Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC3434

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
0700666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

De grief houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte onder 6.6. in het bestreden vonnis heeft overwogen dat de brief van 30 augustus 2007 van (de raadsman van) Groningen Shipyard aan (de raadsman van) Maas Shipyard (genoemd in r.o.11.7) "niet als een voldoende eenduidige verklaring in de zin van artikel 6:267 BW kan worden opgevat om daaraan de door Groningen Shipyard gewenste betekenis te verbinden, te weten het inroepen van de gevolgen van niet-nakoming van de overeenkomst en het ontbinden daarvan, te meer nu Groningen Shipyard in die brief vooral nadere financiële eisen ten aanzien van voortzetting van de bouw heeft willen stellen". In het verlengde hiervan stelt Groningen Shipyard dat de voorzieningenrechter had moeten oordelen dat Groningen Shipyard terecht was overgegaan tot de ontbinding van de genoemde overeenkomst.

Het hof constateert dat het hier gaat om ontbinding van de tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard gesloten overeenkomst die is neergelegd in een schriftelijke, in de Duitse taal gestelde, overeenkomst van 30 mei 2007 (genoemd in r.o.11.6). Het hof is van oordeel dat Groningen Shipyard in de genoemde brief voldoende duidelijk een beroep op ontbinding heeft gedaan. Hieraan doet niet af dat Groningen Shipyard in de genoemde brief nog alternatief een schikkingsvoorstel heeft gedaan, dat overigens niet door Maas Shipyard is aanvaard. Dit kan Groningen Shipyard echter niet baten. Het hof verstaat dat Groningen Shipyard met name een beroep doet op tekortkomingen van Maas Shipyard in de samenwerking met betrekking tot de afbouw. Maas Shipyard heeft gemotiveerd betwist dat zij met betrekking tot deze samenwerking in verzuim is geraakt. De door Groningen Shipyard aan Maas Shipyard verweten tekortkomingen staan in deze procedure allerminst vast. Voor verdere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Mitsdien mag er niet van worden uitgegaan dat Groningen Shipyard terecht de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van 30 mei 2007 heeft uitgesproken. Om dezelfde reden kan ook de door Groningen Shipyard in de appeldagvaarding onder 51 uitgesproken ontbinding geen effect hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 30 januari 2008

Rolnummer 0700666

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Groningen Shipyard B.V.,

gevestigd te Waterhuizen, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in voorwaardelijke reconventie in de door Alpha onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297 aanhangig gemaakte procedure,

hierna te noemen: Groningen Shipyard,

procureur: mr. P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr. S.N.S.M. Mak, advocaat te Groningen,

tegen

de vennootschap naar het recht van Letland Alpha Shipping Company SIA,

gevestigd te Riga (Letland),

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in voorwaardelijke reconventie in de door haar onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297 aanhangig gemaakte procedure,

hierna te noemen: Alpha,

procureur mr. J.V. van Ophem,

voor wie gepleit heeft mr. M. Spanjaart, advocaat te Rotterdam,

en in de zaak van:

Groningen Shipyard B.V.,

gevestigd te Waterhuizen, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

appellante in het principaal appel en geïntimeerde in het incidentele appel,

in eerste aanleg: gedaagde in de door Maas Shipyard onder rolnummer 96855/KG ZA 07-309 aanhangig gemaakte procedure,

hierna te noemen: Groningen Shipyard,

procureur: mr. P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr. S.N.S.M. Mak, advocaat te Groningen,

tegen

Maas Shipyard Hoogezand BV,

gevestigd te Kolham, gemeente Slochteren,

hierna te noemen: Maas Shipyard,

geïntimeerde in het principaal appel en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in de door Alpha onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297 aanhangig gemaakte procedure en

eiseres in de haar onder rolnummer 96855/KG ZA 07-309 aanhangig gemaakte procedure,

procureur: mr. J.F. Rouwé-Danes,

voor wie gepleit heeft mr. R.W. Lagerwaard, advocaat te Roden.

