Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5102

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
0700788
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een medische behandeling van een minderjarige van twaalf jaar of ouder maar jonger dan zestien jaar, zoals [de minderjarige] die op dit moment 13 jaar is, kan op basis van art. 7: 450 lid 2 BW echter zonder toestemming van de ouder(s) plaatsvinden indien de behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de minderjarige patiënt te voorkomen of indien de minderjarige - ook nadat zijn ouders toestemming hebben geweigerd - de behandeling weloverwogen blijft wensen. Vervangende toestemming van de kinderrechter is dan niet vereist.

[...]

Het is op basis van art. 7:448 BW de plicht van de artsen van [de minderjarige] om haar adequaat te informeren over de voorgestelde behandeling en de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en haar gezondheidstoestand (informed consent). Daarna dient [de minderjarige] vervolgens met de artsen een afweging te maken. Het hof gaat ervan uit dat de artsen aan hun informatieplicht hebben voldaan. Voor zover de artsen hun informatieplicht nog niet (geheel) hebben vervuld, rust deze plicht nog op hen. Aldus is vervangende toestemming van de kinderrechter voor de medische behandeling van [de minderjarige] niet noodzakelijk. Bureau Jeugdzorg kan daarom niet in het inleidend verzoek worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 februari 2008

Rekestnummer 0700788

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. A.H. Lanting,

advocaat mr. R.J. Skála,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 17 oktober 2007 heeft de rechtbank Groningen het verzoek van Bureau Jeugdzorg tot vervangende toestemming voor de medische behandeling van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]), geboren [in] 1994, toegewezen in die zin dat de noodzakelijke controles mogen worden uitgevoerd door middel van een leverbiopsie of een T2*MRI meting.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 14 november 2007, heeft de moeder verzocht de beschikking te vernietigen met bepaling dat [de minderjarige] behandeld dient te worden volgens de SQUID methode, dan wel de T2*MRI, kosten rechtens.

Hoewel hiertoe in de gelegenheid gesteld, heeft Bureau Jeugdzorg geen verweerschrift ingediend.

Op 14 december 2007 is [de minderjarige] gehoord door een raadsheer-commissaris.

Ter zitting van 17 december 2007 is de zaak behandeld.

De beoordeling

1. Art. 1:264 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming op verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan worden vervangen door die van de kinderrechter.

2. Een medische behandeling van een minderjarige van twaalf jaar of ouder maar jonger dan zestien jaar, zoals [de minderjarige] die op dit moment 13 jaar is, kan op basis van art. 7: 450 lid 2 BW echter zonder toestemming van de ouder(s) plaatsvinden indien de behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de minderjarige patiënt te voorkomen of indien de minderjarige - ook nadat zijn ouders toestemming hebben geweigerd - de behandeling weloverwogen blijft wensen. Vervangende toestemming van de kinderrechter is dan niet vereist.

3. Niet in geschil is dat [de minderjarige] als gevolg van haar ziekte Bèta thalassemie major levenslang afhankelijk is van bloedtransfusies en dat het vanwege de toxische ijzerstapeling die de bloedtransfusies veroorzaken noodzakelijk is dat zij een "chelatie" therapie (ontijzering) dient te ondergaan. Het verschil van mening betreft de vraag welke behandeling daarbij toegepast dient te worden.

Volgens de moeder werd [de minderjarige] in de periode dat zij met de moeder in Israël woonde, behandeld en gecontroleerd volgens de SQUID-methode. De moeder wil dat [de minderjarige] die behandeling weer gaat ontvangen. De moeder heeft haar toestemming voor verrichtingen ter uitvoering van de door [de behandelaar], de behandelaar van [de minderjarige] in de kinderkliniek van het UMCG aangeboden behandelingsovereenkomst geweigerd.

4. [De behandelaar] wil de behandeling van [de minderjarige] traditioneel voortzetten. Dat betekent dat [de minderjarige] om de drie weken een bloedtransfusie krijgt en een leverbiopsie. Het rapport van 25 juni 2007 van de door de kinderrechter aangewezen deskundige [de deskundige], vermeldt dat de behandelingsstrategie om de ijzerstapeling te volgen door middel van een leverbiopt tot op heden geldt als standaardprocedure en niet achterhaald is. Het alternatief T2*MRI is eveneens zeer actueel en niet invasief. Volgens [de deskundige] is de door [de behandelaar] aangeboden behandeling de beste die [de minderjarige] in Nederland kan krijgen.

5. De moeder heeft bestreden dat [de minderjarige] de huidige behandeling weloverwogen blijft wensen.

6. Daar staat tegenover dat [de minderjarige] in haar gesprek met de raadsheer-commissaris heeft aangegeven te beseffen dat de behandeling die de moeder wenst en die in Israël uitgevoerd kan worden, minder ingrijpend is dan de behandeling die zij op dit moment ondergaat. [de minderjarige] heeft daarbij echter tevens laten weten dat zij in Nederland behandeld wil blijven worden en niet in Israël.

7. De stelling van de moeder dat [de minderjarige] onder druk gezet is en niet de vrijheid heeft om te kiezen en te spreken zoals zij zich wenst, zal het hof buiten beschouwing laten, omdat die onvoldoende onderbouwd is.

8. Het is op basis van art. 7:448 BW de plicht van de artsen van [de minderjarige] om haar adequaat te informeren over de voorgestelde behandeling en de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en haar gezondheidstoestand (informed consent). Daarna dient [de minderjarige] vervolgens met de artsen een afweging te maken. Het hof gaat ervan uit dat de artsen aan hun informatieplicht hebben voldaan. Voor zover de artsen hun informatieplicht nog niet (geheel) hebben vervuld, rust deze plicht nog op hen. Aldus is vervangende toestemming van de kinderrechter voor de medische behandeling van [de minderjarige] niet noodzakelijk. Bureau Jeugdzorg kan daarom niet in het inleidend verzoek worden ontvangen.

De slotsom

9. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verklaart Bureau Jeugdzorg niet-ontvankelijk in het inleidend verzoek.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Bosch en Olthuis, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van maandag 25 februari 2008 in bijzijn van de griffier.