Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BC1142

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
0500447
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar 's hofs oordeel staat in het onderhavige geval niet vast dat Veenstra BV in de voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden krachtens 'een duurzaam persoonlijk of zakelijk recht' het gebruik van het Ketelhuis had. Weliswaar stelt de gemeente thans - voor het eerst - dat Veenstra BV vanaf juni 1977 een duurzaam recht tot gebruik van het monument had. Omtrent het bestaan (de vestiging) van een dergelijk recht is echter onvoldoende gesteld, zodat het hof hiervan thans niet kan uitgaan, nog daargelaten dat een dergelijk recht niet ten behoeve van een rechtspersoon kan worden gevestigd.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat ook voor deze subsidie geldt dat het op de weg van de gemeente had gelegen deze aan te vragen bij de provincie. Voorts overweegt het hof nog dat nu sprake was van een koppelsubsidie, Veenstra BV hoe dan ook geen provinciale subsidie had kunnen verkrijgen wanneer de gemeente zelf geen subsidie verleende, zoals de gemeente zelf ook naar voren brengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 2 januari 2008

Rolnummer 0500447

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Veenstra Bouwbedrijf B.V.,

gevestigd te Easterein, gemeente Littenseradiel,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Veenstra BV,

procureur: mr. W. Sleijfer,

tegen

Gemeente Littenseradiel,

zetelende te Wommels,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr. R.C.M. Kamsma.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 13 juni 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na het tussenarrest heeft Veenstra BV een akte genomen.

Vervolgens heeft de gemeente een antwoordakte genomen.

Hierna hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In r.o. 8 van het tussenarrest van 13 juni 2007 heeft het hof overwogen dat naar zijn voorlopig oordeel omstreeks eind oktober 1998/begin november 1998 de vergunning op grond van art. 46 lid 3 Woningwet van rechtswege was verleend.

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld hun visie kenbaar te maken op dit voorlopige oordeel.

2. In haar akte van 25 juli 2007 heeft Veenstra BV aangegeven dat het voorlopig oordeel van het hof niet juist is, omdat naar haar mening geen sprake kan zijn van 'herleving' van de wettelijke beslistermijnen - op het moment dat de provincie het nieuwe bestemmingsplan had goedgekeurd -, nu de Woningwet daarover niets bepaalt.

In haar antwoordakte heeft de gemeente vermeld dat een wetsanaloge toepassing van art. 49 lid 4 en lid 5 Woningwet voor de hand ligt, hetgeen het voorlopig oordeel van het hof volgens de gemeente bevestigt.

3. Het hof ziet in de thans naar voren gebrachte argumenten onvoldoende aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan is neergelegd in r.o. 8 van het tussenarrest. Het hof houdt het er derhalve op dat omstreeks eind oktober 1998/begin november 1998 sprake was van een van rechtswege verleende bouwvergunning voor Veenstra BV.

Dit leidt ertoe, zoals reeds is aangegeven in r.o. 9 van het tussenarrest, dat de gestelde schade van Veenstra BV niet in voldoende relatie kan worden gebracht met de trage afhandeling door de gemeente van de bouwaanvraag, op welke grond de op dit punt geclaimde schade moet worden afgewezen.

De grieven A, B, C en D slagen inzoverre.

4. Voorts is nog aan de orde een misgelopen subsidiebedrag van f 17.500,-- van de provincie Fryslân, waarop Veenstra BV aanspraak had kunnen maken.

De gemeente heeft in haar akte van 12 september 2007 gesteld dat deze subsidie berustte op de Bijdrageregeling Monumentenfonds 1995, welke regeling zij thans in het geding heeft gebracht. Voorts stelt de gemeente dat Veenstra BV de subsidie zelf had moeten aanvragen.

5. Het hof overweegt het volgende. Uit de in het geding gebrachte subsidieregeling blijkt dat de aanvraag moet worden gedaan door de eigenaar of gemachtigde (naar het hof begrijpt: van de eigenaar) van het monument (art. 5). In art. 1, sub e, van de regeling is bepaald dat onder 'eigenaar' moet worden verstaan: 'degene die krachtens zakelijk recht het recht van eigendom heeft, dan wel krachtens een duurzaam persoonlijk of zakelijk recht het gebruik heeft van een monument of rijksmonument'.

In het onderhavige geval staat vast dat de gemeente vóór en ten tijde van de aanvang van de bouwwerkzaamheden (restauratie) van het Ketelhuis eigenaar was. Veenstra BV is eerst op 30 juli 2002 eigenaar geworden; op dat moment waren de restauratiewerkzaamheden reeds afgerond. Dit is van belang omdat op grond van art. 7, lid 1, sub d van de regeling een aanvraag wordt afgewezen indien met de werkzaamheden ter uitvoering van het project reeds een aanvang is gemaakt.

Naar 's hofs oordeel staat in het onderhavige geval niet vast dat Veenstra BV in de voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden krachtens 'een duurzaam persoonlijk of zakelijk recht' het gebruik van het Ketelhuis had. Weliswaar stelt de gemeente thans - voor het eerst - dat Veenstra BV vanaf juni 1977 een duurzaam recht tot gebruik van het monument had. Omtrent het bestaan (de vestiging) van een dergelijk recht is echter onvoldoende gesteld, zodat het hof hiervan thans niet kan uitgaan, nog daargelaten dat een dergelijk recht niet ten behoeve van een rechtspersoon kan worden gevestigd.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat ook voor deze subsidie geldt dat het op de weg van de gemeente had gelegen deze aan te vragen bij de provincie. Voorts overweegt het hof nog dat nu sprake was van een koppelsubsidie, Veenstra BV hoe dan ook geen provinciale subsidie had kunnen verkrijgen wanneer de gemeente zelf geen subsidie verleende, zoals de gemeente zelf ook naar voren brengt.

6. Het vooroverwogen brengt mee dat naar 's hofs oordeel mee dat, mede in het licht van hetgeen in r.o. 17 van het tussenarrest is overwogen omtrent de gemeentelijke toezeggingen, de gemeente ook aansprakelijk is voor de schade die Veenstra BV heeft geleden in verband met het mislopen van de provinciale subsidie ad

f 17.500,--.

7. Hiermee slagen de grieven 5 en 6, en grief 7 gedeeltelijk, in het principaal appel. Het hof zal de gemeente veroordelen tot betaling van een bedrag van f 65.000,-- ( f 30.000,-- plus tweemaal f 17.500,--), derhalve € 29.495,71, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 april 2004.

De grieven 1 tot en met 4 falen; het hier aan de orde zijnde deel van de vordering van Veenstra BV zal worden afgewezen.

8. Nu de vordering van Veenstra BV slechts zeer gedeeltelijk wordt toegewezen, ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt, zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal appel en in het incidenteel appel:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Leeuwarden van 3 maart 2004, 30 juni 2004, 8 december 2004 en 8 juni 2005;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de gemeente tot betaling aan Veenstra BV van een bedrag van

€ 29.495,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. De Bock, voorzitter, Kuiper en Keur, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 2 januari 2008 in bijzijn van de griffier.