In beide zaken

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding- vonnis uitgesproken op 28 september 2007 en hersteld bij vonnis van 1 oktober 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 oktober 2007 is door Groningen Shipyard hoger beroep ingesteld van het genoemde, in beide zaken gewezen, vonnis met dagvaarding van Alpha en Maas Shipyard tegen de zitting van 17 oktober 2007. Vervolgens heeft Groningen Shipyard, toen Maas Shipyard op 17 oktober 2007 niet was verschenen, Maas Shipyard bij herstelexploit van 23 oktober 2007 opgeroepen te verschijnen op de zitting van 31 oktober 2007.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven, luidt:

"het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 28 september 2007 (zoals hersteld op 1 oktober 2007) in de zaak met zaaknummer/ rolnummer 96616 / KG ZA 07-297, in conventie en in reconventie, alsmede in vrijwaring, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:

a. geïntimeerde te veroordelen te gehengen en te gedogen dat BN12 binnen acht dagen na betekening van het te dezen arrest, in de staat waarin het zich alsdan bevindt, doch deugdelijk dichtgelast zodanig dat het casco zal blijven drijven, door appellante van haar helling wordt verwijderd, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat geïntimeerden in strijd mochten handelen met dit gebod;

b. geïntimeerden, hoofdelijk, des de een betaald hebbend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling als voorschot van een bedrag van € 1.500,-- (te vermeerderen met BTW) per dag voor het gebruik van de helling, althans een zodanig bedrag als het gerechtshof in goede justitie vermeent behoorlijk te zijn, met ingang van 30 augustus 2007 tot aan de dag dat BN12 de helling zal hebben verlaten;

c. voorwaardelijk, voor het geval dat een of meer van de in het bestreden vonnis gegeven beslissingen in stand blijft, geïntimeerden, althans Maas Shipyard, althans Alpha Shipping, te veroordelen binnen drie dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest tot betaling van een voorschot groot € 200.000,-- of zodanig bedrag als het gerechtshof in goede justitie vermeent behoorlijk te zijn, als vergoeding voor de door haar ter beschikking gestelde werfcapaciteit, materieel en arbeidskracht over de periode vanaf 30 augustus 2007 totdat BN12 de helling zal hebben verlaten;

d. voorwaardelijk, subsidiair, voor het geval dat een of meer van de in het bestreden vonnis gegeven beslissingen in stand blijft, geïntimeerden, althans Maas Shipyard, althans Alpha Shipping, te veroordelen binnen drie dagen na betekening van het te dezen wijzen arrest tot het stellen van zekerheid in de vorm van een bankgarantie ter grootte van € 200.000,--, of zodanig bedrag als het gerechtshof in goede justitie vermeent behoorlijk te zijn, zodanig dat voor appellante voor de periode tot tussen partijen in kracht van gewijsde vaststaat of en tot welk bedrag appellante terzake gerechtigd zal zijn jegens geïntimeerden of één van hen, zekerheid zal bestaan dat appellante tot tenminste het beloop van het bedrag van de bankgarantie voldaan wordt voor de door haar ter beschikking gestelde werfcapaciteit, materieel en arbeidskracht over de periode vanaf 30 augustus 2007 totdat BN12 de helling zal hebben verlaten;

e. met veroordeling van geïntimeerden in de kosten in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Alpha verweer gevoerd met als conclusie:

"appellante in haar grieven niet te ontvangen, althans deze haar te ontzeggen met veroordeling van appellante in de kosten van de procedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

Bij memorie van antwoord is door Maas Shipyard verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"om bij arrest; voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

In principaal appèl:

Het vonnis van de Voorzieningenrechter d.d. 28 september 2007 te bekrachtigen zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de rechtsgronden, en Groningen Shipyard in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren danwel deze aan haar te ontzeggen:

In incidenteel appèl:

Te vernietigen de beslissing van de Voorzieningenrechter, zoals opgenomen onder het petitum 9.9 van het vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

- Groningen Shipyard te gelasten om binnen vierentwintig na betekening van het in dezen te wijzen arrest de delen van sectie 9/19 weer in de bedrijfshal te (laten) plaatsen en deze sectie ten spoedigst af te bouwen, alsmede vervolgens over te gaan tot het aaneenvoegen van alle secties tot een volledig casco, eveneens conform afspraak en overeenkomst, zodat het schip aansluitend ter water kan worden gelaten voor verdere afbouw, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- danwel een zodanig bedrag als door Uw Hof in goede justitie te bepalen, voor iedere dag of dagdeel dat zij in goede gebreke hier te voldoen;

- Groningen Shipyard te gelasten om binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis op alle mogelijke manieren behulpzaam te zijn bij de realisatie van bouwnummer BN 12, met name door het het ter beschikking stellen van (afdoende) arbeidskracht en beschikking houden van de benodigde gereedschappen en machines, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- danwel een zodanig bedrag als door Uw Hof in goede justitie te bepalen, voor iedere dag of dagdeel; dat zij in gebreke blijft hier te voldoen;

In principaal en en incidenteel appèl:

Groningen Shipyard in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de kosten van deze appèlprocedure te veroordelen."

