.

1.5 [appellant] heeft op grond van zijn stelling dat het huurcontract compensatie uitsluit, na daartoe verkregen toestemming, ter zake van geleden schade conservatoir beslag onder zichzelf doen leggen op de aan DCHL verschuldigde huurpenningen.

1.6 Op 27 juli 1995 is na een wolkbreuk andermaal een hoeveelheid water door de verdiepingsvloer en/of langs de muren het gehuurde binnengedrongen. Als gevolg daarvan is een aantal bowlingbanen opnieuw onbruikbaar geworden.

1.7 [appellant] heeft DCHL in een eerdere procedure gedagvaard ter zake van vergoeding van schade als gevolg van de wateroverlast op 29 juni 1994. DCHL heeft verweer gevoerd en een reconventionele vordering ingesteld. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 januari 1996 (rolnummer 1926/1994), in conventie gewezen - voor zover hier van belang - blijkens het dictum sub 1. de gevolgen van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst in die zin gewijzigd dat [appellant] over de periode 29 juni 1994 tot en met 26 augustus 1994 op de gebruikelijke huur één maand huur in mindering mag brengen. In het door [appellant] van het vonnis van de kantonrechter ingestelde hoger beroep heeft de rechtbank Assen bij vonnis van

10 maart 1998 (rolnummer 9437) - voor zover van belang - het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor wat betreft het dictum in conventie sub 1, en opnieuw rechtdoende, de gevolgen van de huurovereenkomst aldus gewijzigd dat [appellant] over de periode van 29 juni 1994 tot en met 26 augustus 1994 geen huurpenningen jegens DCHL verschuldigd is. Voor het overige is het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het door [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000 verworpen.

1.8 Bij vonnis van de kantonrechter te Emmen van 10 juni 1996 is [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. [appellant] heeft het gehuurde op

19 juni 1996 verlaten.

1.9 Op 10 december 1996 is [appellant] in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is op 28 augustus 2000 geëindigd door opheffing.

Met betrekking tot de vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellant] heeft in het geding in eerste aanleg - na eiswijziging - gevorderd:

1) DCHL te bevelen om te bewerkstelligen dat de door hem in het gehuurde ondervonden stankoverlast zal zijn beëindigd, een en ander op verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000,-- voor elk deel van een dag dat DCHL met het volledig nakomen van dit bevel in gebreke is, onder bepaling dat de aldus te verbeuren dwangsommen direkt in mindering kunnen worden gebracht op de door [appellant] aan DCHL verschuldigde huurpenningen; 2a) DCHL te veroordelen om aan [appellant] ter zake van de door [appellant] wegens stankoverlast in 1994 geleden en nog te lijden schade een bedrag van ƒ 71.321,-- te betalen, op welk bedrag in mindering kan strekken hetgeen DCHL aan [appellant] vergoedt ter zake van de waterschade in 1994, en hetgeen [appellant] over de periode van 29 juni 1994 tot en met augustus 1994 niet aan huur behoeft te betalen, dan wel een bedrag op te maken bij staat, te vermeerderen met de rente vanaf 24 januari 1996; 2b) DCHL te veroordelen om aan [appellant] te betalen de door [appellant] wegens wateroverlast in 1995 en wegens stankoverlast in 1995 geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat, te vermeerderen met de daarover te berekenen wettelijke rente vanaf 6 augustus 1995 voor zover het betreft de in 1995 geleden schade en te rekenen vanaf 15 juni 1996 voor de in 1996 en nadien (door bedrijfssluiting en faillissement) geleden schade; 2c) DCHL te veroordelen om aan [appellant] ter zake van de schade aan de motoren een bedrag van ƒ 2.900,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente daarover vanaf 9 augustus 1995; 3) DCHL te veroordelen in de kosten van het geding.

2.1 De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 15 december 2004, waarvan beroep, de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

Voorts in het principaal appel

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep

3. Er zijn geen grieven gericht tegen de beroepen (tussen)vonnissen van 8 mei 1996,

18 september 1996, 25 februari 1998 en 12 februari 2003, zodat [appellant] in het appel van die vonnissen niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

4. Uni-Invest heeft zich beroepen op de niet-ontvankelijkheid van [appellant] in het onderhavige hoger beroep op de door haar aangevoerde grond dat omtrent de rechtsbetrekking tussen partijen rechterlijke uitspraken voorliggen die (al zeer geruime tijd) in kracht van gewijsde zijn gegaan en ten aanzien van de rechts-betrekking tussen partijen gezag van gewijsde hebben.

4.1 De door Uni-Invest in dit verband aangehaalde uitspraken zijn het vonnis van

de kantonrechter te Emmen d.d. 17 januari 1996 (rolnummer 1926/94) dat in hoger beroep - grotendeels - is bevestigd bij vonnis van de rechtbank Assen (in het vervolg: de rechtbank) d.d. 10 maart 1998 (zaaknummer 9437) en het arrest van de Hoge Raad d.d. 28 april 2000, waarin het tegen het rechtbankvonnis ingestelde cassatieberoep is verworpen. Onderwerp van geschil in die zaak was de vordering van [appellant] ter zake van vergoeding van schade wegens in 1994 in het gehuurde ondervonden wateroverlast.

4.2 In het onderhavige hoger beroep strijden partijen over de gevolgen van de door [appellant] gestelde, in het gehuurde ondervonden stankoverlast in 1994 alsmede de water- en stankoverlast in 1995. Dit onderwerp van geschil is derhalve een ander dan dat aan de orde was in het tussen partijen gevoerde geding, hetwelk heeft geleid tot de hiervoor in r.o. 3.1 aangehaalde uitspraken.

4.3 Het door Uni-Invest gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellant] in dit hoger beroep moet dan ook worden verworpen.

4.4 Het hof merkt hierbij op dat het voorgaande niet afdoet aan het gezag van gewijsde van genoemd vonnis van de rechtbank d.d.10 maart 1998, voor zover daarin mogelijke overige rechtsbetrekkingen tussen partijen zijn vastgesteld.

Met betrekking tot de grieven

5. De grieven leggen, gezien ook de daarop gegeven toelichting, het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor en lenen zich ervoor gezamenlijk te worden behandeld.

de vordering met betrekking tot de schade wegens wateroverlast

6. De rechtbank heeft voor wat betreft de situatie in 1994 in haar eerdergenoemd vonnis van 10 maart 1998 - r.o. 5.11 - overwogen dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een gebrek aan het gehuurde in de zin van artikel 1588 BW (oud). Dit oordeel heeft in cassatie standgehouden.

7. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat het oordeel van de kantonrechter in zijn vonnis van 17 januari 1996, te weten dat aansprakelijkheid van DCHL voor de schade van [appellant] van 1995 in beginsel wel aanwezig is, ondanks exoneratie, in het hoger beroep voor de rechtbank "ongeschonden uit de strijd is gekomen", maar hij ziet daarbij over het hoofd dat de kantonrechter bij dat oordeel ervan uitging dat in 1994 sprake was van een gebrek aan het gehuurde. De rechtbank heeft in het vonnis van 10 maart 1998 evenwel overwogen dat het bestaan van een gebrek niet is komen vast te staan, zodat aan het - toch als voorshands aan te merken - oordeel van de kantonrechter ter zake van de aansprakelijkheid van DCHL voor de door [appellant] gestelde schade in 1995 thans geen betekenis (meer) toekomt.

8. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de wateroverlast in het gehuurde - die erop neer kwam dat tijdens een wolkbreuk water via de vloeren van de boven de door [appellant] gehuurde bowlingbanen gelegen winkels de bowlingbaan binnenstroomde - waarschijnlijk is te wijten aan een te beperkte capaciteit van de riolering buiten het pand waarvan het gehuurde deel uitmaakt, voor welke riolering DCHL niet verantwoordelijk was. Het hof merkt deze overlast als incidenteel aan; dat Emmen twee achtereenvolgende jaren door uitzonderlijk noodweer werd getroffen doet aan dit incidentele karakter niet af. [appellant] heeft in dit geding ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de wateroverlast in 1995 een andere oorzaak had dan in 1994. Het hof oordeelt dat het plafond van het door [appellant] gehuurde pand niet bestand was tegen deze vorm van extreme wateroverlast niet kan worden aangemerkt als een gebrek aan het gehuurde. Als al juist zou zijn dat [appellant] in maart/april 1994 melding zou hebben gemaakt van het (op andere wijze) binnenkomen van water in het gehuurde, maakt dat niet dat daardoor de in juni 1994 en in juli 1995 opgetreden waterschade wel als een gebrek zou moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft de mogelijke melding van anderssoortige waterschade in maart/april 1994 reeds als niet relevant aangemerkt, welk oordeel het hof ook in dit geding onderschrijft. Het bewijsaanbod van deze melding passeert het hof dan ook als niet terzake doend.

9. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van het hof niet met succes worden volgehouden dat het door DCHL met betrekking tot de waterschade van 1995 gedane beroep op de exoneratieclausule van artikel 11 van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Omtrent grove nalatigheid of kwade trouw aan de zijde van DCHL is niets gesteld of gebleken. Bij vorenstaand oordeel heeft het hof in ogenschouw genomen dat de rechtbank in haar eerdergenoemd vonnis van

10 maart 1998 heeft geoordeeld dat de exoneratieclausule niet als een onredelijk bezwarend beding voor [appellant] kan worden aangemerkt. Dit oordeel geldt, gelet op het daaraan toekomende gezag van gewijsde, in het onderhavige geding als gegeven.

