Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC3243

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
24-000763-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijkens het verslag van [Officier van Dienst Brandweer] d.d. 15 november 2006 (Officier van Dienst Brandweer) sloeg de explosiegevaarmeter bij het openen van de achterdeur direct alarm. Gelet op de aangetroffen situatie (openstaande gaskranen en een brandende kaars vlak naast het fornuis) zijn de naastliggende woningen ontruimd en is een tweetal ramen aan de voorzijde van verdachtes woning ingegooid, waardoor de in die woning aanwezige concentratie gas zo snel mogelijk werd verdund. Vervolgens is door de brandweer de hoofdafsluiter van het fornuis dichtgedraaid en de kaars gedoofd. In zijn rapport concludeert Venema dat op het moment dat de brandweer ter plaatse kwam er een zeer groot gevaar was. Het gas in de woning had - zo concludeert hij - nog (net) niet de concentratie bereikt om te kunnen exploderen, maar dit was een kwestie van tijd geweest, mede gezien de brandende kaars (ontstekingsbron) in de woning.

Voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging is (veelal) een zodanig optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.

De uiteindelijke melding van verdachte is naar het oordeel van het hof in de gegeven situatie veel te laat geweest en daardoor ongeschikt in voormelde zin. Die melding deed aan de inmiddels ontstane zeer gevaarlijke situatie niet (meer) af. Het (nog net) uitblijven van de explosie is te beschouwen als een toevalligheid die is gelegen in het feit dat het gas in de woning nog (net) niet de concentratie had bereikt om te kunnen exploderen. Het misdrijf is niet voltooid ten gevolge van omstandigheden die van de wil van verdachte onafhankelijk zijn. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000763-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-830283-06

Arrest van 25 januari 2008 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 13 maart 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres] a 6,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft bij het vonnis het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen verklaard, verdachte ter zake niet strafbaar geacht en hem ontslagen van alle rechtsvervolging en hem ten aanzien van feit 2 veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft verklaard, dat het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging en niet tegen de veroordeling van verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. Het hof zal het hoger beroep - met instemming van de verdachte en diens raadsvrouw - aldus beperkt opvatten.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De - als voor dit hoger beroep van belang - onder 1 vermelde inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 15 november 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in een woning aan de [straat] (nr. 6), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen (belendende woningen en de inboedel daarvan) en levensgevaar voor anderen (personen, die aanwezig waren in die belendende woningen) te duchten was, met dat opzet in de keuken in die woning gaskranen van een gasfornuis open heeft gedraaid en (daarbij) in die keuken een kaars heeft laten branden en (vervolgens) die woning heeft verlaten en afgesloten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

poging tot opzettelijk brand stichten of een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is

Strafbaarheid

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat er in de onderhavige zaak sprake is geweest van vrijwillige terugtred en zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Verdachte heeft in de keuken van

zijn woning de gaskranen van het fornuis opengedraaid en hier een brandende kaars bij gezet, met de bedoeling om zelfmoord te plegen. Er is geen sprake geweest van berekenend gedrag van verdachte, maar van een wanhopige man die geen andere uitweg zag.

Toen verdachte weer besef kreeg van zijn handelen heeft hij direct alarm geslagen en melding gemaakt van de gevaarlijke situatie die hij gecreëerd had. In de zaak van verdachte waren alle ingrediënten voor een ontploffing aanwezig: het gas kwam vrij en de kaars brandde in de directe nabijheid. Echter, nog voordat de gasconcentratie voldoende was om tot explosie te komen, heeft verdachte er door zijn melding zelf voor gezorgd dat het gevaar voor ontploffing is afgewend. Verdachte dient op grond van het vorenstaande wegens vrijwillige terugtred te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte heeft door het openzetten van alle gaskranen van het fornuis in de keuken en het hierbij laten branden van een kaars alle noodzakelijke handelingen verricht om te kunnen komen tot een explosie van het vrijgekomen gas. Daarbij komt dat één en ander heeft plaatsgevonden in een kleine woning, waarvan alle deuren en ramen (door verdachte) waren afgesloten en dat verdachte de woning in deze situatie heeft verlaten. Er was derhalve sprake van een voltooide poging.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat verdachte op 15 november 2006 om ongeveer 01:55 uur zijn woning heeft verlaten en in zijn auto is gestapt. Daarvòòr had hij de gaskranen opengedraaid en nog een tijdje in zijn woning doorgebracht. Om 02:16 uur is er bij de politie een melding binnengekomen met betrekking tot het rijgedrag van verdachte, waarop hij om 02:25 uur is aangehouden op verdenking van rijden onder invloed. Vervolgens is verdachte op het politiebureau ingesloten, waarna hij om 03:15 uur aan een arrestantenwacht heeft gemeld dat in zijn woning de gaskranen open stonden. Die melding deed hij - naar eigen zeggen - omdat hij geen "grotere shit" wilde, dan waarin hij zich op dat moment al bevond. Hierop is de brandweer om 03:20 uur geïnformeerd. De brandweer is vervolgens naar de woning van verdachte gereden en heeft (om ongeveer 03:45 uur) maatregelen genomen om het explosiegevaar te bezweren. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de gaskranen in de woning van verdachte ongeveer 2 uren open hebben gestaan.

Blijkens het verslag van [Officier van Dienst Brandweer] d.d. 15 november 2006 (Officier van Dienst Brandweer) sloeg de explosiegevaarmeter bij het openen van de achterdeur direct alarm. Gelet op de aangetroffen situatie (openstaande gaskranen en een brandende kaars vlak naast het fornuis) zijn de naastliggende woningen ontruimd en is een tweetal ramen aan de voorzijde van verdachtes woning ingegooid, waardoor de in die woning aanwezige concentratie gas zo snel mogelijk werd verdund. Vervolgens is door de brandweer de hoofdafsluiter van het fornuis dichtgedraaid en de kaars gedoofd. In zijn rapport concludeert Venema dat op het moment dat de brandweer ter plaatse kwam er een zeer groot gevaar was. Het gas in de woning had - zo concludeert hij - nog (net) niet de concentratie bereikt om te kunnen exploderen, maar dit was een kwestie van tijd geweest, mede gezien de brandende kaars (ontstekingsbron) in de woning.

Voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging is (veelal) een zodanig optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.

De uiteindelijke melding van verdachte is naar het oordeel van het hof in de gegeven situatie veel te laat geweest en daardoor ongeschikt in voormelde zin. Die melding deed aan de inmiddels ontstane zeer gevaarlijke situatie niet (meer) af. Het (nog net) uitblijven van de explosie is te beschouwen als een toevalligheid die is gelegen in het feit dat het gas in de woning nog (net) niet de concentratie had bereikt om te kunnen exploderen. Het misdrijf is niet voltooid ten gevolge van omstandigheden die van de wil van verdachte onafhankelijk zijn. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Op 12 januari 2007 is door A.J. de Jong, psycholoog, onder begeleiding van J. Pauw, vast gerechtelijk deskundige van de Forensisch Psychiatrische Dienst te Groningen, omtrent verdachte een psychologisch rapport uitgebracht. Het rapport houdt - zakelijk weergegeven - als conclusie in, dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Er is sprake van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis met depressieve trekken. Ten tijde van het ten laste gelegde was er sprake van een duidelijk depressief toestandsbeeld met suïcidale ideaties. De persoonlijkheidsstoornis waar betrokkene aan lijdt, versterkte dit beeld.

De persoonlijkheidsproblematiek en de depressieve stemming van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde en in de periode daaraan voorafgaand kunnen van invloed geweest zijn op het gedrag van betrokkene op de avond / nacht van de aanhouding. Betrokkene kan licht verminderd toerekeningsvatbaar genoemd worden ten tijde van het ten laste gelegde.

Gelet op de inhoud van voornoemd rapport kan het hof - mede indachtig de indruk die het hof op de terechtzitting van 11 januari 2008 van de (persoon van) verdachte heeft verkregen - zich verenigen met voormelde conclusie en maakt die tot de zijne.

Het hof is derhalve van oordeel dat het bewezen verklaarde feit de verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem - ook overigens - geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 15 november 2006 gepoogd om brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in zijn woning, waardoor gevaar voor goederen, te weten voor de aangrenzende woningen en de inboedel daarvan, en levensgevaar voor een ander, te weten voor de in die aangrenzende woningen aanwezige personen, te duchten was. Verdachte heeft midden in de nacht een levensgevaarlijke situatie gecreëerd.

Er is niet veel voorstellingsvermogen nodig om te bedenken wat er met de aangrenzende woningen en de zich daarin bevindende personen zou zijn gebeurd, als het gas in de woning van verdachte zou zijn geëxplodeerd. De gevolgen waren niet te overzien geweest, zo blijkt uit het schriftelijke verslag d.d. 15 november 2006 van [Officier van Dienst Brandweer] (Officier van Dienst Brandweer). Verdachtes gedrag heeft hinder, maar vooral groot gevaar veroorzaakt voor de omwonenden en bij hen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 15 november 2007 - eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Ook heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het omtrent verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport van reclassering Nederland d.d. 24 januari 2007 en van het hiervoor reeds aan de orde gekomen psychologische rapport d.d. 12 januari 2007.

In beginsel dient aan een verdachte die zich schuldig maakt aan feiten als de onderhavige, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur te worden opgelegd.

Het hof is echter van oordeel dat het tenuitvoerleggen van een zodanige straf in dit geval onwenselijk is, nu ter terechtzitting van het hof naar voren is gekomen dat verdachte hulp heeft gezocht bij verschillende instanties om de kans op herhaling te beperken. Verdachte heeft aangegeven dat hij sinds februari 2007 begeleid woont en onder behandeling is bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland (AFPN). Daarnaast heeft verdachte zich kort geleden aangemeld bij de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN). Het hof zal tevens de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte bij de straftoemeting in aanmerking nemen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd, mede omdat voorkomen moet worden dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten. Aan het voorwaardelijk deel zal de voorwaarde worden verbonden dat verdachte zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling. Verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds in voorarrest uitgezeten. Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten zal daarnaast aan verdachte een werkstraf van het maximaal aantal uren worden opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van vier maanden , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar

feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, en verder bij de uitvoering van de voormelde werkstraf, voor zover niet reeds bij het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. H.H.A. Fransen, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Lok als griffier, zijnde de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.