Voorts hebben Groningen Shipyard en Alpha een akte overlegging producties genomen.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.

Tenslotte hebben Groningen Shipyard de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

In beide zaken

De grieven

Groningen Shipyard heeft tien grieven opgeworpen.

Maas Shipyard heeft in het door haar tegen Groningen Shipyard ingestelde incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

1. Het hof wijst er op dat, hoewel uit de dagvaarding in hoger beroep van Groningen Shipyard anders lijkt voort te vloeien, het in dit hoger beroep gaat om twee aparte procedures zoals ook blijkt uit het bestreden vonnis, namelijk één tussen respectievelijk Groningen Shipyard en Alpha en één tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard.

2. Het hof stelt voorts voorop dat het uit de stellingen van partijen afleidt dat tegen het vonnis van 28 september 2007 onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297, voor zover gewezen tussen Alpha als eiseres en Maas Shipyard als gedaagde, geen hoger beroep is ingesteld, zodat dit vonnis in zoverre in dit hoger beroep niet ter discussie staat.

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard

3. Het hof stelt voorts vast dat tegen de veroordelingen van Groningen Shipyard in het bestreden vonnis van 28 september 2007 onder 9.10 en 9.11 geen grieven zijn aangevoerd, zodat deze veroordelingen in stand blijven, alsmede de daarvan gegeven uitvoerbaarverklaring bij voorraad onder 9.13 van het genoemde vonnis.

In beide zaken

Met betrekking tot de vorderingen van Groningen Shipyard

4. Hoewel Groningen Shipyard in de conclusie van de dagvaarding in hoger beroep zulks niet uitdrukkelijk vordert, leest het hof in de stellingen in deze dagvaarding dat Groningen Shipyard mede vordert dat het hof Alpha alsnog niet-ontvankelijk verklaart in de door haar in eerste aanleg tegen Groningen Shipyard ingestelde vorderingen in het kort geding onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297, althans deze vorderingen alsnog afwijst, alsmede dat het hof alsnog Maas Shipyard niet-ontvankelijk verklaart in de door haar in eerste aanleg tegen Groningen Shipyard ingestelde vorderingen in het kort geding onder rolnummer 96855/KG ZA 07-309, althans deze vorderingen alsnog afwijst. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat kennelijk ook Alpha en Maas Shipyard zulks hebben verstaan.

Vermeerdering van eis van Groningen Shipyard

5. Groningen Shipyard heeft bij dagvaarding in hoger beroep haar eis tegen zowel Alpha als Maas Shipyard vermeerderd. Nu Alpha en Maas Shipyard geen bezwaar hebben gemaakt tegen de vermeerderde eis en het hof deze vermeerdering van eis evenmin in strijd acht met een goede procesorde, zal het hof de vermeerderde eis hebben te beoordelen.

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van Groningen Shipyard

6. In het door Alpha als eiseres aanhangig gemaakte kort geding in eerste aanleg onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297 was Groningen Shipyard medegedaagde van Maas Shipyard. Groningen Shipyard kan tegen Maas Shipyard als haar oorspronkelijk medegedaagde noch in eerste aanleg noch in hoger beroep een vordering instellen. Voor zover zij heeft beoogd in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het in dit kort geding gewezen vonnis tegen Maas Shipyard een tegenvordering in te stellen, zal zij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

7. Voorts was Groningen Shipyard gedaagde in het tegen haar door Maas Shipyard onder rolnummer 96855/KG ZA 07-309 aanhangig gemaakte kort geding, dat door partijen en door de voorzieningenrechter ten onrechte is aangeduid als een procedure in vrijwaring. Nu Groningen Shipyard in eerste aanleg in dát kort geding tegen Maas Shipyard geen eis in reconventie heeft ingesteld, kan zij een dergelijke tegenvordering niet voor het eerst in hoger beroep instellen zodat Groningen Shipyard in de door ingestelde tegenvorderingen niet-ontvankelijk zal dienen te worden verklaard.

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Alpha

Met betrekking tot de vordering van Groningen Shipyard op Alpha

8. Groningen Shipyard vordert in de dagvaarding in hoger beroep in haar conclusie onder b. een hoofdelijke veroordeling van Alpha en Maas Shipyard tot betaling van een voorschot van € 1.500,-- per dag voor - kort gezegd - het voortgezet gebruik van haar helling met ingang van 30 augustus 2007. Dit onderdeel b. van de vordering van Groningen Shipyard tegen Alpha zal voor wat betreft de gevorderde hoofdelijke veroordeling dienen te worden afgewezen, nu - zoals uit het voorgaande volgt - van een vordering van Groningen Shipyard op Maas Shipyard in dit hoger beroep geen sprake kan zijn en dus evenmin van enige hoofdelijke gehoudenheid van Alpha en Maas Shipyard in dit verband.

