Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BC1153

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-12-2007
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
BK 163/06 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2064, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI7213, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7213
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of een bedrag van € 5.383,- ter zake van de rente over een deel van de geldlening kan worden aangemerkt als (nagekomen) verlies uit onderneming dan wel als negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 163/06

Uitspraakdatum: 28 december 2007

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 06/1158 van de rechtbank Leeuwarden van 3 november 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 met dagtekening 11 december 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

Gelijktijdig met het vaststellen van deze aanslag heeft de inspecteur bij beschikking de in de voorgaande jaren vastgestelde verliezen tot een bedrag van € 48.458,- verrekend met het inkomen uit werk en woning van het jaar 2002, waarna genoemd belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil resteerde.

1.2 Nadat belanghebbende daartegen tijdig een bezwaarschrift had ingediend, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 31 maart 2006 het bezwaar afgewezen.

1.3 Bij uitspraak van 3 november 2006, verzonden op 6 november 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep tegen voornoemde uitspraak ongegrond verklaard.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlagen) van 15 december 2006, bij het hof ingekomen op 18 december 2006 en aangevuld bij brief (met bijlagen), ingekomen op 15 januari 2007.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) in hoger beroep ingediend, ingekomen op 6 februari 2007.

1.5 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2007. Belanghebbende en zijn gemachtigde, mr. A, zijn verschenen. Namens de inspecteur is verschenen mr. B.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Belanghebbende, gehuwd met mevrouw C, is in maart 1995 een onderneming begonnen. De activiteiten van deze in de vorm van een eenmanszaak uitgeoefende onderneming bestonden uit het produceren van geïllustreerd drukwerk en het verkopen van advertenties die in dat drukwerk werden opgenomen.

2.2 Vanwege de slechte resultaten uit de onderneming (verlies 1995: f 63.471,- (€ 28.802,-), verlies 1996: f 351.269,- (€ 159.399,-), verlies 1997: f 96.664,- (€ 43.864,-)) heeft belanghebbende zijn onderneming medio 1998, althans ultimo 1998, gestaakt. Daarbij zijn de activa overgegaan naar belanghebbendes privé-vermogen. Er was geen te belasten stakingswinst; volgens de aangifte IB/PVV voor het jaar 1998 bedroeg de winst uit onderneming voor het jaar 1998 negatief f 65.754,- (€ 29.838,-).

2.3 Volgens een uitrekstel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Z is de onderneming met ingang van 15 juni 1998 opgeheven.

2.4 Belanghebbende heeft in de loop van het jaar 1998 met alle toen bekende zakelijke crediteuren een akkoord gesloten. Op grond hiervan heeft hij een aantal crediteuren geheel betaald en een aantal deels.

2.5 Op 30 september 1998 heeft belanghebbende een hypothecaire geldlening (: de geldlening) afgesloten bij de D-bank, ten bedrage van in totaal ƒ 450.000,- (€ 204.201,- ), bestaande uit een bedrag ad ƒ 250.000,- (€ 113.445,-) als Spaarhypotheek PLUSsom en een krediet in rekening-courant met een limiet van ƒ 200.000,- (€ 90.756,-). Hierbij heeft belanghebbende aan de D-bank het recht van hypotheek verleend op zijn tot zijn privé-vermogen behorende woning, gelegen aan de a-straat 1 te Z.

2.6 De uit de geldlening verkregen gelden heeft belanghebbende voor een bedrag van ƒ 129.000,- (€ 58.538,-) aangewend voor het aflossen (lees: oversluiten) van zijn hypothecaire geldlening ten behoeve van de financiering van zijn privé-woning, voor een bedrag van ƒ 250.000,-

(€ 113.445,-) voor het aflossen van zijn zakelijke rekening-courantschuld bij de E-bank en voor een bedrag van ƒ 71.000,-- (€ 32.218,--) voor het betalen van zijn zakelijke crediteuren op grond van het met hen gesloten akkoord.

2.7 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2002 heeft belanghebbende een bedrag van € 6.467,- ter zake van een deel van de rente over de geldlening op zijn voordelen uit zijn eigen woning in mindering gebracht. De aldus berekende negatieve inkomsten uit zijn eigen woning heeft hij geheel toegedeeld aan zijn echtgenote. Het overige deel ad € 5.383,- van de rente over de geldlening heeft belanghebbende aangegeven als negatief resultaat uit overige werkzaamheden, omdat de geldlening zijns inziens (deels) is aangegaan ten behoeve van zijn onderneming en onlosmakelijk daarmee is verbonden.

2.8 De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV het door belanghebbende

aangegeven negatieve resultaat uit overige werkzaamheden niet in aanmerking genomen. Het inkomen uit werk en woning heeft hij vastgesteld op een bedrag van € 48.458,-. Dit inkomen heeft hij vervolgens met een bedrag van € 48.458,- verminderd wegens te verrekenen verliezen uit voorgaande jaren, zodat hij het belastbare inkomen uit werk en woning heeft vastgesteld op nihil.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of een bedrag van € 5.383,- ter zake van de rente over een deel van de geldlening kan worden aangemerkt als (nagekomen) verlies uit onderneming dan wel als negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