10. De conclusie moet dan ook luiden dat de vordering van [appellant] ter zake van vergoeding van bedrijfsschade als gevolg van de in 1995 opgetreden water-overlast, waaronder te begrijpen zijn de kosten van reparatie van de motoren van de bowlingbaan, niet toewijsbaar is.

de vordering met betrekking tot de schade wegens stankoverlast

11. Vooropgesteld moet worden dat het DCHL in zijn algemeenheid niet verboden was om de boven het gehuurde gelegen bedrijfsruimte te verhuren aan een vishandel of dat anderszins zich omstandigheden voordeden, die aan de vestiging van een vishandel ter plaatse in de weg stonden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat de vishandel niet voldeed aan de op die onderneming rustende verplichtingen of de zaak zonder vergunning exploiteerde dan wel anderszins in overtreding is geweest.

12. De beweerdelijk door [appellant] geleden schade ter zake van de gedurende 1994 en 1995 in het gehuurde ondervonden stankoverlast dient te worden aangemerkt als bedrijfsschade. Op grond van de exoneratie van artikel 11 van de huurovereen-komst is de verhuurder evenwel niet aansprakelijk voor bedrijfsschade.

Dit kan uitzondering lijden indien het beroep op die exoneratie in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Van dat laatste zou sprake kunnen zijn indien de verhuurder, wetende dat de ondervonden stankoverlast is te wijten aan een gebrek waarvoor hij aansprakelijk is, nalaat tijdig maatregelen te nemen om dat gebrek op te heffen.

13. Uni-Invest heeft erkend dat door [appellant] in de jaren 1994 en 1995 is geklaagd over stankoverlast, zowel in de vorm van een vislucht als van een rioollucht (dit laatste in 1995). Zij heeft echter gesteld dat er tijdig en serieus op de klachten is ingegaan, dat er onderzoek is gedaan naar het optreden van de stankoverlast, de mogelijke oorzaken daarvan en de mogelijke remedies. Uni-Invest wijst erop dat de rapportage van de door de kantonrechter benoemde [deskundige] d.d. 24 januari 1996 niet (geheel) duidelijk is ten aanzien van de oorzaak van het toetreden van vislucht en de concrete maatregelen welke moeten worden getroffen teneinde de stankoverlast op te heffen en dat Adviesbureau TauwMilieu in haar rapport van februari 2006 blijk geeft van een andere visie.

14. Naar het oordeel van het hof bestond er aldus onduidelijkheid omtrent nood-zakelijke maatregelen. Uit de brief van de gemeente Emmen van 10 juni 1996 blijkt dat uit onderzoek van de medewerkers van de afdeling milieu is gebleken dat door (DCHL en) huurder [de huurder] in de periode februari-april 1996 diverse maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van stankhinder ten gevolge van het in werking zijn van de vishandel. De brief vermeldt onder meer: "… Deze maatregelen hebben onder meer betrekking op de afzuiging van dampen, wasem etc. zowel binnen de inrichting als daarbuiten. Deze afzuiging voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften. Ter voorkoming van lekkage vanuit de inrichting is op die plaatsen, waar een verhoogd risico voor lekkage aanwezig is, een vloeistofdichte coating op de vloer aangebracht… Buiten de inrichting van de [de huurder] werd geen overmatige visgeur waargenomen en in de inrichting van de heer [appellant] werd geen visgeur waargenomen." Het hof is van oordeel dat DCHL aldus voldoende heeft aangetoond dat zij, binnen de grenzen van hetgeen binnen haar mogelijkheden lag, in redelijkheid alles heeft gedaan om de klachten van [appellant] ten aanzien van de stankoverlast tijdig en adequaat te verhelpen. Dat dit wellicht niet het door [appellant] gewenste resultaat heeft gehad, maakt zulks niet anders.

15. Voor wat betreft de klacht ter zake van overlast wegens het optreden van rioollucht in 1995 is voldoende komen vast te staan dat DCHL daarop tijdig heeft gereageerd en dat die klachten na het aanbrengen van een stankafsluiter/stankslot tot het verleden behoorden.

16. Nu uit het voorgaande volgt dat naar 's hofs oordeel voldoende is gebleken dat DCHL zich naar vermogen heeft ingespannen om de overlast wegens stank-overlast te verhelpen, gaat het door [appellant] gedane beroep op het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 juni 1994, NJ 1994,670 (inzake St. Joseph/Van Fessem-van Gils) niet op.

17. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

18. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod, voor zover dat betrekking heeft op de gesteld geleden bedrijfsschade, zal als niet ter zake doende worden gepasseerd.

19. De grieven falen.

In het voorwaardelijk incidenteel appel

20. Gelet op afloop van het principaal appel en op het voorwaardelijk karakter van het incidenteel appel, behoeft de door Uni-Invest opgeworpen grief geen verdere bespreking.

Slotsom

21. [appellant] zal niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn hoger beroep tegen de tussenvonnissen. Het eindvonnis van 15 december 2004 waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (3½ punten, tarief IV)

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de (tussen)vonnissen van 8 mei 1996, 18 september 1996, 25 februari 1998 en 12 februari 2003;

bekrachtigt het vonnis van 15 december 2004 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van Uni-Invest worden begroot op € 2.300,-- aan verschotten en op

€ 5.708,50 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Onnes-Wind, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 27 februari 2008 in bijzijn van de griffier.