9. Met inachtneming van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de vorderingen van Groningen Shipyard in de dagvaarding in hoger beroep onder a., b., c., d. en e. nog slechts Alpha betreffen.

In beide zaken

Met betrekking tot de feiten

10. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.10) van genoemd vonnis van 28 september 2007 is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen de grieven I en II in het principaal appel zijn gericht, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot die grieven I en II zal worden overwogen.

11. Het hof stelt voorts vast dat, hoewel in de stukken tevens sprake is van de afbouw van de BN10, de onderhavige procedures slechts de afbouw van de BN12 betreffen.

12. Samengevat gaat het in deze procedures om het volgende.

12.1. Alpha heeft op 5 mei 2006 een overeenkomst gesloten met Maas Shipyard voor de bouw van een vrachtschip, dat hierna zal worden aangeduid als de BN12.

12.2. Artikel 6a van de overeenkomst bepaalt dat het schip niet later dan 1 mei 2007 zal worden opgeleverd, behoudens nader in de overeenkomst omschreven redenen. Bij vertraging moet Maas Shipyard een bedrag van € 5.000,-- per dag aan Alpha betalen.

12.3. Het schip is tot op heden niet voltooid.

12.4. Het schip zou worden gebouwd op een scheepswerf, gelegen aan de Waterhuizen 8 te Waterhuizen. Deze scheepswerf werd gehuurd door met Maas Shipyard verbonden vennootschappen; hun activiteiten - waaronder de werkzaamheden op de genoemde scheepswerf - zijn inmiddels door Maas Shipyard voortgezet.

12.5. De scheepswerf te Waterhuizen is vervolgens in 2007 overgenomen door Groningen Shipyard, die sinds mei 2007 onderhuurder en sinds augustus 2007 huurder is van de werf. Deze heeft (een deel van) het personeel van Maas Shipyard overgenomen. Maas Shipyard heeft op de werf nog - voor zover in deze zaak van belang - de bouw van de BN12 onder handen; deze bevindt zich thans (wederom) op de hellingbaan van de werf.

12.6. Groningen Shipyard en Maas Shipyard hebben een overeenkomst tot samenwerking met betrekking tot de afbouw van BN12 gesloten, welke overeenkomst is neergelegd in een schriftelijke, in de Duitse taal gestelde, overeenkomst van 30 mei 2007.

12.7. Tijdens de mondelinge behandeling van een ander kort geding tussen Maas Shipyard en Groningen Shipyard 24 juli 2007 omtrent problemen in de samenwerking op heeft Groningen Shipyard toegezegd haar medewerking te verlenen aan de afbouw van onder meer de BN12.

12.8. Op 30 augustus 2007 heeft mr. Mak, de raadsman van Groningen Shipyard, een brief geschreven aan mr. Tiddens, de toenmalige raadsman van Maas Shipyard, betreffende verdere tussen partijen gerezen problemen omtrent de afbouw van de BN12 en hun samenwerking daarbij. In deze brief sommeert Groningen Shipyard Maas Shipyard in verband met de gerezen problemen onder meer de BN12 op 5 september 2007 van de werf te verwijderen.

12.9. Bij faxbericht van 6 september 2007 heeft Groningen Shipyard aan Alpha meegedeeld de BN12 met onmiddellijke ingang van de werf te verwijderen.

12.10. De BN12 bevindt zich thans (wederom) op de door Groningen Shipyard gehuurde werf te Waterhuizen.

13. Tijdens het pleidooi is komen vast te staan dat Alpha de eigendom van de BN12 omstreeks 5 december 2007 heeft overgedragen aan de vennootschap naar Duits recht Maas Shipping GmbH, die naar de stellingen van Maas Shipyard geen vennootschapsrechtelijke relatie heeft met Maas Shipyard.

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Alpha

Met betrekking tot het belang van Alpha

14. Het hof heeft ambtshalve te beoordelen of Alpha na de eigendomsoverdracht van de BN12 op of omstreeks 5 december 2007 nog (spoedeisend) belang heeft bij de door haar oorspronkelijk in eerste aanleg ingestelde vorderingen tegen Groningen Shipyard.

15. Ten pleidooie heeft Alpha aangevoerd - samengevat - dat de koper van de BN12 Alpha heeft gevraagd om verweer (te blijven) voeren alsmede dat de zorgplicht van Groningen Shipyard voor de toekomst vooral voor de nieuwe eigenaar van belang is; de raadsman van Alpha heeft voorts verklaard dat Alpha "rustig slaapt".

16. Het hof is van oordeel dat de voornoemde stellingen van Alpha onvoldoende aanknopingspunten vormen om aan te nemen dat Alpha na de datum van de eigendomsoverdracht van de BN12 nog (spoedeisend) belang heeft bij haar vorderingen op Groningen Shipyard, zodat Alpha niet-ontvankelijk zal dienen worden te verklaard in haar vorderingen voor zover deze de periode betreffen na de eigendomsoverdracht van de BN12 aan Maas Shipping GmbH op of omstreeks 5 december 2007.

In beide zaken

Met betrekking tot de grieven van Groningen Shipyard

Grief I

17. In de grief stelt Groningen Shipyard dat de voorzieningenrechter ten onrechte in rechtsoverweging 2.2 van het bestreden vonnis heeft overwogen dat Groningen Shipyard een boete van € 5.000,-- zal moeten betalen voor elke dag dat zij de BN12 later dan 1 mei 2007 oplevert aan Alpha.

18. Nu Alpha en Maas Shipyard met Groningen Shipyard stellen dat het hier gaat om een verschrijving in het bestreden vonnis zal het hof lezen dat het hier gaat om een door Maas Shipyard verschuldigde boete van € 1.500,-- per dag.

19. In zoverre slaagt de grief. Het slagen van de grief zal Groningen Shipyard echter niet baten, zoals hierna zal blijken.

Grief II

20. In de grief verwijt Groningen Shipyard de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2.9 van het bestreden vonnis slechts gedeeltelijk te hebben geciteerd uit haar brief van 30 augustus 2007 aan Maas Shipyard (genoemd hiervoor in r.o. 11.7). Volgens Groningen Shipyard heeft de voorzieningenrechter ten onrechte het gedeelte uit deze brief weggelaten, waarin Groningen Shipyard de ontbinding van de overeenkomst uitspreekt.

21. Er is geen rechtsregel die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Overigens is het hof van oordeel dat de klacht van Groningen Shipyard, gelet op de inhoud van bedoeld citaat in rechtsoverweging 2.9 van het bestreden vonnis, feitelijke grondslag mist.

22. De grief faalt.

Grief III

23. De grief houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte onder 6.6. in het bestreden vonnis heeft overwogen dat de brief van 30 augustus 2007 van (de raadsman van) Groningen Shipyard aan (de raadsman van) Maas Shipyard (genoemd in r.o.11.7) "niet als een voldoende eenduidige verklaring in de zin van artikel 6:267 BW kan worden opgevat om daaraan de door Groningen Shipyard gewenste betekenis te verbinden, te weten het inroepen van de gevolgen van niet-nakoming van de overeenkomst en het ontbinden daarvan, te meer nu Groningen Shipyard in die brief vooral nadere financiële eisen ten aanzien van voortzetting van de bouw heeft willen stellen". In het verlengde hiervan stelt Groningen Shipyard dat de voorzieningenrechter had moeten oordelen dat Groningen Shipyard terecht was overgegaan tot de ontbinding van de genoemde overeenkomst.

24. Het hof constateert dat het hier gaat om ontbinding van de tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard gesloten overeenkomst die is neergelegd in een schriftelijke, in de Duitse taal gestelde, overeenkomst van 30 mei 2007 (genoemd in r.o.11.6).

25. Het hof is van oordeel dat Groningen Shipyard in de genoemde brief voldoende duidelijk een beroep op ontbinding heeft gedaan. Hieraan doet niet af dat Groningen Shipyard in de genoemde brief nog alternatief een schikkingsvoorstel heeft gedaan, dat overigens niet door Maas Shipyard is aanvaard.

25.1. Dit kan Groningen Shipyard echter niet baten. Het hof verstaat dat Groningen Shipyard met name een beroep doet op tekortkomingen van Maas Shipyard in de samenwerking met betrekking tot de afbouw. Maas Shipyard heeft gemotiveerd betwist dat zij met betrekking tot deze samenwerking in verzuim is geraakt. De door Groningen Shipyard aan Maas Shipyard verweten tekortkomingen staan in deze procedure allerminst vast. Voor verdere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Mitsdien mag er niet van worden uitgegaan dat Groningen Shipyard terecht de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van 30 mei 2007 heeft uitgesproken. Om dezelfde reden kan ook de door Groningen Shipyard in de appeldagvaarding onder 51 uitgesproken ontbinding geen effect hebben.