3.2 Belanghebbende is primair van mening dat het deel van de geldlening dat is opgenomen voor het aflossen van het zakelijke krediet en voor het betalen van de zakelijke crediteuren, welk deel ƒ 321.000,- (€ 145.663,-) bedraagt (hierna: het deel van de geldlening), dient te worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. Derhalve dient het op het deel van de geldlening betrekking hebbende bedrag van € 5.383,- aan rente als (nagekomen) kosten ter zake van zijn onderneming te worden aangemerkt. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de schuld ter zake waarvan de rente van € 5.383,- is betaald rechtstreeks samenhangt met het ter beschikking stellen van (privé) vermogen aan de onderneming, zodat deze rente als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking dient te worden genomen.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het deel van de geldlening tot het privé-vermogen van belanghebbende behoort en bij het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) in beschouwing dient te worden genomen, zodat de rente over het deel van de geldlening bij het vaststellen van belanghebbendes inkomen uit werk en woning niet in aanmerking kan worden genomen. De inspecteur stelt voorts dat de subsidiaire stelling van belanghebbende onjuist is.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Vooreerst en vooraf

4.1 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, wegens het ontbreken van belang bij het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de op nihil vastgestelde aanslag IB/PVV voor het jaar 2002, het beroep en het daaraan voorafgegane bezwaar dienen te worden geacht te zijn gericht tegen de bij deze aanslag gegeven verliesverrekeningsbeschikking, waarbij de inspecteur de in de voorgaande jaren vastgestelde verliezen uit werk en woning tot een bedrag van € 48.458,- heeft verrekend met het inkomen uit werk en woning van het jaar 2002.

Omtrent het eigenlijke geschil

4.2 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag hoe het deel van de geldlening moet worden geëtiketteerd (privé-vermogen of ondernemingsvermogen).

4.3 Volgens vaste jurisprudentie heeft bij de staking van een onderneming in het algemeen te gelden dat een tot het ondernemingsvermogen behorend vermogensbestanddeel, dat niet wordt overgedragen aan een derde, naar het privé-vermogen wordt overgebracht. Deze regel lijdt uitzondering indien sprake is van uit de ondernemingssfeer stammende onzekerheden omtrent de afwikkeling van dat vermogensbestanddeel. In dat geval blijft het behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen (vergelijk HR 14 maart 2003, nr. 37 885 (VN 2003/18.8) en de conclusie van de Advocaat -Generaal mr. van Soest bij HR 25 oktober 1978, nr. 18 747 (BNB 1979/56*).

4.4 Uit de vaststaande feiten volgt dat belanghebbende zijn zakelijke rekening-courantschuld bij de E-bank ad f 250.000,- (€ 113.445,-) heeft afgelost met uit het deel van de geldlening verkregen gelden en dat hij zijn zakelijke crediteuren op grond van een met hen gesloten akkoord tot een bedrag van f 71.000,- (€ 32.218,-) eveneens heeft betaald met de uit het deel van de geldlening verkregen gelden. Aldus is naar het oordeel van het hof het deel van de geldlening in de plaats gekomen van belanghebbendes zakelijke rekening-courant- en crediteurenschuld. Dat ten tijde van de staking van de onderneming medio 1998, althans ultimo 1998, onzekerheid bestond over de hoogte en de wijze van afwikkeling van het deel van de geldlening, heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof geenszins aannemelijk gemaakt. Er is ook niet gesteld of aannemelijk geworden dat het deel van de lening bij de berekening van de winst over 1998 op een ander bedrag zou zijn gesteld dan het nominale bedrag. Derhalve geldt naar het oordeel van het hof de hiervoor onder punt 4.3 weergegeven algemene regel, die meebrengt dat het deel van de geldlening ten tijde van de staking van belanghebbendes onderneming in 1998 is overgegaan naar zijn privé-vermogen. De rente over het deel van de geldlening kan naar het oordeel van het hof derhalve niet als (nagekomen) kosten ter zake van belanghebbendes onderneming worden aangemerkt.

Hierbij wijst het hof belanghebbende erop dat zijn stelling dat er zich na 1998 nog diverse crediteuren hebben gemeld, hem niet kan baten, omdat de door hem in aftrek gebrachte rente geen betrekking heeft op nader opgekomen schulden, maar enkel het deel van de geldlening betreft. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat twee partijen zich in 1998 borg hebben gesteld voor het verkrijgen van de geldlening, is het hof van oordeel dat deze borgstelling er niet toe kan leiden dat het deel van de geldlening als ondernemingsvermogen moet worden aangemerkt. De borgstelling heeft immers geen invloed op de hoogte en wijze van afwikkeling van het deel van de geldlening.

4.5 Aangaande eisers subsidiaire stelling, inhoudende dat het deel van de geldlening rechtstreeks samenhangt met het ter beschikking stellen van (privé) vermogen aan de onderneming als bedoeld in artikel 3.91 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is het hof met de rechtbank van oordeel dat deze stelling berust op een onjuiste interpretatie van dit artikel. Derhalve dient deze stelling te worden verworpen.

4.6 Ook overigens ziet het hof geen enkele grond om het deel van de geldlening op enige wijze bij het bepalen van eisers inkomen uit werk en woning (box 1) in aanmerking te nemen. Aldus is het hof van oordeel dat het deel van de geldlening bij het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) in beschouwing moet worden genomen. Dit brengt mee dat met de rente over het deel van de geldlening bij het vaststellen van belanghebbendes inkomen uit werk en woning geen rekening kan worden gehouden. De inspecteur heeft derhalve de door belanghebbende in zijn aangifte als negatief resultaat uit overige werkzaamheden opgevoerde rente ad € 5.383,- ter zake van het deel van de geldlening terecht niet in aftrek toegelaten.

4.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 28 december 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 4 januari 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.