Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC2992

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
BK 177/06 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 en naar de toestand per 1 januari 2005 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 06/00177

uitspraakdatum: 25 januari 2008

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 06/819 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 22 november 2006, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Achtkarspelen, de heffingsambtenaar

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ) heeft de heffingsambtenaar bij beschikking van 31 maart 2005 de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-straat 16 te Z (hierna: de onroerende zaak of woning) vastgesteld op € 222.000,-. De beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006. De waardepeildatum is 1 januari 2003.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 20 februari 2006 de vastgestelde waarde gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 22 november 2006 het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlage) is op 29 december 2006 door het hof ontvangen. Op 8 februari 2007 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend.

1.5. Ter zitting van 11 oktober 2007 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daarbij zijn verschenen belanghebbende en namens de heffingsambtenaar A en B, taxateur van C.

1.6. Bij brief van 24 oktober 2007 heeft het hof partijen meegedeeld dat het onderzoek wordt heropend. Belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen en de heffingsambtenaar krijgt de gelegenheid te reageren op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd. Op respectievelijk 6 en 7 november 2007 ontving het hof de reacties van partijen. Belanghebbende reageerde bij brief van 12 november 2007 op hetgeen de heffingsambtenaar nog heeft aangevoerd. Van de heffingambtenaar is geen reactie ontvangen op de door belanghebbende ingediende stukken.

1.7. Van een nadere zitting is afgezien omdat partijen niet expliciet om een vervolg van de mondelinge behandeling hebben gevraagd zoals was aangegeven in de brief van 8 november 2007 van het hof.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is gebruiker en eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een vrijstaande woning met garage en berging. De inhoud van de woning bedraagt ongeveer 400 m³. De totale kaveloppervlakte bedraagt 15.230 m² (perceelnummers D1, D2 en D3). Van deze totale oppervlakte wordt 830 m² toegerekend aan ondergrond en erf van de woning. Het restant ter grootte van 14.400 m² bestaat uit weiland (hierna: het weiland).

2.2. In het jaar 2003 is belanghebbende gestart met een paardenhouderij. Voordien hield hij schapen. Belanghebbende wil de veulens van zijn paarden (fokmerries) gedurende 3 à 4 jaren aanhouden, ze beleren (zadelmak maken) en vervolgens verkopen. De fokmerries wil hij tevens verhuren/verleasen voor het maken van buitenritten. De activiteiten zijn tot en met het jaar 2006, zelfs indien rekening wordt gehouden met de premies/subsidies, verliesgevend. Over 2007 verwacht belanghebbende een kleine winst. Per 31 december 2006 beschikt belanghebbende over 8 stuks vee. Belanghebbende is bij de belastingdienst niet bekend als ondernemer.

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 en naar de toestand per 1 januari 2005 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

3.2. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend. Hij is van mening dat het grasland bij de bepaling van de waarde van de ontroerende zaak buiten aanmerking gelaten moet worden omdat dit bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond betreft. Hij wijst erop dat een perceel grond te L, dat voor dezelfde activiteiten wordt gebruikt, tot voor kort altijd onder de cultuurgrondvrijstelling viel. Tevens acht hij de door de heffingsambtenaar genoemde vergelijkingspanden niet vergelijkbaar. Belanghebbende staat een waarde voor van € 147.000,-.

3.3. De heffingsambtenaar beantwoordt de vraag ontkennend. Hij stelt zich op het standpunt dat de cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing is omdat geen sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van de grond. De vastgestelde waarde acht hij juist. Voor de onderbouwing verwijst hij naar een waardematrix.

3.4. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17, 18, lid 1, en 19, lid 1, aanhef en onder c, van de WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 2003 en naar de toestand per 1 januari 2005 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2. Ingevolge artikel 4, lid 1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, kan de in artikel 17, lid 2, van de WOZ bedoelde waarde voor woningen onder meer worden bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.

4.3. Artikel 18, lid 3, van de WOZ en artikel 2, lid 1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringregeling) bepaalt dat bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen (hierna: de cultuurgronduitzondering). Volgens het tweede lid van voormeld artikel 2 wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder landbouw verstaan landbouw in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Pachtwet. Aldaar is bepaald dat onder landbouw -voor zover hier van belang- wordt verstaan veehouderij.

4.4. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar het weiland terecht bij de waardebepaling in aanmerking genomen omdat belanghebbendes activiteiten, zoals omschreven onder 2.2, niet vallen onder het begrip landbouw als hiervoor onder 4.3 bedoeld. Voor de onderbouwing van dit oordeel verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998, nr. 32 598, BNB 1999/47. Hieruit kan worden afgeleid dat het fokken, verleasen en beleren van paarden/veulens niet valt onder het begrip landbouw in de definitie daarvan voor de inkomstenbelasting (landbouwvrijstelling) omdat geen sprake is van het fokken van dieren ten behoeve van het verbruik van (delen of producten van) het dier door de consument. Het hof ziet geen reden om voor de WOZ anders te oordelen.

Vorenstaande betekent dat belanghebbendes activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als landbouw en dat het weiland niet ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd. De cultuurgronduitzondering is daarom niet van toepassing. Het weiland dient bij de waardebepaling in aanmerking te worden genomen. De vraag of sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie behoeft geen beantwoording meer.

4.5. De bewijslast inzake de juistheid van de aan de onroerende zaak toegekende waarde ligt - bij betwisting - bij de heffingsambtenaar. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde verwijst de heffingsambtenaar naar de onder 3.3 vermelde waardematrix. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de heffingsambtenaar in die bewijslast is geslaagd en dat de waarde die per vorige peildatum aan de onroerende zaak is toegekend niet relevant is. Het hof verwijst hierbij naar hetgeen de rechtbank onder 4.4 en 4.5 heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne. Daaraan voegt het hof nog het volgende toe.

Zoals de heffingsambtenaar ter zitting bij de rechtbank reeds heeft meegedeeld is bij de waardering van de kavel de staffelmethode toegepast. Dit betekent dat – anders dan belanghebbende meent – het weiland niet op € 5,- per m² is gewaardeerd. Dit betreft een gemiddelde prijs voor zowel de ondergrond en het erf van de woning als voor het weiland. Voor zover in deze grondprijs onvoldoende rekening is gehouden met de mindere ligging van de woning, hetgeen de heffingsambtenaar weerspreekt, kan dit niet tot een lagere waarde leiden omdat de waardevermindering die dat met zich brengt naar het oordeel van het hof minder bedraagt dan de in artikel 26a van de WOZ voor de waardevaststelling gegeven marge.

De omstandigheid dat ten aanzien van een bij belanghebbende in eigendom en gebruik zijnd perceel te L tot voor kort de cultuurgronduitzondering werd toegepast, kan hem niet baten. De heffingsambtenaar heeft hierover meegedeeld dat deze cultuurgronduitzondering ten onrechte werd toegepast en inmiddels is komen te vervallen. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden. Evenmin is het hof gebleken van schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur.

4.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en H. Bakker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 25 januari 2008 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen

verzonden op 30 januari 2008

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.