26. De grief treft geen doel.

Grief IV

27. In de grief bestrijdt Groningen Shipyard rechtsoverweging 6.6 van het vonnis van 28 september 2007, waar de voorzieningenrechter overweegt dat Groningen Shipyard zich in de gegeven omstandigheden rekenschap moet, dan wel had moeten, geven van de gerechtvaardigde belangen van Alpha.

27.1. Uit de toelichting op de grief blijkt dat Groningen Shipyard niet zozeer dit uitgangspunt van de voorzieningenrechter bestrijdt, maar zich op het standpunt stelt dat zij zich de belangen van Alpha wel degelijk voldoende heeft aangetrokken en dat daarom de voorzieningenrechter niet had mogen komen tot de door hem onder 7, 8 en 9 in het bestreden vonnis gegeven veroordelingen.

28. Hiervoor bij de behandeling van grief III heeft het hof reeds overwogen dat het voorshands van oordeel is dat het beroep door Groningen Shipyard op de door haar uitgesproken ontbinding van de overeenkomst van 30 mei 2007 geen effect heeft. Het hof is ook mede gelet hierop van oordeel dat, in aanmerking genomen de belangen van Alpha bij voortzetting van de werkzaamheden van Maas Shipyard en Groningen Shipyard aan de afbouw van de BN12, Groningen Shipyard in elk geval door te eisen dat Alpha het niet afgebouwde casco van de BN12 op uiterlijk 5 september 2007 diende te verwijderen, blijk heeft gegeven onvoldoende rekening te hebben gehouden met de belangen van Alpha.

29. De grief faalt.

Grief V

30. De grief richt zich tegen de afwijzing van de door Groningen Shipyard in eerste aanleg tegen Alpha ingestelde reconventionele vordering.

31. Het hof is van oordeel dat, waar ook Alpha en Groningen Shipyard stellen dat er tussen hen geen contractuele rechtsverhouding bestond, Groningen Shipyard geen voldoende grondslag heeft kunnen aantonen voor de door haar gepretendeerde vordering.

32. De grief faalt.

Grief VI

33. De grief bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter onder 8.1. in het bestreden vonnis voor zover gewezen in de procedure tussen Maas Shipyard als eiser en Groningen Shipyard als gedaagde. De voorzieningenrechter heeft hier overwogen dat de toezegging van Groningen Shipyard tijdens de behandeling van een ander kort geding tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard op 24 juli 2007 dat Groningen Shipyard haar medewerking zou verlenen aan de afbouw van onder meer de BN12, een grond kan vormen voor de toewijzing van de vorderingen van Maas Shipyard, zoals gedaan in het dictum van het bestreden vonnis onder 9.7 en 9.8.

34. Het hof stelt vast dat tussen partijen onbestreden is dat een toezegging als in de bestreden rechtsoverweging staat vermeld door Groningen Shipyard is gedaan. Tijdens het pleidooi is nog komen vast te staan dat het hier inderdaad gaat om een toezegging op 24 juli 2007 en niet op 19 juli 2007, zoals Groningen Shipyard stelt in de appeldagvaarding onder 62.

35. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het Groningen Shipyard niet vrijstond om op deze toezegging terug te komen, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat zoals hiervoor overwogen, het Groningen Shipyard naar het voorlopig oordeel van het hof niet vrijstond niet vrijstond om de overeenkomst met Maas Shipyard te ontbinden en Groningen Shipyard reeds op die grond aan de overeenkomst met laatstgenoemde was en bleef gebonden.

36. De grief treft geen doel.

Grief VII

37. De grief betreft de door de voorzieningenrechter in de zaak tussen Alpha en Groningen Shipyard onder 7, 8 en 9 uitgesproken veroordelingen en heeft in het licht van het voorgaande geen zelfstandig belang.

38. De grief behoeft geen afzonderlijke bespreking meer.

Grief VIII

39. De grief betreft de in de zaak tussen Alpha en Groningen Shipyard uitgesproken veroordeling in de proceskosten en heeft eveneens geen zelfstandig belang.

40. De grief behoeft geen afzonderlijke bespreking meer.

Grief IX en het incidenteel appel van Maas Shipyard

41. De grief richt zich tegen de in de zaak tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard uitgesproken veroordeling van Groningen Shipyard onder 9.7 in het bestreden vonnis - samengevat - tot het terugplaatsen van de delen van sectie 9/19 in de bedrijfshal en deze ten spoedigste af te bouwen, alsmede vervolgens over te gaan tot het aaneenvoegen aan alle secties tot een volledig casco.

42. In het incidenteel appel vordert Maas Shipyard een verhoging van de in verband hiermede door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom.

