Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5054

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
0700042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorzover [appellant], voorzover dat redelijkerwijs dient te worden begrepen, heeft willen aanvoeren dat de door hem gedane toezegging vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW), kan het hof hem daarin niet volgen. Zonder nadere onderbouwing, die evenwel ontbreekt, kan niet tot het oordeel worden gekomen dat met bovengenoemde omstandigheden sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van genoemd artikel die [appellant] zouden hebben bewogen tot het doen van de toezegging, en voorts wordt niet feitelijk onderbouwd dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten van het bestaan van deze omstandigheden en niettemin het totstandkomen van de toezegging bevorderde, ofschoon hetgeen zij wist of behoorde te begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden. Hiermede is tevens gegeven dat de feitelijke grond voor een omkering van de bewijslast zoals vervat in art. 7:176 BW ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 februari 2008

Rolnummer 0700042

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging aangevraagd,

procureur: mr. S.A. Roodhof,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geintimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

procureur: mr. R.A. Schütz.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 9 november 2005, 12 april 2006 en 15 november 2006 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 11 januari 2007, hersteld bij exploot d.d. 16 januari 2007, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 12 april 2006 en 15 november 2006 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 24 januari 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"om bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de (tussen) vonnissen in vrijwaring op 12 april 2006 en 15 november 2006 door de rechtbank Groningen onder nummer 81639/HA ZA 05-764 gewezen tussen partijen in conventie te vernietigen voor wat betreft de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen datgene waartoe [geïntimeerde] in de hoofdzaak met zaaknummer 76737/HA ZA 05-64 jegens [betrokkene] is veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling in die zaak en opnieuw recht doende:

I. primair, geïntimeerde in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties;

II. subsidiair, appellant te veroordelen om aan geïntimeerde de helft te betalen van datgene waartoe geïntimeerde in de hoofdzaak met nummer 76737/HA ZA 05-64 jegens [betrokkene] is veroordeeld met compensatie van de kosten van de procedure in beide instanties. Verder geïntimeerde niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen dan wel deze af te wijzen voorzover deze vorderingen niet met het bovenstaande overeenkomen."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"de (tussen) vonnissen van de rechtbank te Groningen te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. De grieven zijn niet gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zoals weergegeven in r.o. 2 (2.1 t/m 2.8) van het vonnis d.d. 12 april 2006, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Nu geen van de grieven is gericht tegen de beslissing van de rechtbank in reconventie, is het geschil in hoger beroep beperkt tot het dictum zoals dat in de vrijwaringszaak in conventie is gegeven alsmede de in de beroepen vonnissen neergelegde gronden waarop dat dictum berust, voorzover een en ander in de hieronder te bespreken grieven aan de orde wordt gesteld.

3. Met grief II richt [appellant] zich tegen de beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis d.d. 12 april 2006, in essentie weergegeven inhoudende dat voorshands – dat wil zeggen behoudens door [appellant] te leveren tegenbewijs – in voldoende mate was bewezen dat [appellant] een aanzienlijk deel van de koopsom van de ten processe relevante woning contant zou betalen en zou meewerken aan het verkrijgen van een hypothecaire geldlening voor het restant.

4. Waar [appellant] ter onderbouwing van de grief aanvoert dat de rechtbank aldus de bewijslast ten onrechte op [appellant] (en niet op [geïntimeerde]) heeft gelegd, mist de grief doel. Immers, door het hanteren van de bewijsconstructie “voorshands bewezen behoudens tegenbewijs” wordt de bewijslast niet omgekeerd, zodat deze ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv (terecht) op [geïntimeerde] is gelegd (en is blijven rusten).

5. Voorzover [appellant] ter onderbouwing van de grief, onder verwijzing naar de toelichting op grief I, heeft gesteld dat het er niet toe doet of hij al dan niet een toezegging tot betaling van een groot deel van de koopsom heeft gedaan, overweegt het hof als volgt.

6. [appellant] baseert zich dienaangaande – zakelijk weergegeven – overwegend op het gegeven dat niet hij, doch [geïntimeerde] als (enig) koopster van de woning optrad, alsmede dat [geïntimeerde] volledig aansprakelijk is voor (de consequenties van) haar daden, zodat elke juridische grond om [appellant] aansprakelijk te achten voor het handelen van [geïntimeerde] ontbreekt, terwijl e.e.a. slechts anders zou zijn indien [appellant] tezamen met [geïntimeerde] de woning zou hebben gekocht.

7. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog, nu daarin wordt miskend dat thans niet de (externe) aansprakelijkheid van [appellant] jegens derden aan de orde is, terwijl het in de onderhavige vrijwaringsprocedure gaat om de (interne) rechtsverhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde].

8. Daarmee staat vast dat de grieven I en II vergeefs zijn voorgedragen. Dit brengt met zich mee dat er in hoger beroep vanuit gegaan moet worden dat de rechtbank met juistheid heeft beslist dat er sprake is van een rechterlijk vermoeden inhoudende dat [appellant] een aanzienlijk deel van de koopsom van de ten processe relevante woning contant zou betalen en zou meewerken aan het verkrijgen van een hypothecaire geldlening voor het restant. Nu [appellant] verder geen grieven heeft gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank van het door hem geleverde (tegen)bewijs, en hij voorts in de toelichting op grief IV (memorie van grieven punt 13) heeft aangegeven zijn ontkenning van de toezegging aan [geïntimeerde] niet te kunnen bewijzen - waarbij het hof ervan uitgaat dat hij heeft bedoeld te stellen: het opgedragen tegenbewijs niet te kunnen

leveren -, dient er bij de verdere beoordeling in hoger beroep van te worden uitgegaan dat [appellant] aan [geïntimeerde] heeft toegezegd een aanzienlijk deel van de koopsom van de ten processe relevante woning contant te zullen betalen alsmede te zullen meewerken aan het verkrijgen van een hypothecaire lening voor het restant, zulks in overeenstemming met hetgeen in r.o. 2.4, 2e alinea van het eindvonnis d.d. 15 november 2006 is overwogen.

