Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5065

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
0600493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geïntimeerden] hebben tot hun verweer aangevoerd dat zij met het oog op de bescherming van hun privacybelang uiteindelijk zijn overgegaan tot plaatsing van de schutting. Dit is volgens hen gebeurd nadat zij diverse keren hadden geconstateerd dat [appellant 1] (appellant sub 1) door de destijds op de erfgrens geplaatste coniferen en laurierstruiken gluurde - of deze aan de kant duwde - om het perceel van [geïntimeerden] te kunnen bekijken, bijvoorbeeld als laatstgenoemden bezoek ontvingen. [appellanten] hebben dit niet betwist (met dien verstande dat het [appellant 1] naar zijn zeggen om het uitzicht ging), maar hebben wel opgemerkt (zie memorie van grieven, onder punt A15) dat, als het [geïntimeerden] werkelijk om de bescherming van de privacy zou gaan, zij hun terrein ook aan de andere kant (bij de parkeerplaats van de kerk) zouden hebben afgesloten. Het hof is van oordeel dat, voor zover hierin al een behoorlijk in het geding naar voren gebrachte (verholen) grief kan worden gelezen tegen het door de rechtbank als vaststaand aangenomen feit dat de schutting om privacy-redenen is geplaatst, de grief dient te falen reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat de privacy van [geïntimeerden] aan de andere kant van hun perceel ook werd verstoord.

Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat [appellanten] geen toereikende feiten hebben gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat [geïntimeerden] hun bevoegdheid om hun erf door middel van een twee meter hoge schutting af te scheiden niet mogen inroepen omdat zij deze bevoegdheid misbruiken. De vordering tot verwijdering (althans verlaging) van de schutting stuit hierop af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 februari 2008

Rolnummer 0600493

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats appellant 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr. P. Tuinman.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 5 april 2006 en 14 juni 2006 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 september 2006 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 11 oktober 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen de vonnissen d.d. 5 april 2006 en 14 juni 2006, door de rechtbank Assen tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerden alsnog

I.

te veroordelen om aan appellanten te betalen een bedrag van € 175,-- (althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag) per maand over de periode van 1 oktober 2004 tot het moment dat de situatie op het perceel, kadastraal gemeente Sleen, sectie K, nummer 352, zal zijn overeenkomstig het hieronder II te formuleren dictum, althans overeenkomstig de door het gerechtshof terzake te formuleren bevelen;

II.

a.

te bevelen om op straffe van een dwangsom van € 850,-- per week met betrekking tot de grote schuur en een dwangsom van € 850,-- per week met betrekking tot de schutting te rekenen vanaf de betekening van het in deze te wijzen arrest:

de op het perceel kadastraal gemeente Sleen, sectie K, nummer 352, aanwezige grote schuur zover te verplaatsen naar het westen dat het meest oostelijke deel van deze schuur ligt in het verlengde van de oostelijke gevel van de schuur welke zich bevindt op het perceel kadastraal gemeente Sleen, sectie K, nummer 351, en

de op het perceel kadastraal gemeente Sleen, sectie K, nummer 352 aanwezige schutting, althans de schutting staande op de grens tussen de percelen, kadastraal gemeente Sleen, nummers 351 en 352, te verwijderen, althans en in ieder geval te verlagen tot een hoogte van maximaal 1.25 meter;

b.

te bevelen om op straffe van een dwangsom van € 570,-- per week te rekenen vanaf de betekening van het in deze te wijzen arrest het op het perceel kadastraal gemeente Sleen, sectie K, nummer 352, aanwezige tuinhuisje zoveel naar het oosten te verplaatsen dan wel een kwartslag te draaien, dat het dan nog meest westelijke punt van het tuinhuisje ligt in het verlengde van de oostelijke gevel van de woning op het perceel kadastraal gemeente Sleen, sectie K, nummer 351.

III.

te gehengen en te gedogen dat, indien geïntimeerden zelf niet binnen 45 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest de onder II geformuleerde bevelen, althans de door het gerechtshof terzake dat petitum te formuleren bevelen, geheel zijn nagekomen appellanten dan zelf - onverminderd het recht van appellanten op de dwangsommen behorende bij de bevelen - op kosten van geïntimeerden de werkzaamheden die behoren bij de bevelen, uitvoeren.

IV.

Aan appellanten te betalen een bedrag van € 1.987,36, te vermeerderen met de daarover te berekenen wettelijke vertragingsrente vanaf 26 augustus 2004, althans vanaf de dag dat deze dagvaarding in eerste aanleg is betekend, tot aan de dag der algehele voldoening.

V.

indien geïntimeerden niet worden verplicht tot het verrichten van hetgeen appellanten onder sub IIa. en b. vorderen geïntimeerden te veroordelen om aan appellanten te betalen een bedrag van € 17.500,--, althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag wegens de daling van de waarde van het perceel kadastraal gemeente Sleen, nummer 351 met opstallen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

"om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] zijn vordering in conventie ook in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren dan wel hem deze te ontzeggen en voorts om, zonodig met aanvulling of verbetering van de gronden, het vonnis van de rechtbank Assen van 14 juni 2006 (zaaknummer/rolnummer: 52754/HA ZA 05-511) te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties."