43. Het hof heeft hiervoor onder 11.10 reeds overwogen dat (het casco van) de BN12 zich thans (wederom) op de door Groningen Shipyard gehuurde werf te Waterhuizen bevindt. Het hof is daarom, mede in verband met hetgeen overigens is overwogen, van oordeel dat Maas Shipyard geen (spoedeisend) belang meer heeft bij haar vordering tot terugplaatsing van sectie 9/19 in de bedrijfshal.

44. Het hof overweegt voorts dat Maas Shipyard in het licht van de gemotiveerde betwisting door Groningen Shipyard niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Groningen Shipyard zich heeft verbonden tot het uitvoeren van de overigens genoemde werkzaamheden, zodat dit onderdeel van de vordering van Maas Shipyard alsnog zal worden afgewezen.

45. Grief IX slaagt.

Grief X en het incidenteel appel van Maas Shipyard

46. Grief X richt zich tegen de in de zaak tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard uitgesproken veroordeling van Groningen Shipyard om op alle mogelijke manieren behulpzaam te zijn bij de realisatie van de BN12, met name door het ter beschikking stellen van (afdoende) arbeidskrachten en beschikbaar houden van de benodigde gereedschappen en machines.

47. In het incidenteel appel vordert Maas Shipyard een verhoging van de in verband hiermede door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom.

48. Het hof is van oordeel dat de bestreden veroordeling, zoals door de voorzieningenrechter onder 9.8 gegeven, te onbepaald is en zal de vordering in beperkte mate toewijzen zoals hierna zal worden bepaald. Het hof is van oordeel dat in verband met deze beperktere toewijzing er geen grond is voor de door Maas Shipyard in het incidenteel appel verzochte verhoging van de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen, maar dat deze daarentegen verlaagd dienen te worden.

49. De grief in het principaal appel slaagt in zoverre.

49.1. De door de voorzieningenrechter uitgesproken dwangsomveroordeling aanpassing. Het hof zal het maximum van de op te leggen dwangsom per dag of dagdeel beperken tot € 6.000,-- en het maximaal ter zake aan dwangsommen te verbeuren bedrag stellen op € 120.000,--.

49.2. De incidentele grief van Maas Shipyard faalt in verband hiermee.

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Alpha

Met betrekking tot de vermeerderde eis van Groningen Shipyard

50. Het hof is van oordeel onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, met name ten aanzien van de grieven V en VI, dat Groningen Shipyard geen (voldoende) grondslag voor de door haar (voorwaardelijk) tegen Alpha ingestelde vorderingen onder c. en (subsidiair) onder d. heeft gesteld, zodat de betreffende vorderingen onder c. en d. dienen te worden afgewezen. Het hof laat hierbij in het midden of Groningen Shipyard ten aanzien van de onder c. ingestelde geldvordering in kort geding overigens aan haar stelplicht heeft voldaan.

Bewijsaanbod

51. Voor zover Groningen Shipyard in hoger beroep nog een bewijsaanbod heeft gedaan dat voldoende is gespecificeerd, gaat het hof hieraan voorbij, omdat voor verdere bewijslevering in dit kort geding geen plaats is.

De slotsom

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Alpha

52. Alpha dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen voor zover deze de periode betreffen na de eigendomsoverdracht van de BN12 door haar aan Maas Shipping GmbH. Groningen Shipyard dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering onder b. in de dagvaarding in hoger beroep voor zover deze de hoofdelijkheid betreft. De vorderingen van Groningen Shipyard onder a., overigens onder b., c., d. en e. in de dagvaarding in hoger beroep dienen te worden afgewezen.

Het hof zal voorts het in eerste aanleg gewezen vonnis van de voorzieningenrechter gedeeltelijk bekrachtigen en gedeeltelijk vernietigen zoals hierna zal worden bepaald.

Het hof zal Groningen Shipyard als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in hoger beroep veroordelen in de aan de zijde van Alpha in hoger beroep gevallen proceskosten, maar vindt aanleiding in hetgeen het hof heeft overwogen omtrent het belang van Alpha bij de toewijzing van haar vordering in hoger beroep om voor het pleidooi in hoger beroep niet twee punten, maar slechts één punt toe te kennen (tarief II, 2 punten).

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard

53. Groningen Shipyard dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de door haar bij vermeerderde eis ingestelde vorderingen.

Het hof zal het in eerste aanleg gewezen vonnis van de voorzieningenrechter gedeeltelijk bekrachtigen en vernietigen zoals hierna zal worden bepaald. Opnieuw rechtdoende zal het hof een veroordeling tot betaling van een dwangsom geven zoals hierna zal worden bepaald.

