Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5376

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
0500624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] hem aldus onder valse voorwendselen heeft bewogen een geregistreerd partnerschap met haar aan te gaan en dat hij schade lijdt doordat hij na ontbinding van het geregistreerd partnerschap is veroordeeld alimentatie aan [geïntimeerde] te betalen.

De stelling die [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, levert - wat daar ook van zij - naar het oordeel van het hof geen onrechtmatige daad in de zin der wet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 februari 2008

Rolnummer 0500624

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P. van der Sluis,

voor wie gepleit heeft mr. A. Kos, advocaat te Warneveld,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P. Tuinman,

voor wie gepleit heeft mr. P. Crans, advocaat te Hilversum.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 6 juli 2005 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 oktober 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 21 december 2005.

Het petitum van de appeldagvaarding luidt:

"het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van appellant alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten van beide instanties, zulks met bepaling dat over de proceskostenveroordelingen wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest en met de verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn."

Bij memorie van grieven heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig het petitum van de appeldagvaarding.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 6 juli 2005 onder rolnummer

70522/HA ZA 05-512 gegeven te bekrachtigen en de vordering van de man af te wijzen en hem uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen in de kosten van eerste aanleg en van dit hoger beroep."

Partijen hebben hun zaak op 19 december 2007 doen bepleiten, waarbij de raadsman van [appellant] zich heeft bediend van een pleitnota met productie.

Tenslotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. [geïntimeerde] heeft zich ermee akkoord verklaard dat er arrest wordt gewezen op één dossier.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. In hoger beroep kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

1.1 Partijen zijn op 8 juni 1998 een geregistreerd partnerschap aangegaan.

1.2 Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 11 juli 2002 is de ontbinding van dat geregistreerd partnerschap uitgesproken.

1.3 Genoemde beschikking is op 19 september 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.4 Het gerechtshof te Arnhem heeft bij beschikking van 22 juli 2003 bepaald dat [appellant] aan [geïntimeerde] met ingang van 19 september 2002 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 835,-- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

1.5 De rechtbank Leeuwarden heeft bij beschikking van 23 augustus 2006 het verzoek van [geïntimeerde] tot wijziging van de bij beschikking van het hof Arnhem van 22 juli 2003 bepaalde partneralimentatie afgewezen.

1.6 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 23 augustus 2006 bij beschikking van 26 september 2007 vernietigd en heeft de beschikking van het hof Arnhem van 22 juli 2003 gewijzigd en de door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud met ingang van 1 november 2005 tot 30 december 2006 bepaald op € 1.385,-- per maand.

Ten aanzien van grief II

2. [appellant] klaagt dat de rechtbank geen overweging heeft gewijd aan het beroep van [appellant] op een gestelde onrechtmatige daad van [geïntimeerde].

3. Deze grief slaagt. In hoeverre dat [appellant] baat, zal blijken uit de beoordeling van de overige grieven.

Ten aanzien van de grieven I, III en IV

4. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de raadsman van [appellant] bevestigd dat artikel 6:162 BW de grondslag vormt voor de vordering van [appellant] in hoger beroep.

Het gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] is volgens [appellant] uitsluitend daarin gelegen dat [geïntimeerde] volgens [appellant] jegens hem ten onrechte liefde heeft voorgewend.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] hem aldus onder valse voorwendselen heeft bewogen een geregistreerd partnerschap met haar aan te gaan en dat hij schade lijdt doordat hij na ontbinding van het geregistreerd partnerschap is veroordeeld alimentatie aan [geïntimeerde] te betalen.

6. [geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist.

7. Het hof overweegt als volgt.

De stelling die [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, levert - wat daar ook van zij - naar het oordeel van het hof geen onrechtmatige daad in de zin der wet op.

8. [appellant] die - zoals ter gelegenheid van het pleidooi is gebleken - in het kader van de gevoerde alimentatieprocedure niet het verweer heeft gevoerd dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn hem te verplichten alimentatie aan [geïntimeerde] te voldoen - tracht door het instellen van de onderhavige vordering in feite een bijzonder rechtsmiddel aan te wenden tegen de in de alimentatieprocedure door dit hof gegeven beschikking. De wet kent een zodanig rechtsmiddel evenwel niet.

9. De grieven I, II en IV falen.

Slotsom

10. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief III, 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op een bedrag van

€ 1.100,-- aan verschotten en een bedrag van € 3.474,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Onnes-Wind en Otten, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 27 februari 2008 in bijzijn van de griffier.