Voorts hebben [appellanten] een akte uitlating producties genomen en hebben [geïntimeerden] een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben twaalf genummerde grieven opgeworpen alsmede twee ongenummerde "algemene grieven" voorgedragen.

De beoordeling

1. De grieven richten zich niet tegen het tussenvonnis van 5 april 2006, zodat [appellanten] in hun hoger beroep tegen dit vonnis niet kunnen worden ontvangen.

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2a tot en met 2i) van genoemd vonnis van 14 juni 2006 is - behoudens na te melden uitzondering - geen grief ontwikkeld, terwijl ook niet anderszins van bezwaren daartegen is gebleken. Mitsdien zal ook in hoger beroep van die feiten worden uitgegaan.

3. Met inachtneming van r.o. 2 gaat het in dit geding in essentie om het volgende.

3.1 [appellanten] zijn eigenaar van het perceel, plaatselijk bekend [adres]. [geïntimeerden] zijn eigenaar van het daarnaast gelegen perceel, [adres 1].

3.2 [appellanten] hadden vanuit hun keukenraam een vrij uitzicht op het erf van [adres 1] en de daarachter gelegen gronden.

3.3 [geïntimeerden] hebben omstreeks 2001/2002 een tuinhuisje en een schuur op hun perceel gebouwd, als gevolg waarvan het hiervoor bedoelde uitzicht van [appellanten] voor het overgrote deel is weggenomen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden heeft voor de oprichting van deze bouwwerken een bouwvergunning verleend.

3.4 [geïntimeerden] hebben in 2003 op hun perceel een twee meter hoge schutting langs de erfgrens met [appellanten] geplaatst, als gevolg waarvan het resterende uitzicht van [appellanten] op de hiervoor bedoelde gronden ook is verdwenen.

4. [appellanten] vorderen in deze procedure kort gezegd dat de schuur en het tuinhuisje worden verplaatst naar een ander deel van het perceel van [geïntimeerden] en wel op zodanige wijze dat het voorheen bestaande uitzicht op en over het perceel [adres 1] (grotendeels) wordt hersteld en voorts dat de schutting wordt verwijderd, althans wordt verlaagd tot een hoogte van maximaal 1.25 meter. Daarnaast vorderen zij dat [geïntimeerden] worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding.

4.1 [appellanten] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat zij als gevolg van de aanwezigheid van de schuur en het tuinhuisje minder licht in hun woning en hun tuin ontvangen, terwijl bovendien hun voorheen bestaande weidse uitzicht vanuit hun keukenraam door de oprichting van de beide bouwwerken vrijwel volledig is weggenomen. Een en ander was niet aan de orde geweest indien [geïntimeerden] de bouwwerken op een ander deel van hun perceel hadden opgericht. Onder deze omstandigheden is volgens [appellanten] sprake van onrechtmatig handelen aan de zijde van [geïntimeerden]

Wat betreft de schutting hebben [appellanten] betoogd dat er vanuit gegaan moet worden dat [geïntimeerden] deze hebben geplaatst met als (enig) doel om "de argumenten voor het verwijderen van het tuinhuisje en de grote schuur weg te nemen". Het door [geïntimeerden] in dit verband gedane beroep op art. 5:48 BW moet - aldus nog steeds [appellanten] - als misbruik van bevoegdheid worden gekwalificeerd en mag daarom niet worden ingeroepen.

5. De rechtbank heeft bij het beroepen eindvonnis de vorderingen van [appellanten] afgewezen.

6. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de in geding zijnde schutting zich op een afstand van 10.40 meter van het keukenraam van [appellanten] bevindt en dat de daken van het tuinhuisje en de schuur daar bovenuit steken. Hoewel partijen het niet eens zijn over de exacte hoogte van het tuinhuisje en de schuur, kan aan de hand van de in het geding gebrachte foto's (waarbij met name wordt verwezen naar de foto's die zich bevinden bij het taxatierapport van Makelaardij Venhorst, productie 6 bij de inleidende dagvaarding) worden vastgesteld dat met name het dak van de schuur in aanzienlijke mate boven de schutting uitsteekt en dat als gevolg daarvan sprake is van een wezenlijke ingreep in de directe omgeving van het perceel van [appellanten]

7. De rechtbank heeft met betrekking tot de vordering tot verwijdering (althans verlaging) van de schutting overwogen dat zij dit "buiten de afweging laat" omdat volgens [appellanten] verwijdering daarvan "niets oplevert als schuur en tuinhuisje blijven staan." [appellanten] maken met grief 9 bezwaar tegen dit oordeel. Volgens [appellanten] hebben zij wel degelijk belang bij toewijzing van dit deel van de vordering omdat er na verwijdering (althans verlaging) van de schutting in ieder geval nog enig uitzicht voor hen overblijft. Deze grief slaagt. Het hof zal daarom hierna bespreken of [geïntimeerden] misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid door een schutting van twee meter hoog langs de erfgrens met het perceel van [appellanten] te plaatsen. Hieromtrent wordt overwogen als volgt.

8. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. [appellanten] hebben in dit verband enkel gesteld dat er kennelijk sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat volgens hen niet valt in te zien welk belang [geïntimeerden] bij de plaatsing van een schutting langs de erfgrens met hun perceel hebben.

8.1 [geïntimeerden] hebben tot hun verweer aangevoerd dat zij met het oog op de bescherming van hun privacybelang uiteindelijk zijn overgegaan tot plaatsing van de schutting. Dit is volgens hen gebeurd nadat zij diverse keren hadden geconstateerd dat [appellant 1] (appellant sub 1) door de destijds op de erfgrens geplaatste coniferen en laurierstruiken gluurde - of deze aan de kant duwde - om het perceel van [geïntimeerden] te kunnen bekijken, bijvoorbeeld als laatstgenoemden bezoek ontvingen. [appellanten] hebben dit niet betwist (met dien verstande dat het [appellant 1] naar zijn zeggen om het uitzicht ging), maar hebben wel opgemerkt (zie memorie van grieven, onder punt A15) dat, als het [geïntimeerden] werkelijk om de bescherming van de privacy zou gaan, zij hun terrein ook aan de andere kant (bij de parkeerplaats van de kerk) zouden hebben afgesloten. Het hof is van oordeel dat, voor zover hierin al een behoorlijk in het geding naar voren gebrachte (verholen) grief kan worden gelezen tegen het door de rechtbank als vaststaand aangenomen feit dat de schutting om privacy-redenen is geplaatst, de grief dient te falen reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat de privacy van [geïntimeerden] aan de andere kant van hun perceel ook werd verstoord.

8.2 Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat [appellanten] geen toereikende feiten hebben gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat [geïntimeerden] hun bevoegdheid om hun erf door middel van een twee meter hoge schutting af te scheiden niet mogen inroepen omdat zij deze bevoegdheid misbruiken. De vordering tot verwijdering (althans verlaging) van de schutting stuit hierop af.

9. Het hof overweegt met betrekking tot het tuinhuisje en de schuur als volgt. Voorop wordt gesteld dat volgens vaste jurisprudentie het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (zie o.m. HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418).

10. [appellanten] hebben in dit verband allereerst gesteld dat als gevolg van de aanwezigheid van het tuinhuisje en de schuur sprake is van minder licht in hun tuin en in de woning. Zij hebben deze stelling - die door [geïntimeerden] wordt betwist - niet op toereikende wijze met feitelijke gegevens onderbouwd en bovendien geen gespecificeerd bewijs van hun stelling aangeboden. Er kan daarom in dit geding niet vanuit worden gegaan dat sprake is van hinder in de vorm van substantieel verminderde lichtinval, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of deze beweerde hinder als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd.

11. Wat betreft de tweede gestelde vorm van hinder - de aantasting van het uitzicht - is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] met juistheid hebben betoogd dat ook in zoverre thans van onrechtmatige hinder geen sprake is, nu het door [appellanten] bedoelde weidse uitzicht vanuit hun keukenraam op en over het erf van [geïntimeerden] naar het daarachter gelegen gebied al geheel wordt weggenomen door de door laatstgenoemden geplaatste schutting. Een en ander blijkt reeds uit de hiervoor bedoelde foto's, terwijl [appellanten] dit in feite ook erkennen nu zij stellen dat de plaatsing van de bedoelde schutting volgens hen misbruik van bevoegdheid oplevert omdat deze slechts geplaatst zou zijn om "de argumenten voor het verwijderen van het tuinhuisje en de grote schuur weg te nemen." Nu - zoals hiervoor is geoordeeld - laatstbedoelde stelling faalt en er derhalve geen termen aanwezig zijn voor het in hoger beroep alsnog toewijzen van de vordering tot het verwijderen (althans verlagen) van de schutting, kan niet staande worden gehouden dat de aanwezigheid van het tuinhuisje en de schuur in combinatie met de in dezelfde zichtlijn geplaatste schutting hinder voor [appellanten] met zich brengen, die op grond van de hiervoor vermelde maatstaf als onrechtmatig moet worden bestempeld. Het hof voegt hieraan toe dat [appellanten] niet hebben gesteld dat de hoogte van de hiervoor bedoelde bouwwerken (onrechtmatige) hinder in de vorm van aantasting van het uitzicht voor hen oplevert.

12. Het vorenstaande brengt mee dat er evenmin grond is voor toewijzing van de gevorderde schadevergoeding.

13. Voor zover in de overige grieven wordt uitgegaan van een van het voorgaande afwijkende opvatting, falen zij derhalve, terwijl zij voor het overige bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven.

De slotsom

14. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 1,5 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het vonnis van 5 april 2006;

bekrachtigt het vonnis van 14 juni 2006 waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 585,-- aan verschotten en € 1.341,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 februari 2008 in bijzijn van de griffier.