54. Het hof zal de in het incidenteel appel door Maas Shipyard ingestelde vordering afwijzen.

55. Het hof vindt aanleiding in hoger beroep, aangezien beide partijen over en weer in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, zowel in het principaal als in het incidenteel appel de proceskosten te compenseren.

In beide zaken

56. Het hof wijst er op dat door dit arrest aan de in beide zaken in eerste aanleg gegeven dwangsomveroordelingen de grond is komen te ontvallen (HR 4 mei 2007, LJN A28748).

De beslissing

Het gerechtshof:

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Alpha

bekrachtigt het vonnis van 28 september 2007 gewezen onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297 voor zover gewezen tussen Alpha en Groningen Shipyard:

voor zover in conventie onder 9.2 Groningen Shipyard is veroordeeld in de proceskosten van Alpha en deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

voor zover in reconventie onder 9.5 de vorderingen van Groningen Shipyard zijn afgewezen en onder 9.6 de proceskosten zijn gecompenseerd;

vernietigt voor het overige het vonnis van 28 september 2007 gewezen onder rolnummer 96616/KG ZA 07-297 voor zover gewezen tussen Alpha en Groningen Shipyard,

en in zoverre opnieuw rechtdoende

verbiedt Groningen Shipyard:

1. de maatregelen als aangekondigd in de fax van 6 september 2007 uit te voeren;

gelast Groningen Shipyard:

2. reeds geëffectueerde maatregelen terug te draaien;

3. mee te werken aan de afbouw van BN12, voor zover Groningen Shipyard zich daartoe heeft verplicht in haar verhouding tot Maas Shipyard;

dit alles onder 1., 2. en 3. echter slechts voor de periode tot aan de eigendomsoverdracht van de BN12 door Alpha aan Maas Shipping GmbH op of omstreeks 5 december 2007;

verklaart Alpha niet-ontvankelijk in haar vorderingen voor zover deze de periode betreffen na de eigendomsoverdracht van de BN12 door haar aan Maas Shipping GmbH op of omstreeks 5 december 2007;

en rechtdoende op de in hoger beroep vermeerderde eis van Groningen Shipyard:

verklaart Groningen niet-ontvankelijk in haar vordering onder b. in de dagvaarding in hoger beroep voor zover deze de hoofdelijkheid betreft;

wijst af de vorderingen van Groningen Shipyard onder a., overigens onder b., c., d. en e. in de dagvaarding in hoger beroep;

veroordeelt Groningen Shipyard in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Alpha tot aan deze uitspraak op € 300,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

In de zaak tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard

verstaat dat de veroordelingen van Groningen Shipyard in het bestreden vonnis van 28 september 2007 onder 9.10 en 9.11 in stand blijven, alsmede de uitvoerbaarverklaring bij voorraad daarvan onder 9.13, nu deze veroordelingen geen onderdeel van de rechtsstrijd in hoger beroep hebben gevormd;

in het principaal appel van Groningen Shipyard

verklaart Groningen Shipyard niet-ontvankelijk in de door haar bij vermeerderde eis ingestelde vorderingen;

bekrachtigt het vonnis van 28 september 2007 gewezen onder rolnummer 96855/KG ZA 07-309 tussen Groningen Shipyard en Maas Shipyard:

voorzover onder 9.8 Groningen Shipyard is gelast om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis behulpzaam te zijn bij de realisatie van BN12 door het ter beschikking stellen van (afdoende) arbeidskrachten en beschikbaar houden van de benodigde gereedschappen en machines;

voor zover Groningen Shipyard onder 9.12 is veroordeeld in de proceskosten in de eerste aanleg aan de zijde van Maas Shipyard gevallen;

voor zover onder 9.13 deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard;

vernietigt het genoemde vonnis, zoals hersteld bij vonnis van 1 oktober 2007, voor het overige

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Groningen Shipyard tot betaling van een dwangsom van € 6.000,-- voor iedere dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft aan de hiervoor bekrachtigde veroordeling onder 9.8 van het vonnis van 28 september 2007 te voldoen, met een maximum van € 120.000,--, te verbeuren indien binnen drie dagen na betekening van dit arrest Groningen Shipyard in gebreke is met het nakomen van haar verplichtingen ter zake;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in het incidenteel appel van Maas Shipyard

wijst af de vorderingen van Maas Shipyard;

in het principaal appel appel en incidenteel appel

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elke partij zijn eigen proceskosten draagt;

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Kuiper en Telman, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 30 januari 2008 in bijzijn van de griffier.