9. Met grief III beoogt [appellant] aan te voeren – in essentie weergegeven – dat hij niettemin niet aan de (gevolgen van zijn) toezegging kan worden gebonden, nu [geïntimeerde] zich had moeten afvragen of zij geen misbruik van omstandigheden zou maken door het aanvaarden van € 185.000,-- van [appellant]. Ter adstructie van het gestelde mogelijke misbruik voert [appellant] aan dat hij destijds 81 jaar oud was en [geïntimeerde] slechts 69, dat de relatie tussen hen beiden slechts twee jaar heeft geduurd alsmede dat het ging om een aanzienlijk bedrag (€ 185.000.--). In dat verband voert [appellant] tevens aan dat [geïntimeerde] zonder enig onderzoek, dat in casu achterwege is gebleven, er niet op had mogen vertrouwen dat [appellant] over genoemd bedrag zou kunnen beschikken.

10. Voorzover [appellant] met het bovenstaande, voorzover dat redelijkerwijs dient te worden begrepen, heeft willen aanvoeren dat de door hem gedane toezegging vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW), kan het hof hem daarin niet volgen. Zonder nadere onderbouwing, die evenwel ontbreekt, kan niet tot het oordeel worden gekomen dat met bovengenoemde omstandigheden sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van genoemd artikel die [appellant] zouden hebben bewogen tot het doen van de toezegging, en voorts wordt niet feitelijk onderbouwd dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten van het bestaan van deze omstandigheden en niettemin het totstandkomen van de toezegging bevorderde, ofschoon hetgeen zij wist of behoorde te begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden. Hiermede is tevens gegeven dat de feitelijke grond voor een omkering van de bewijslast zoals vervat in art. 7:176 BW ontbreekt.

11. Voorzover [appellant] geacht zou moeten worden met het bovenstaande te hebben willen aanvoeren dat hij (in de zin van art. 3:34 BW) feitelijk handelingsonbekwaam was zodat dientengevolge (slechts) een vernietigbare rechtshandeling tot stand is gekomen, terwijl ook op de subsidiaire grondslag van art. 3:35 BW geen geldige rechtshandeling kan worden gebaseerd omdat [geïntimeerde] haar in dit artikel vervatte onderzoeksplicht heeft verzaakt, kan het hof hem daarin evenmin volgen. Immers, de in de negende rechtsoverweging van dit arrest genoemde omstandigheden kunnen niet de conclusie dragen dat daarmede het bestaan van een stoornis van de geestvermogens genoegzaam is onderbouwd, terwijl ook de door [appellant] gestelde (en door [geïntimeerde] geschonden) onderzoeksplicht geen betrekking heeft op (de afwezigheid van) een stoornis van de geestvermogens ten tijde van het tot stand komen van de toezegging.

12. Daarmede mist ook grief III doel.

13. Grief IV strekt voornamelijk ten betoge dat de toezegging dient te worden gekwalificeerd als een (niet-afdwingbare) natuurlijke verbintenis.

14. Tegen het aannemen van een natuurlijke verbintenis spreekt reeds dat de relatie tussen partijen slechts van korte duur is geweest. Nu de stukken verder geen toereikende aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat sprake is van een natuurlijke verbintenis, en [appellant] zijn stelling in de toelichting op de grief niet toereikend feitelijk heeft onderbouwd, volgt het hof hem niet in diens opvatting dienaangaande.

15. Evenmin is er sprake van een toereikende feitelijke grond om [appellant] te volgen in diens opvatting dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen gebondenheid van [appellant] aan diens toezegging, nog daargelaten dat [appellant] nalaat te adstrueren op welke grond geconcludeerd zou moeten worden tot – voor toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid vereiste – onaanvaardbaarheid van dergelijke gebondenheid.

16. Ook grief IV kan niet tot vernietiging leiden.

17. Met grief V tenslotte betoogt [appellant] (subsidiair) dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerde] in haar verhouding tot [appellant] tenminste voor de helft voor haar eigen schade aansprakelijk is.

18. Nu [appellant] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, en er tevens een (rechtstreeks) causaal verband bestaat tussen de niet-nakoming door [appellant] van zijn financiële toezegging en de niet-nakoming door [geïntimeerde] van de koopovereenkomst met de daaraan voor haar verbonden nadelen, kan het hof [appellant] ook in deze grief niet volgen. Voorzover [appellant] heeft bedoeld aan te voeren dat er sprake is van “eigen schuld” van [geïntimeerde] in de zin van art. 6:101 BW, kan zulks niet tot (gedeeltelijke) vernietiging leiden nu zonder nadere onderbouwing die evenwel ontbreekt, niet tot het oordeel kan worden gekomen dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van een omstandigheid die (mede) heeft geleid tot het intreden van de schade en die aan haar dient te worden toegerekend.

De slotsom

19. Nu geen van de grieven doel treft, zullen de vonnissen waarvan beroep worden bekrachtigd, onder veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze instantie (1 punt in tarief III).

20. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] te begroten op € 430,-- aan verschotten en € 1.158,-- voor salaris, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

€ 322,50 aan verschotten en € 1.158,-- voor salaris voor de procureur, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 februari 2008 in bijzijn van de griffier.