Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BC8713

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
WAHV 07-00439
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd ter zake van het verlies van geldigheid van het keuringsbewijs. De betrokkene gebruikt het voertuig in Spanje waar hij woont. Sanctie terecht opgelegd. De betrokkene kan voertuig voor export afmelden bij de RDW en zich zo bevrijden van de Nederlandse keuringsplicht.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 72
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 07/00439

23 oktober 2007

CJIB 19092581492

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 9 januari 2007betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

postadres te [postadres]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep en daarbij aanvullende informatie in het geding gebracht.

De betrokkene heeft gereageerd op de aanvullende informatie.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW te Veendam zou zijn verricht op 1 februari 2006 met het voertuig met het kenteken [kenteken]

3.2. De betrokkene bestrijdt niet dat voor het betreffende voertuig ten tijde als voormeld in strijd met de wettelijke verplichting het keuringsbewijs zijn geldigheid had verloren. Het beroep strekt er toe dat de gedraging is verricht onder omstandigheden welke het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging van de sanctie rechtvaardigen. Daartoe heeft de betrokkene het volgende aangevoerd.

Hij gebruikt het betreffende voertuig in Spanje, waar hij woont. Het voertuig kan daarom geen gevaar hebben opgeleverd voor de verkeersveiligheid in Nederland. Verder is het voertuig altijd conform de schema's van de fabrikant onderhouden, zodat de verplichte periodieke keuring feitelijk overbodig is. Bovendien zou het onevenredig hoge kosten meebrengen om het voertuig ieder jaar in Nederland ter keuring aan te bieden.

Hij heeft niet de mogelijkheid gehad om het voertuig bij de RDW af te melden en in Spanje te laten registreren, omdat de Spaanse autoriteiten voor uit het buitenland in te voeren voertuigen een technische verklaring eisen. De RDW zou deze verklaring niet afgeven voor voertuigen die als verhuisgoed uit het buitenland in Nederland zijn ingevoerd, terwijl de Verenigde Staten, waar het voertuig oorspronkelijk vandaan komt, een dergelijke verklaring niet kennen. Sinds maart 2007 staan de Spaanse autoriteiten zelfs helemaal niet meer toe dat uit het buitenland ingevoerde auto's in Spanje worden geregistreerd.

De enige redelijke oplossing voor het onderhavige probleem zou derhalve een ontheffing van de Nederlandse keuringsplicht zijn wegens het uitzonderlijke karakter van de situatie. De betrokkene wijst in dat verband op politieke initiatieven om de keuringsplicht te versoepelen, onder meer door de mogelijkheid om voertuigen in het buitenland te laten keuren.

De betrokkene wijst er verder op dat hij op 1 mei 2007 in een vergelijkbare zaak door de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam in het gelijk gesteld is. Ook de kantonrechter van de rechtbank Haarlem zou onlangs in een vergelijkbare zaak van een andere betrokkene de sanctie op nihil gesteld hebben.

3.3. De onderhavige gedraging is gebaseerd op artikel 72, tweede lid onder b, Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

3.4. Artikel 72 WVW 1994, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

2. Het keuringsbewijs dient: (...)

b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, (...)

3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:

a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder.

3.5. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1990-1991, 22 030, nr. 3, blz. 113) houdt onder meer in:

“Het derde lid (ontleend aan art. 9d van de Wegenverkeerswet) geeft aan wie aansprakelijk is voor handelen in strijd met het bepaalde in het eerste en tweede lid. In de eerste plaats is dat uiteraard de eigenaar of houder van het voertuig. Deze moet er, ongeacht of het voertuig op de weg wordt gebruikt, zorg voor dragen dat voor het voertuig een keuringsbewijs is afgegeven”.

3.6. De keuringsplicht wordt door middel van registervergelijking op een effectieve wijze gehandhaafd. De effectiviteit van de handhaving zou ernstig worden ondermijnd wanneer bij elke geconstateerde overtreding zou moeten worden vastgesteld of het betreffende voertuig desondanks aan de technische eisen voor de APK voldeed en of iemand daarmee in Nederland aan het verkeer heeft deelgenomen dan wel heeft kunnen deelnemen. Een en ander brengt mee dat het in strijd met artikel 72 WVW 1994 niet voldoen aan de keuringsplicht op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie rechtvaardigt, ook in het geval met het betreffende voertuig de Nederlandse verkeersveiligheid niet in gevaar kan zijn gebracht.

3.7. Vooropgesteld moet worden dat een ieder die zijn voertuig in Nederland geregistreerd heeft zich dient te houden aan de geldende keuringsplicht.

Wie - zoals de betrokkene - er voor kiest om de Nederlandse registratie van zijn voertuig ook in het buitenland te handhaven, dient de consequentie te aanvaarden dat hij het voertuig voor de jaarlijkse keuring in Nederland moet aanbieden, ook wanneer dat extra tijd en kosten meebrengt. Het enkele feit dat de mogelijkheid wordt onderzocht om voertuigen voor de Nederlandse APK in het buitenland te laten keuren kan niet rechtvaardigen dat de betrokkene zijn voertuig in het geheel niet heeft laten keuren.

3.8. Het hof stelt vast dat het de betrokkene te allen tijde vrij staat om zijn voertuig bij de RDW voor export af te melden en zich zo te bevrijden van de Nederlandse keuringsplicht.

3.9. Artikel 4 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake kentekenbewijzen van motorvoertuig(de Richtlijn) luidt als volgt: "Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat." Spanje is derhalve in beginsel verplicht om, wanneer daarom wordt verzocht, een voertuig met een Nederlands kentekenbewijs te registreren.

3.10. Dat Spanje zijn verplichtingen op grond van de Richtlijn niet zou nakomen is - wat daar ook van zij - geen omstandigheid die een rol kan spelen bij de vraag of terecht aan de betrokkene een sanctie is opgelegd wegens het niet nakomen van de Nederlandse keuringsplicht. Dat probleem dient de betrokkene aan de betreffende Spaanse dan wel Europese autoriteiten voor te leggen. Wanneer de betrokkene het probleem tracht uit de weg te gaan door de Nederlandse registratie te handhaven, dient hij daarvan de consequenties te aanvaarden.

3.11. Dat enkele kantonrechters in vergelijkbare gevallen aanleiding hebben gezien de sanctie op nihil te stellen, brengt - wat daar ook van zij - niet mee dat het hof in de onderhavige zaak eveneens van de sanctie zou moeten afzien. Een uitspraak van de kantonrechter kan het hof immers niet binden.

3.12. Gelet op het vorenoverwogene kan niet worden geoordeeld dat de sanctie ten onrechte is opgelegd en bestaat ook geen aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.