Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC2209

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
24-000476-07 (ontnemingszaak)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de "aantekening mondeling vonnis" blijkt dat de politierechter veroordeelde op 8 februari 2007 heeft veroordeeld voor het op 20 april 2006 opzettelijk aanwezig hebben van hennep(planten). Het hof stelt vast dat de politierechter niet bewezen heeft verklaard dat veroordeelde zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep(planten), zodat veroordeelde van dat deel van de tenlastelegging is vrijgesproken. Deze vrijspraak omvat ook het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van de 170 hennepplanten vanaf 1 februari 2006. Tegen dit vonnis van de politierechter is geen rechtsmiddel ingesteld.

Het hof is derhalve van oordeel, dat de onderhavige vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op feiten waarvoor veroordeelde is vrijgesproken. Artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden sluit uit dat een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt toegewezen voor feiten waarvoor is vrijgesproken.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, dan ook vernietigen en opnieuw recht doende, de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 312
NBSTRAF 2008/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000476-07 (ontnemingszaak)

Parketnummer eerste aanleg: 18-653654-06

Arrest van 17 januari 2008 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de

rechtbank Groningen van 8 februari 2007, in de zaak strekkende tot ontneming

van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

1. Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft bij voormeld vonnis het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 4.000,= en veroordeelde voornoemd de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Aanwending van het rechtsmiddel

De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

3. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

4. De vordering van het openbaar ministerie

Aan dit arrest is gehecht een afschrift van de vordering van het openbaar ministerie, waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op € 3.948,88 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

5. De beslissing op het hoger beroep

Uit de processtukken blijkt, dat - naar aanleiding van een melding op 20 april 2006 - op 21 april 2006 in de toenmalige woning van veroordeelde aan de [adres] te [woonplaats] een in werking zijnde hennepkwekerij met 325 bijna volgroeide hennepplanten is aangetroffen. Op diezelfde dag is veroordeelde omtrent die hennep-kwekerij door de politie gehoord. Hij heeft toen verklaard dat de aangetroffen hennepkwekerij van hem was en dat hij de aanwezige hennepplanten ongeveer 8 weken geleden had geplant. Hij heeft verder aangegeven dat dit de tweede keer was dat hij zou gaan oogsten en dat hij één keer eerder in zijn woning te [woonplaats] ongeveer 170 hennepplanten had geteeld en vervolgens geoogst. Veroordeelde heeft ter terechtzitting van het hof desgevraagd verklaard, dat hij deze 170 hennepplanten heeft geteeld en geoogst vanaf 1 februari 2006. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan deze verklaring van veroordeelde.

De onderhavige vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het voordeel dat door de veroordeelde zou zijn verkregen met betrekking tot genoemde 170 hennepplanten.

Veroordeelde is onder parketnummer 18-653654-06 gedagvaard om op 8 februari 2007 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Groningen terecht te staan. Onder feit 1. op die dagvaarding is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks de periode van 1 februari 2006 tot en met 20 april 2006 te Groningen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 325, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het verwijt dat veroordeelde wordt gemaakt in het onder 1. ten laste gelegde feit omvat naar het oordeel van het hof mede dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van genoemde 170 hennepplanten. Immers, deze 170 hennepplanten zijn in de ten laste gelegde periode (vanaf 1 februari 2006) geteeld en geoogst, terwijl het onderdeel "een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan" ook de 170 hennepplanten kan omvatten.

Uit de "aantekening mondeling vonnis" blijkt dat de politierechter veroordeelde op 8 februari 2007 heeft veroordeeld voor het op 20 april 2006 opzettelijk aanwezig hebben van hennep(planten). Het hof stelt vast dat de politierechter niet bewezen heeft verklaard dat veroordeelde zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep(planten), zodat veroordeelde van dat deel van de tenlastelegging is vrijgesproken. Deze vrijspraak omvat ook het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van de 170 hennepplanten vanaf 1 februari 2006. Tegen dit vonnis van de politierechter is geen rechtsmiddel ingesteld.

Het hof is derhalve van oordeel, dat de onderhavige vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op feiten waarvoor veroordeelde is vrijgesproken. Artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden sluit uit dat een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt toegewezen voor feiten waarvoor is vrijgesproken.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, dan ook vernietigen en opnieuw recht doende, de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

6. De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

wijst de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,

mr. Van den Bergh en mr. Fransen, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier.